Koele wraak (Vendetta ) 16

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 15:  http://tallsay.com/page/429500248/koele-wraak-vendetta-15 

               Ingelast afsluitend deel van boek 1

 

           2ff59c2de1cddeb9b5ccbc08833844c9_medium.

 

                                                               16.

 

Haar afscheid van het eiland was rustig en doordacht verlopen. Direct na haar daad had Claudia - na zich eerst grondig te hebben gewassen en zich van andere kleding te hebben voorzien - de huurauto teruggebracht. Nadat ze had afgerekend en even in het kantoor van de chef had gebeld, liep ze met haar zware canvastas, met daarin het geweer, wat kleding en de overige uitrustingstukken, naar een straat in de binnenstad waar Bibi, een vriendin van haar woonde. Bibi was een voormalig schoolmaatje. Het was een vlotte avontuurlijke meid die over een handige Vespa scooter met een op de achterkant gemonteerd bagagerek beschikte. Die scooter zou Claudia graag even willen lenen om naar Porto-Vecchio te komen. Daar kon dan ook mooi de grote canvastas op worden mee vervoerd. Claudia wist dat Bibi familie in Porto-Vecchio had wonen. Ze ging daar regelmatig met de scooter heen om een weekeinde te logeren. Het zou weinig moeite kosten om Bibi over te halen haar met die scooter weg te brengen naar de oostkust dacht Claudia.

Natuurlijk wilde Bibi Claudia naar de haven van Porto-Vecchio brengen. Ze kon dan, net als zijzelf, wel een nacht bij haar tante en nichtjes logeren, terwijl Claudia dan de volgende dag in alle rust een boot kon zoeken die haar naar Italië, of naar het vasteland van Frankrijk kon vervoeren. Waarom Claudia op die onorthodoxe wijze het eiland wilde verlaten interesseerde Bibi niet.

Het idee was dus in de geschetste context de eenvoud zelf.

Claudia belde haar oma dat ze naar de overkant ging en Bibi liet haar tante weten dat ze twee slapers kreeg.  Na een flinke rit door het zuidelijke Corsicaanse heuvelland kwamen ze rond de late avond in Porto-Vecchio aan. Madame Flory, de tante van Bibi, was een hartelijke Italiaanse die reeds dertig jaar in Porto-Vecchio woonde. Haar echtgenoot was eerste stuurman op een bulkcarrier en kwam maar om de drie weken thuis. Ze bewoonden een fraaie villa met uitzicht op de haven en de Middellandse Zee.

Madame Flory was een moderne vrouw. Ze stelde weinig vragen en vond het kennelijk heel gewoon dat Bibi zomaar langs kwam met een vriendin. ‘We willen morgen even naar het strand en de haven. Dan ga ik weer naar huis terug en gaat Claudia met de veerboot naar Genua,’ vertelde Bibi tegen haar tante, die slechts haar schouders ophaalde en vervolgens naar de keuken vertrok.

De volgende dag was Claudia al rond zeven uur op. Ze wilde proberen nog voor de middag een schipper te vinden die haar naar de overkant kon meenemen.

Dat lukte uiteindelijk wonderwel.

Nadat Bibi haar bij de jachthaven had afgezet liep Claudia even geïnteresseerd langs de vele jachten te slenteren. Er lag een groot motorjacht afgemeerd waarvan de bemanning koortsachtig de gangboorden liep te zwabberen. Een bejaarde man van rond de vijfenvijftig jaar met kort geknipt donker grijs haar, gestoken in een wit tropenpak met een zwarte bies op de pantalon, stond haar vanaf het bovendek bij de stuurhut met belangstelling op te nemen. Er hing een Italiaanse vlag aan de achtersteven.

   ‘Héé schatje… Zin in een stukje varen,’ vroeg de man aan haar op luide toon toen ze even naar het schip stond te kijken.

   ‘Alleen als u me in Genua, of in Menton kan afzetten. Want daar moet ik naar toe. En de veerboot gaat pas rond twaalf uur weg hoorde ik daarstraks.’

   ‘Ja dat klopt. Maar je mag wel met ons mee. Wij varen over een half uur af. Alleen kost dat wel meer geld dan een ticket voor de veerboot,’ gaf hij lachend ten antwoord.

   ‘Gaat u dan naar Genua?’

   ‘Inderdaad wijffie.’

   ‘En wat kost me dat dan.’

   ‘Nou… zo’n lekker ding als jij mag voor tweehonderd euro mee naar de overkant.’

   ‘Hallo zeg…, dat is wel erg veel geld. Daarbij heb ik nog maar honderdvijftig euro. En daar moet straks de busrit naar Menton ook nog van worden betaald.’

   ‘Nou…, het is inderdaad wel te weinig. Maar goed; je mag mee voor honderdvijftig euro. De rest van het eigenlijke bedrag kan je dan tijdens de tocht in natura betalen.’

   ‘Vuile smeerlap,’ antwoordde Claudia woedend tegen de lachende schipper terwijl ze verder de steiger opliep.

   Aan het eind van de steiger  lag een vijftien meter lange kotter afgemeerd. Het schip zag er op het eerste gezicht wat verwaarloosd uit. De houten kajuit had dringend een verfje nodig en dat gold ook voor de rest van het schip. Een oudere man met een grijze baard was bezig om met de mastlier een tweetal grote olievaten aan boord te hijsen. Nadat het laatste vat aan boord was gebracht klonk er een schreeuw vanuit de kajuit. Een vrouw liet de man weten dat de koffie klaar was.

Verdomme, koffie. Ze zou nog een moord plegen voor een verse kop koffie...

Terwijl de lucht van verse koffie haar neusgaten bereikte, ging Claudia op het eind van de pier zitten. Ze had inmiddels alle aanliggende vaartuigen bekeken, maar behalve het schip met die smeerlap van een kapitein, en dit haveloze vissersschip was geen enkel ander vaartuig bemand.

Terwijl ze weer opstond, haar tas oppakte en met de tas terug zeulde riep er iemand iets tegen haar vanuit de kajuit van de visserskotter. ‘Wacht je misschien op iemand,’ vroeg een in een gevlekte jeanspantalon en wit gestreept shirt geklede vrouw die uit de openstaande kajuit op het bovendek stapte.

   ‘Nee… dat niet direct. Ik had alleen gehoopt een lift te kunnen krijgen naar de overkant.’

   ‘Heb je dan geen geld voor de veerboot?’

   ‘Nee helaas kom ik net iets tekort.’

   ‘Ja dat is vervelend. Maar waar moet je dan heen, lieverd,’

   ‘Eigenlijk naar Toulon of een van de andere havens aan de Côte d'Azur. Maar ook de haven van Genua of een der kleine vissershavens richting de Italiaanse-Franse grens is voor mij ook een optie. Vandaar kan ik dan met de trein naar Toulon reizen.’

   ‘Heb je daar dan wel geld voor?’

   ‘Ja… Ik heb een studentenpasje voor de trein. Ik kan met dat pasje zelfs helemaal tot Rome reizen als dat nodig zou zijn.’

   ‘Nou dat is dan weer geluk bij een ongeluk zal ik maar zeggen. Maar hoe  dan ook; je hebt de financiële uitgaven misschien toch niet helemaal goed bij gehouden, lijkt mij.’

   ‘Ja dat is uiteraard waar. Dat kan ik niet ontkennen.’

   ‘Maar goed… daar leer je van. Het is mij overigens ook wel eens gebeurd toen ik jou leeftijd had.’

Claudia moest om de woorden van de schippersvrouw lachen. Maar goed dat die vrouw niet wist hoe het allemaal werkelijk in elkaar stak.    

   ‘Ja het is inderdaad gewoon een dom foutje van mij geweest om te weinig geld mee te nemen. En het vervelende is dat ik ook mijn bankpasje thuis heb laten liggen. Vandaar dat ik probeer om een lift naar huis te krijgen.’

   ‘Nou vooruit … als je een uurtje geduld hebt dan kan je straks wel met ons meevaren. Wij steken over richting Bandol, of is dat te ver uit de buurt.’

   ‘Nee… zeker niet. Dat zou zelfs fantastisch wezen. Ik moet naar de omgeving van Toulon. En dat is maar een klein eindje van Bandol vandaan. Ik kan mijn familie dan bellen om me in de haven op te halen.’

   ‘Goed, kom dan maar aan boord. Wij moeten zelf uiteindelijk naar het nabij gelegen eilandje Île-des-Embiez. Bandol is maar een goede drie en een halve mijl daar vandaan.’

Terwijl een glimlachende Claudia aan boord klom werd ze door de opvallend slanke vrouw aan boord verwelkomd en de hand geschut. Haar echtgenoot kwam er bij en stelde zich eveneens netjes voor. Het viel Claudia op dat de twee personen er totaal niet als echte zeelui uitzagen. En dat ze dat goed had gezien bleek al rap uit het gesprek dat op haar aankomst aan boord volgde. Het bleek dat de vrouw die haar aan boord uitnodige Carla heette en oceanograaf was. Een wetenschapper die de onderwaterwereld bestudeert. Haar man, Richard, was ook oceanograaf. Beiden waren als wetenschapper verbonden aan het Institut Océanographique Paul Ricard, gelegen op het kleine eilandje Île-des-Embiez, vlakbij Bandol.

   ‘We liggen thans te wachten op de bemanning,’ vertelde Carla.

   ‘Uit hoeveel personen bestaat de bemanning?’

   ‘Dit is maar een klein schip. De bemanning bestaat uit slechts twee man. Die twee mannen moeten dit schip varen.’

   ‘Ze hadden eigenlijk al terug moeten zijn, maar ze zullen nog wel een afzakkertje in een havenkroeg hebben gemaakt,’ veronderstelde Richard met een glimlach. Maar net toen hij dat zei klonken er stemmen op de pier er was er wat gerommel aan boord te horen. Er werden met enig geweld twee metalen kettingen aan boord gesmeten. Even later meldden de twee bemanningsleden zich in de kajuit. Twee neutraal kijkende ruwe gespierde kerels van half in de veertig keken Claudia even aan, knikten toe ze hoorden dat ze mee zou varen en verlieten toen de kajuit weer om hun werkzaamheden aan te vatten. 

   ‘Heb je al eens met dit weer gevaren,’ vroeg Richard.

   ‘Hoezo… wat is er dan met het weer. Het ziet er toch heel fraai en zonnig uit.’

   ‘Nu nog wel. Maar kijk maar eens naar de bergtoppen. Er zijn hoog in de lucht reeds lang gestrekte wolkensluiers te zien. Over een anderhalf uur is het bewolkt en gaat de wind flink aantrekken. De meteo heeft een kracht van zeven Beaufort voorspeld.’

   ‘Nou ik merk het wel,’ antwoordde Claudia glimlachend. ‘Uiteindelijk ben ik al tientallen keren met de veerboot over geweest, zonder dat ik ergens last van had.’

   ‘Nou dan moet het nu ook geen probleem opleveren,’ vond Richard.

Maar dat pakte helaas anders uit.

Uiteindelijk was het nog een hele reis over een redelijk ruwe zee voordat de kotter in de kleine haven van Bandol arriveerde om Claudia af te zetten. Ze was gruwelijk zeeziek geweest. De helft van de reis had ze over de railing gehangen. Ze knapte pas weer op toen ze de kleine korte havenmonden van Bandol voor zich zag opdoemen. De kotter legde even aan bij de kleine gekleurde houten vissersboten die als gevolg van de wind, vervaarlijk tegen de meerpalen aan schuurden. Ze bedankte de vriendelijke eigenaars van het schip hartelijk en liep daarna met een nog enigszins onvaste tred richting het stadscentrum. Terwijl ze het stenen havenhoofd verliet, keek ze uit nieuwsgierigheid nog even om te zien hoe de kotter tegen de hoge brandingsgolven opploegde, om vervolgens, net buitengaats naar bakboord te draaien om het laatste korte stukje van de reis naar het Île-des-Embiez af te leggen. 

                                                                 
                                                              Einde van boek 1.
Het verhaal gaat verder in boek 2 waaraan ik vanaf komende week ( 17 mei 2020 ) in alle rust verder ga met schrijven. Boek 2 slaat vijf jaar van het leven van Claudia over, en begint met een passage die enigszins aansluit op deel 1 van het eerste boek.  Het verhaal zal de lezers in boek 2 verder meenemen in het geheime, gevaarlijke en onthutsende leven van Claudia Bramati.
Vervolg kunt u lezen in deel 17: http://tallsay.com/page/4295002535/koele-wraak-vendetta-17

© Leonardo.

14/05/2020 00:12

Reacties (4) 

Nieuwe reacties weergeven
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert