Het mysterie der zwarte gestalten 23.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 22:  http://tallsay.com/page/4295001613/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-22

ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

                                                       23.

 

Grafschenners.

Terwijl Frank Bonte omstreeks half negen naar buiten stapte vond er, zonder dat hij daar erg in had, al enige activiteit plaats op het oude kerkhof dat naast de kerk en de rivierdijk was gelegen. Een tweetal in donkere kleding gestoken figuren snuffelde al enige tijd bij het graf van de eerste heer van Groenestein rond.

   Het was een onrustige donkere avond. In het dorp waren reeds af en toe knallen van vuurwerk te horen. De twee personen die rond het graf snuffelden hadden wat betreft de kans op ontdekking het weer mee. Daarbij hadden ze hun werkomstandigheden voor zichzelf iets verbeterd, door de straatlantaarn die achter hun rug het wandelpad verlichtte, met een steen kapot te gooien. Daardoor waren ze in elk geval redelijk onverlicht en vanaf het voetpad in het donker niet waarneembaar.

   ‘Nou, zeg op. Wat denk je dat we zullen aantreffen,’ vroeg de jongste van de twee mannen op enthousiaste fluistertoon, terwijl hij met zijn handen de onderrand van de tombedeksel aftastte. ‘Ik gok in elk geval zelf op wapens.’ Aan de stem van deze man zou iedere toehoorder hebben kunnen opmaken dat die stem aan een vrij jonge man uit deze Noord-Brabantse rivierstreek toebehoorde.

   ‘Kun je iets vinden dat er niet hoort te zitten,’ vroeg de andere man met een wat zwaardere en ietwat schorre stem nieuwsgierig.

   ‘Nee, nog niets. Maar praat niet zo hard man…’

   ‘Sorry, ik zal verder in onze communicatie fluisteren…’

   Frank liep inmiddels op het voetpad al halverwege de muur van dat mysterieuze oude kerkhof. Het was gestopt met regenen. Hij keek even in het donker naar links toen hij plotseling schuin voor hem, een lichtflits in de lucht meende te zien schieten. Eigenlijk was het niet meer dan een heel smalle lichtstraal, die maar heel even vanaf de grond ban het kerkhof, de onderkant van de grauwe dikke wolkenmassa boven hem bescheen.

   Hij stond abrupt stil.

   Keek naar boven en keek vervolgens, op zijn tenen staande, over de muur van het kerkhof. Maar in het donker was er niets bijzonders ontdekken. Vreemd dacht hij terwijl hij even rustig bleef staan. Toen hij na enkele seconden doorliep voelde hij opeens glassplinters onder zijn schoenzolen kraken. Gelijk klonk er in de verte weer een ratelende geluid van afgestoken vuurwerk.

   ‘Natuurlijk,’ mompelde hij opeens. ‘Dat is het wat me daarstraks ook al opviel. Er is hier vanavond opeens geen verlichting meer. En de straatlantaarn ligt kennelijk in gruzelementen op de grond. Natuurlijk weer een verniel actie van de straatjeugd,’ mompelde hij terwijl hij doorliep. Of van die gasten die met dat rottige vuurwerk in de weer zijn dacht hij terwijl hij verder liep richting de rivierdijk.

   Maar het was geen vuurwerk geweest, al wist hij dat toen nog niet.

   Er klonk aan de andere kant van de muur, op het kerkhof, een zachte metalen klik, terwijl er ook fluisterstemmen te horen waren.

   ‘Gelukkig, die figuur die langs liep is weg,’ zei een persoon in het donker.

   ‘Ja dat is waar. Maar wat ben jij toch een lul van een vent, mompelde een der mannen tegen de andere man. Hoe kun je nou met die klote zaklantaarn rommelen, als je hoort dat er iemand aankomt.’

   ‘Ja ik weet het… Dat was dom. Sorry hoor.’

   ‘Hou die rottige lamp nu wel verder uit hè,’

   ‘Ja hoor…  Was daarnet gewoon een kleine vergissing.’

   ‘Heb je die pal onder de deksel nu eindelijk eens gevonden en weggeschoven,’ klonk het vervolgens op enigszins venijnige fluistertoon.

   ‘Ja, ik probeer het. Maar het kreng zit erg vast. Het is net alsof er een stuk ijzerdraad of gaas tussen zit geklemd.’

   ‘Je hebt toch zeker wel wat kracht in die dikke boerenklauwen van je,' hoonde de andere man op zachte toon. ‘Gebruik anders het breekijzer.’

   ‘Ach, lul toch niet man. Help me liever even.’

   ‘Ja hoor, maar waarmee dan.’

   ‘Kijk eens of je een dikke platte steen kunt vinden die als hamer kan worden gebruikt.’

   ‘Wat wil je dan gaan doen.’

   ‘Die schuif-pal lijkt ergens door te worden geblokkeerd. Ik wil hem met die steen proberen los te beuken.’

   Nadat een der mannen een kapotte straattegel had gevonden, lukte het om, op zijn rug in de drek liggende, met twee flinke klappen de metalen schuif-pal van plaats te verwisselen.

   ‘Kolere, wat een tering werk was dat. Ik heb overal zand en gruis in mijn ogen van het slaan tegen die onderkant van dat stenen deksel. Maar hij zou nu volgens mij open kunnen.’

   ‘Nou dan kunnen we nu gaan duwen. Gewoon nu ieder aan een kant, maar wel voorzichtig die deksel recht naar achteren schuiven.’

   Onder gekreun en gekraak schoof het zware stenen deksel zowaar enkele centimeters weg, maar blokkeerde vervolgens plotseling terwijl de twee mannen hun longen uit hun lijf duwden.

   ‘Dat is nog lang niet ver genoeg,’ kreunde een der twee figuren die zich in het donker in het zweet stonden te duwen. ‘Het lijkt verdomme wel alsof die deksel steeds opnieuw door iets wordt geblokkeerd.’

   ‘Komt vermoedelijk gewoon door zand en oxidatie denk ik.’

   ‘Kan steen dan ook oxideren?’

   ‘Lul nou niet zo slap man. Maar help me liever met dat rottige stuk steen er af te duwen. We hebben verdomme niet eeuwig de tijd.’

   ‘Nee. dat is waar. Maar als je maar weet dat, als het nu weer niet lukt, ik er wel mee kap.’ 

   ‘Klets nou niet, man. Kom op; vooruit zet je schouders er tegen aan en dan nog maar eens opnieuw proberen. Misschien lukt het nu wel.’

   De zware stenen deksel schoof inderdaad na drie hernieuwde pogingen van enorme krachtsinspanning iets verder naar achteren. Er ontstond zowaar een opening van ongeveer twintig centimeter. Een opening waaruit een vieze lucht opsteeg.

   ‘Ja, het gaat lukken. Nog een klein stukje, dan is hij ver genoeg open…’

   ‘Het stinkt hier opeens als een beerput,’ fluisterde de man met de zaklantaarn.

   ‘Ja,’ hijgde de ander. Dat is denk ik graflucht wat ontsnapt.’ 

    Even later stonden de twee mannen voorover gebogen, de handen vastgeklampt aan de deksel van de graftombe uit te hijgen.

  ‘Jezus, wat was dat zwaar werk. Maar goed…, hij is eindelijk ver genoeg open om er in af te dalen,’ hijgde de man. ‘Nu maar eens kijken wat voor bijzonders zich in die tombe bevindt.’

  Voorzichtig scheen hij even later met een kleine zaklamp in het donkere gat wat zich voor hem ontsloot met het gevolg dat hij twee op de aarde liggende lederen pakken waarnam. De ruim een meterlange en zeker zestig centimeter ronde pakken die met een leren riem met elkaar waren verbonden, leken er vrij nieuw uit te zien.

   ‘Laat mij ook eens kijken,’ reageerde de andere man terwijl hij zijn collega wegduwde. ‘Wat zou dat zijn wat daar op die vochtige grond ligt.’

   ‘Nou het is in elk geval geen lijk uit de middeleeuwen lijkt mij zo.’

   ‘Nee… dat zeker niet. Het leer ziet er vrij nieuw uit. Maar wat is het wel.’

   ‘Dat weten we zo als we er in afdalen.’

   ‘Dat moet lukken. Erg diep is die ruimte niet. Het zal hooguit een meter diep zijn lijkt mij.’

   ‘Zo ongeveer ja…’

   Geen van beiden had overigens de dunne koperdraden in de gaten die om de op de grond liggende objecten was gewonden en met een tweetal aan de rand van de tombe liggende dikke, langwerpige, straattegels was verbonden. Vandaar af liep er een draad door de aarde heen omhoog naar de schuif-pal die ze even daarvoor met geweld hadden terug geschoven. 

   ‘Ga jij dan maar eerst.’

   ‘Waarom?’

   ‘Nou, eerlijk gezegd heb ik het niet zo, op dit soort oude graven.’

   ‘God man, wat ben jij toch eigenlijk een schijterd.’

   ‘Ja het zal wel.’

   ‘Inderdaad… Altijd heb je een grote mond en weet je alles beter. In de kroeg wil je altijd de eerste viool spelen terwijl nu het er op aankomt om een grote ontdekking te doen, je te laf bent om even in dat stenen hol te kruipen. Bah… heel zwak hoor.’

   ‘Ik heb last van claustrofobie.’

   ‘Dat heb ik ook. Maar goed, ook al ben ik al zowat gepensioneerd, mij lukt het nog wel om daar naar beneden te kruipen. Dus als jij het niet doet dan doe ik het zelf wel.’

   Doch juist op het moment dat een der mannen voorover in de holte van de graftombe wilde kruipen, klonken er plotseling voetstappen op het pad aan de andere kant van het kerkhof.

   Onregelmatige voetstappen waren het.

   Het leek er op, alsof er iemand liep die niet meer zo erg vast ter been was.

   ‘Er komt iemand aan op het voetpad.’

   ‘Verdomme. Vlug het licht uit.’

   De kerkklok sloeg juist op dat moment negen keer.

   Even later was het onprettige geluid van een kotsende persoon te horen.

   ‘Gewoon een dronkenlap die naar huis sjokt,’ fluisterde de man die buiten de graftombe stond tegen zijn maat, die inmiddels in het licht der zaklantaarn de twee grote leren zakken in de graftombe onderzocht, om vervolgens rap het licht uit te doen. ‘Wie het ook is, hij staat volgens mij te kotsen,’ fluisterde hij.

   ‘Zal wel weer een van de bekende kroegtijgers zijn die naar huis gaat.’

   ‘Denk ik ook.’

   ‘Nou hij bekijkt het maar.’

   ‘Ja, maar praat een beetje zachter wil je. Anders hoort hij ons misschien.’

   ‘Man wees toch niet altijd zo schijterig. Kom, help me liever even om me naar beneden te laten zakken. Dan zal ik die twee lederen zakken naar boven proberen te duwen.’

   ‘Wacht nog even tot die figuur op dat voetpad weg is.’

   Na een minuut te hebben gewacht waren de sjokkende voetstappen niet meer te horen.

   ‘Jaap…, moet je wat meer licht hebben?’

   ‘Nee, het gaat zo ook wel.’

   Op dat zelfde moment stak de man die in de graftombe was gekropen zijn handen onder de eerste zak terwijl hij de kleine ronde staafzaklantaarn in de mond hield.

   Plotseling trok hij zijn handen terug en nam de zaklantaarn weer uit de mond.

   ‘Verrek, wat zie ik nou…,’ zei hij vrij hard op enigszins verbaasde toon.

   ‘Ssst… Wees een beetje stil en bedaar je eigen, man. Wat zie je daar dan,’ siste de man die bovenaan de dekselrand naar beneden keek.’

   ‘Er loopt een soort bedrading van heel dun koperdraad, met een doorzichtige plastic beschermlaag om die zakken heen. Het lijkt wel alsof die zakken met die koperdraden aan iets in de grond zijn vastgemaakt.’

   ‘Moet je echt niet wat meer licht hebben?’

   ‘Nee man, dat is veel te link. Dat vele licht schijnt uiteindelijk ook nu al wat naar boven. Zeker als we die tweede zaklantaarn erbij aandoen, zijn we tot ver in het dorp gesignaleerd.’

   ‘Nou dan niet.’

   ‘Godverdomme wat stinkt het hier toch gruwelijk. Daar is de stank uit de giertank bij mijn boerderij een duur parfum bij.’

   ‘Ja, ik ruik het hier ook. Maar wees gerust, die lucht trekt wel snel weg nu de tombedeksel open ligt. 

   ‘Dat hoop ik dan maar. Die draden lopen trouwens weg onder een hele grote zware steen aan de linkerkant van de tombe. Of misschien is het wel een soort betonblok. Dat kan ik in dit halve donker niet goed zien.’

   ‘Zitten er soms contactverbindingsstekkers aan of onder die steen. Dus van die pijpjes die naar een of ander elektrisch apparaat lopen.’

   ‘Nee hoor. Helemaal niets van dat alles. Er is geen apparaat te zien. Gewoon een paar dunne draden die kennelijk onder die dikke steen aan iets zijn vastgemaakt.’

   ‘Vreemd. Dat doet men toch niet voor niets zou ik zeggen.’

   ‘Nee… Dat lijkt mij ook. Maar ik kan er geen soep van koken en ik ga er ook niet verder over nadenken.’

   ‘Nou goed dan. Maar wat ik me afvraag; staat er soms stroom op die draden.

   ‘Kom nou man. Hoe moet ik dat nu controleren. Ik heb toch niets anders bij me dan een mes en een breekijzer.’

   ‘Ja dat is waar. Maar kan je die draden wel lostrekken, denk je,’

   ‘Jawel hoor. Het zijn maar dunne draden. Fluitje van een cent lijkt mij.

   ‘Je zei zojuist dat die draden de grond in verdwijnen onder een steen. Kun je die steen soms verwijderen zodat we kunnen zien waar die draden uiteindelijk naartoe lopen.’

   De man in de tombe probeerde met het breekijzer de steen op te lichten, maar dat bleek niet zo eenvoudig te zijn. De stenenplaat was zo groot als een buitenmodel trottoirtegel en was in die lage ruimte door een op de buik liggende persoon absoluut niet te verwijderen.

   ‘God allemachtig, wat is die rottige steen zwaar.’

   ‘Lukt het niet?’

   ‘Nee man, dat hoor je me toch zeggen…’  

   ‘Nou, dan trek je toch maar gewoon die draden stuk zodat we die leren pakken er uit kunnen tillen.’

   ‘Ja dat zal ik doen. Al snap ik nog steeds niet waarom die dunne draden om die pakken is heen getrokken. Volgens mij zit het niet eens zo erg goed vast en heeft dat koperdraad ook niets met de afsluiting van die pakken te maken, die overigens niet echt hard aanvoelen.

   ‘Ha, ha… Misschien zit er toch een gebalsemd lijk in die zakken.’

   ‘Ja lach jij maar.’

   ‘Nou… dat kan toch. Ik heb hier wel meer gekke dingen meegemaakt tijdens mijn jarenlange onderhoudswerkzaamheden op dit tering kerkhof.’

   ‘Zal best wel. Maar goed; ik zal ze losrukken, dan kunnen we die pakken omhoog tillen en vervolgens er mee wegwezen.’        

   Terwijl hij dat zei, trok hij met zijn rechterhand aan het koperdraad en probeerde

met kracht om de draad kapot te trekken. Het laatste wat hij vermoedelijk tijdens deze handeling nog zag was de felle steekvlam die ontstond na zijn krachtsinspanning. Zijn al dan niet verschrikte kreet ging verloren in de harde dreunende explosie die volgde op zijn ondoordachte en onbezonnen daad die de mensen in de omliggende woningen in paniek deed opschrikken.

   Het was een enorme klap.

   Of beter gezegd; een explosie van vurig geweld.

   Een ontploffing die de grond tot ver in de omtrek deed trillen en zijn lichaam, te samen met de stenen graftombe, in honderden stukken uit elkaar sloeg. Zijn maat, de man die de inspanningen van de man in de tombe vanaf de rand van de graftombe gade sloeg, werd tegelijkertijd – doorboord door tientallen kleine steenfragmenten - in een wolk van gruis en aarde, meters verderop tegen een grafzerk neergesmeten.

   Het was het einde van een droom van twee mannen over rijkdom en/of roem…

   De fatale afsluiting van een missie die eigenlijk bij voorbaat al gedoemd was te mislukken. Want tijdens het moeizaam verschuiven van de tombedeksel hadden hun hersens reeds geprikkeld moeten zijn. En hadden ze zich in wijsheid moeten afvragen hoe het toch mogelijk was dat die tombedeksel zo moeilijk te verschuiven was. Terwijl ze tijdens de ontdekking van die koperdraden rond de zakken op de grond, meteen hadden moeten aanvoelen dat deze klus veel gevaarlijker was dan dat ze voor het begin van hun werkzaamheden voor mogelijk hadden gehouden.

   Natuurlijk hadden de twee mannen na het ontdekken van die koperdraden gevoeglijk kunnen aannemen, dat de inhoud van deze graftombe wellicht was geboobytrapt. Terwijl ze tevens hadden kunnen bedenken dat er waarschijnlijk een zogenaamde sleutel nodig was om dit beveiliging c.q. vernietigingssysteem onklaar te maken.

   Maar dat is natuurlijk napraten.

   Terwijl de wit gekleurde inhoud van de twee grote lederen zakken als een droge motregen over het kerkhof was neergedaald, kleurde de aarde rond het vernielde graf van de laatste heer van Groenestein, hier en daar wat rood van het ( verse ) bloed…

   Overal op zerken, grindpaden en op het gras lagen resten van de grote grijze stenen graftombe, soms vermengd met menselijke resten en stukjes textiel.

   Wat van het graf restte was een flinke kuil in de grond, neerdalend stof, puin en gruis, vermengd met cocaïne, hetgeen het deel van het kerkhof rond de voormalige graftombe tot een surrealistisch landschap omtoverde.

   De twee grafschenders hadden het noodlot getart en waren vervolgens ten onder gegaan aan hun eigen onwetendheid of gewoon…  domheid.

   Het oude kerkhof vormde na de vernietigende explosie, in het weinig licht der straatlantaarns bij het toegangshek, opeens een macaber en spookachtig beeld. Het ontstane gat in de grond leek in dat schemerdonker nog het meest op een vulkaankrater die met veel geweld gas en tefra had uitgestoten. Een uitbarsting van geweld die de inwoners van het dorp had doen opschrikken. Terwijl die plotselinge explosie al rap werd gevolgd door het georkestreerde geschreeuw en gegil van mannen, vrouwen en kinderen vanuit omliggende woningen, waarvan veel ruiten als gevolg van de klap waren gesneuveld.

   Een horror avond was het voor veel mensen geworden.

   Terwijl een zwakke damp van een onbekende, onaangenaam ruikende lucht, vermengt met de geur van cordiet en ontplofte zuurstof de straat naar het kerkhof vulde, was heel in de verte het aanzwellende geluid van sirenes waar te nemen…

Vervolg kunt u lezen in deel 24: http://tallsay.com/page/4295001739/het-raadsel-der-zwarte-gestalten-24

©  Leonardo

06/01/2020 13:48

Reacties (4) 

1
06/01/2020 22:42
Super spannend!
1
06/01/2020 14:50
Toe maar...
Het wordt steeds gruwelijker, en het eind is nog niet in zicht. Ik wacht in spanning af.
1
06/01/2020 23:33
Nee het eind is nog lang niet in zicht. De ontwikkelingen volgen zich vanaf deel 24 in rap tempo op...
1
07/01/2020 00:12
Dat wil ik wel geloven, na deze doodsklap...;-)
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert