Het mysterie der zwarte gestalten 21.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 20: http://tallsay.com/page/4295001526/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-20

             ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

                                                                   21.

 

Bizarre avondlijke actie.

Oss is volgens veel mensen die de stad goed kennen, een zogenaamde open stad. Dat wil zeggen; een stad die van alle kanten gemakkelijk bereikbaar is, zowel over de weg, per trein als over het water.  Het politiebureau in de stad Oss is gelegen aan een kruispunt van brede lanen aan de rand van het eigenlijke stadscentrum. Ten oosten van het politiebureau is het voormalige belastingkantoor gelegen, terwijl schuin tegenover de entree van het met drie betonnen traptreden bereikbare halfronde politiebureau, het grote theater de Lievekamp ligt. De brede laan met een middenberm waaraan deze gebouwen zijn gelegen wordt grotendeels aan de kant van het stadscentrum omlijst door hoge bomen waarachter ooit hoge, statige, moderne appartementsgebouwen zijn gebouwd.

   Dit deel van de stad oogt vrij modern en zelfs wat chique. Zeker voor een eenvoudige oude fabrieksstad, wat Oss uiteindelijk toch van oorsprong is.  Het grote gemeentehuis dat naast het theater de Lievekamp is gelegen valt op door de moderne architectuur. Het is een hypermodern gebouw met veel glas en brede trottoirs. Aan de westzijde is een moderne vijver met betonnen opstaande randen aangelegd waarin zomers een kleine fontein spuit, terwijl grote betonnen bloembakken met groenblijvende hulsstruiken voor de hoofdingang zijn geplaatst.  

   Het was inmiddels precies tien uur ’s avonds toen de bestelauto, met daarin vier leden van het mysterieuze geheime genootschap der zwarte gestalten, te samen met hun noodgedwongen levende ballast, voor het genoemde politiebureau arriveerden.     

   Er was nog aardig wat verkeer op de doorgaande baan.

   De inzittenden van de bestelauto constateerden daarbij al rap dat het politiebureau eveneens flink door straatverlichting in het licht werd gezet. En al was de binnenverlichting in het gebouw wel uit, ten teken dat dit politiebureau ’s avonds kennelijk niet in gebruik was, toch baadde het gebouw in het licht.   

   ‘Wat doen we chef,’ vroeg nummer vijf die de bestelauto bestuurde. ‘Om hier ons vrachtje ongezien te lossen lijkt mij haast onmogelijk.’

   ‘Klopt inderdaad. Dat valt me dan ook nogal tegen.’

  'Wat doen we nu?'

   ‘Rij maar even die straat voor het politiebureau in en stop dan even iets verder in een parkeervak.

   ‘Goed, ik zet de auto in de eerste de beste parkeervak neer.’

   ‘Prima…’

   ‘Er is hier te veel licht en vooral te veel verkeer, chef.’

   ‘Ja zeg dat wel. Dat verkeersbeeld had ik me op dit tijdstip van de dag zo niet ingeschat,’ reageerde nummer een op geagiteerde toon.

   ‘Het is nu eenmaal niet anders, chef.’ 

   ‘Nee inderdaad.’

   ‘Klote…’

   ‘Ja zeg dat wel. Maar keer hier verderop maar en rij dan terug naar die brede baan die voor dat politiebureau loopt. Rij daar dan nog maar een paar maal een rondje van het ene ronde punt naar het andere. Dan verkennen we al rijdende eerst de omgevingssituatie eens goed. Er is hier vast wel een andere bruikbare losplaats te vinden.’

   Intussen belde hij met de volgwagen en informeerde nummer twee dat ze een andere locatie zouden gaan zoeken.

   ‘Voor het gemeentehuis misschien,’ vroeg nummer twee zich hardop af. ‘Daar kun je volgens mij aan de achterkant parkeren in een rustige en redelijk schaduwrijke omgeving.’

   ‘Hoe weet je dat?’

   ‘Viel me op toen we er voor de eerste maal langsreden. Ik zag er maar weinig lantaarnpalen staan.’

   ‘Misschien is dat een goed idee. Dat gaan we gelijk onderzoeken.’

   Maar helaas. Ook aan de achterkant van het gemeentehuis was het lossen van de lading wat moeilijk, ook al was er wel wat minder straatverlichting De handicap was dat vrijwel alle parkeerplaatsen waren bezet door bezoekers van een voorstelling in het naast het gemeentehuis gelegen theater de Lievekamp. Maar uiteindelijk hadden ze geluk omdat een taxi, welke op de standplaats naast het gemeentehuis stond, plotseling wegreed.

   ‘Prima mannen,’ zei nummer een. ‘Dat is onze kans. Op die taxistandplaats staan we prima. Vlakbij de hoofdingang van dat gemeentehuis en relatief uit het zicht.   Kom op, zet de wagen snel op die taxistandplaats neer,’ commandeerde nummer een terwijl hij de volgauto met de andere mannen doorgaf waar ze van plan waren hun lading te gaan lossen.

   ‘Vooruit, rap die zakken uit de auto en donder ze maar uit het zicht, zo ongeveer bij de rand van die vijver, of achter die grote ronde bloembakken neer. Ik wacht hier in de auto. Maar pas op. Ik rij hier subiet weg als er een taxi aankomt die hier wil gaan staan.’

   ‘Waar moeten wij in zo’n geval naartoe om weg te komen?’

   ‘Er zit meen ik een bankgebouw van de ABN bank recht tegenover het gemeentehuis. Het is daar aan de overkant van de baan, bij die hoge bomen. Ik pik jullie dan, indien noodzakelijk, wel nabij dat bankgebouw, of ergens op een der parkeerplaatsen onder die bomen op.’

   Terwijl hij dit zei begon het stevig te regenen en zelfs te hagelen. Druppels tikten vervaarlijk op het plaatstaal van het autodak. Hagel en regen, vermengt met natte sneeuw, kwam plotseling uit de hemel naar beneden gestort.

  Tijdens de bui passeerde er, als uit het niets, plotseling een auto. De automobilist remde naast hun bestelauto even af, maar reed toen langzaam door. Vervolgens sloeg de bestuurder rechtsaf de baan op, richting het stadscentrum.

  Meteen nadat de auto was gepasseerd openden de mannen de schuifdeur van de bestelauto. De zwarte cape bedekte hun gelaat voor het geval er toch ergens een ongewenste speurneus op de loer lag. Ze trokken de dichtgebonden jutte zakken uit de laadruimte en sleepten de zakken door het kletsnatte gras naar de ingang van het gemeentehuis. Daar werden de zakken onder de overkapping naast de glazen voordeur neergezet. Nadat de mannen in de auto waren teruggekeerd reed nummer een kalm van de taxistandplaats weg. Het was een rustig uitgevoerde, onopvallende actie geweest. Het weer zat op het juiste moment mee. Niemand had volgens hen iets gezien.  

   Toen ze de stad uit waren gereden en inmiddels op een verlaten polderweg de nummerborden hadden verwisseld en weer richting het fort togen, belde nummer vijf, middels zijn mobieltje, met een verdraaide stem het landelijke meldnummer van de politie. 

   ‘Is dit de politie,’ vroeg hij op onnozele toon toen er werd opgenomen.

   ‘Ja, u bent verbonden met de landelijke meldkamer van de politie. Wat kan ik voor u doen,’ vroeg een vrouwelijke politiemedewerker.

   ‘Voor mij kunt u niets doen, maar er staan een tweetal vreemde bewegende jutte Sinterklaas zakken voor de ingang van het gemeentehuis in Oss. Er komt ook gekreun uit die zakken.’

    ‘U meent het,’ antwoordde de vrouwenstem nogal bits in zijn oor.

    ‘Ja, ik klets niet zo maar wat, mevrouw. Het lijkt mij dat er misschien dieren, levende dieren bedoel ik, in die zakken zitten opgesloten.’

   ‘Zo, dat lijkt me een ernstige zaak. En die zakken staan voor de ingang van het gemeentehuis, zegt u.’

   ‘Ja… dat is ook de reden dat ik bel. Ik weet niet wat ik er van moet denken, maar misschien is het verstandig dat de politie er even een kijkje gaat nemen.’

   ‘Ja dat gaan we zeker doen.’

   ‘Fijn…’

   ‘Uw gesprek is reeds doorgeschakeld op een van onze patrouille auto’s die meteen actie gaat ondernemen,’

   ‘Fijn…,’

   ‘Mag ik wel even uw naam en uw adres noteren?’

   ‘Nee dat mag u niet.’

   ‘Waarom niet, meneer?’

   ‘Ik wil hier niet langer bij betrokken raken mevrouw. Ik vertrouw de zaak niet… Ik heb u gebeld en verder is het voor mij nu klaar. Het is wat mij betreft thans een zaak voor de politie.’  Die laatste woorden waren voor nummer vijf reden om het gesprek gelijk af te breken. Namen geven aan de politie, daar deden ze uiteraard niet aan.

   De noordoostelijke buitenwijken van Geffen kondigden zich inmiddels met veel verlichting voor hen aan. Schuin voor hen doemde in de verte, op de autoroute A59  een blauw zwaailicht op. Waarschijnlijk een politieauto die als een gek richting de stad Oss reed. De vermoedelijke politieauto passeerde hen op heel grote afstand maar in het donker was het zwaailicht in de vlakke polder, van meer dan een kilometer ver waar te nemen.

   In Geffen aangekomen frunnikte nummer vijf de simkaart uit het mobieltje en smeet het kleine kaartje, toen ze stilstonden bij een stoplicht, vanuit de auto in een trottoirput. Oxidatie kon meteen aanvangen zodat die simkaart binnen een halfuur niet meer te gebruiken zou zijn.

   ‘je moet dat hele ding weggooien,’ zei nummer een. ‘Er zit volgens mij, in die nieuwe mobieltjes, een sensor die een permanent signaal uitzend.’

   ‘Jammer, want  ik heb deze pas een week in gebruik. Ik vind het eigenlijk wel een tof apparaat.’

    Inmiddels reed nummer een met de bestelauto door het uiterwaardengebied van de Maas tussen Oss en ’s Hertogenbosch richting Rosmalen. Bij de brug over een brede wetering stopte hij even.

   ‘Kom… Smijt die rottelefoon in het water. Als we thuis zijn komt er wel weer een ander voor je om te gebruiken.’

   ‘Nummer vijf gromde even, draaide het portierraam open waarna hij zijn inmiddels flink gesloopte mobieltje, met een armzwaai in het midden van het water gooide.

   ‘Prima jongen, weg met die rotzooi. Zo kunnen ze ons absoluut niet meer middels signaal detectie traceren,’ merkte nummer twee op. ‘Want je weet uiteindelijk nooit wat voor soort permanent signaal zo’n apparaat, zelfs nog na het verwijderen van de accu, een korte tijd kan uitzenden. Techniek staat tegenwoordig voor niets, nietwaar. En mobieltjes hebben we uiteindelijk genoeg in voorraad om te gebruiken.’

   Toen ze op het fort terug waren stond de satcom telefoon in de vergaderruimte te knipperen ten teken dat er iemand had gebeld.

   ‘Krijg nou wat,’ zei nummer een. ‘Pak hem even op mannen. ’Ik ben zelf eerst even rap naar de plaats waar de kippen niet komen, als jullie begrijpen wat ik bedoel.’

   Nummer vier pakte glimlachend de hoorn van het modem en luisterde de ingesproken boodschap af. Vervolgens knikte hij even, noteerde op zijn hand een code en een telefoonnummer en sloot de voicemail recorder af. ‘Ik weet niet wat ik hier van moet denken. We moeten een nummer terugbellen dat ik niet ken en dat ook niet op de bellijst staat,’ zei hij vervolgens tegen nummer twee die juist de kantoorruimte binnen kwam lopen.

   ‘Nou, dat doen we dan wel nadat we hebben uitgezocht wie de beller is. Want uiteindelijk zijn er buiten ons team, maar een handvol personen van dit geheime satcom telefoonnummer op de hoogte.’  Vervolgens keek hij naar de code en het telefoonnummer dat nummer vier op zijn handpalm had opgeschreven.

  ‘Ik ken dat nummer niet. En die code zegt mij ook niets,’ was zijn eerste reactie. ‘Ik heb geen idee wie de beller zou kunnen zijn. Het is een gewoon .6 nummer. Dat kan dus zowel een Nederlands als een Frans mobielnummer zijn. Maar dat maakt niet uit. We zullen het straks een flink eind hier vandaan terugbellen en gelijk de plaats van het contact uitpeilen alvorens we tot eventuele communicatie overgaan...’ 

   ‘Ja…, maar kijk nu eerst nog eens goed naar dat telefoonnummer,’ antwoordde nummer vier terwijl hij ondertussen het telefoonnummer op een stukje papier schreef. ‘Er staat weldegelijk 32.6 voor het eigenlijke telefoonnummer, en geen 31.6…  Dat wil zeggen dat we met een Franse beller te maken hebben.

   ‘Verrek ja, nu zie ik het ook…’

   ‘Met andere woorden: of het is een Fransman die vanuit Frankrijk belde of een Fransman die met zijn mobieltje vanuit een ander land belde, of een Nederlander die een Frans mobieltje gebruikt toch…’  

  ‘Wat die redenering betreft; daar is geen spelt tussen te krijgen,’ antwoordde een lachende nummer twee. ‘Ben daarom benieuwd wat dat terugbellen straks zal gaan opleveren. Al moet ik zeggen dat die ingesproken code me totaal ontgaat… Wat bedoelt de onbekende beller daar mee…’

   Toen nummer een weer terug was van zijn bezoek aan het kleine kamertje werd besloten om richting de stad Utrecht te rijden en vandaar af terug te bellen. Als er dan al dan niet een elektronische peilinstallatie aan de ontvangende telefoon verbonden was, dan was hun gepeilde locatie in elk geval ver van het fort vandaan. En het mobieltje waarmee ze zouden terugbellen kreeg uiteindelijk een zelfde lotsbestemming als degene die nummer vijf, enkele uren eerder, had gebruikt. Dat het vreemde ingesproken bericht op de satcom telefoon afkomstig was van een vermoedelijke crimineel stond voor de mannen inmiddels als een paal boven water. Nadat men het vreemde telefoonnummer rond middernacht terugbelde werd de beller doorverbonden met een antwoordapparaat. Via die recorder liet een flink vervormde stem, in slecht Nederlands, de beller weten dat zijn leven nog maar heel kort zou duren, als men zou blijven jagen op de almachtige ijscoman…

Vervolg kunt u lezen in deel 22:   http://tallsay.com/page/4295001613/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-22

©  Leonardo

22/12/2019 22:00

Reacties (9) 

1
23/12/2019 00:13
Blijft spannend. Moeilijk ook om je in zo'n verhaal zowel in de good als de bad guys in te leven.
1
25/12/2019 13:14
Ja dat valt nog niet mee, Willemijntje. Maar ik krijg veel ( technische zaken ) aangereikt van andere schrijvers. Daarmee bedoel ik in dit geval, vooral technische zaken die ik kan gebruiken in sommige fragmenten van het verhaal.
Ik wens je bij deze fijne kerstdagen en een gezond 2020.
25/12/2019 17:19
Ook hele fijne dagen en een gezellige jaarwisseling.
1
22/12/2019 23:49
Zouden de twee lieverdjes in de jutezakken soms gechipt zijn?
Dat wordt weer een spannend vervolg. Jammer dat we nu tot 2020 moeten wachten...maar ik begrijp de reden wel.
Heel goed geschreven!
1
25/12/2019 13:10
De reden is tweeledig. Ik heb reeds delen geschreven, maar de verhaallijnen lopen te ver uiteen om ze te posten. Ik moet dus in de vervolgdelen veel aan elkaar schrijven, schrappen en opnieuw schrijven. Dat is veel tijdrovend werk. Komt bij dat met het aanhoudende noodweer er nogal wat moet worden herstelt rond ons huis. Ook dat vergt tijd. Vandaar dat ik pas in januari zo ver ben om het vervolg - dus deel 22 - te posten.
Hoe dan ook; het verhaal loopt gewoon in 2020 door.
Ik wens je fijne kerstdagen en straks een gezond 2020
25/12/2019 15:32
Ook vanuit Fort Zevenblad fijne kerstdagen gewenst!
Ondanks alle ellende met het weer...ook al vast een gelukkig Nieuw Jaar.
1
22/12/2019 23:23
Lees nog steeds mee hoor en blijf het een geweldige vinden van je.
1
25/12/2019 13:04
Shalom en dankjewel, Candice. Ik wens je fijne kerstdagen en straks een gezond 2020...
25/12/2019 13:24
Merci en jullie ook een mooie Kerst.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert