Het mysterie der zwarte gestalten 19.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vrvolg op deel 18: http://tallsay.com/page/4295001443/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-18

             ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

Onverwachte ontmoeting

Het was druk op de baan. Bij het grote verkeerspunt met de naam Vorstengrafdonk stond het verkeer op de Graafsebaan, de drukke doorgaande weg van Heesch naar Grave aan de rand van de gemeente Oss, in beide kanten vanaf de stoplichten stil. Ook het doorgaande verkeer op de A50 stagneerde hier kennelijk door. Opmerkelijk die plotselinge verkeersdrukte vond Frank Bonte, vooral omdat het nog maar half vier was.

   Frank reed inmiddels stapvoets op de overvolle autoroute A50 richting de stad Oss. Hij naderde inmiddels de afslag Nistelrode en Heesch. Frank was op weg naar huis. Zijn werk aan de oude molen zat er bijna op. Hij had, op zijn gemak zittende in zijn bestelauto, een prettig voldaan gevoel in zijn lijf. Weer zowat een mooie klus geklaard dacht hij, terwijl hij een sigaret opstak en even om zich heen keek naar al dat blik op de weg dat zich stapvoets verplaatste. Hij was met regenachtige weer van de werkplek weggereden terwijl nu de zon zich even tussen de dikke wolken door liet zien. Fikkie blafte even terwijl hij Frank wat onrustig met een schuine blik aankeek. Het hondje had uiteindelijk al reeds drie uur alleen in de bestelauto gezeten en moest er eigenlijk nodig uit. Daarom besloot Frank, in weerwil van zijn verlangen om eens op tijd thuis te zijn, bij Nistelrode de autoroute te verlaten om eerst met Fikkie ergens op de Maashorst te gaan wandelen. Het lukte hem uiteindelijk om na enkele minuten doorsukkelen en weer stoppen, de autoroute te verlaten, waarna hij de afslag naar de Berghemseweg en de ''The Duke'' golfbanen nam om vandaar af even met Fikkie te gaan lopen.

   Bij de politiehondenschool zette hij zijn auto onder de hoge kale eikenbomen neer.

   Nadat de dolenthousiaste Fikkie aan de lijn zat, Frank zijn dikke regenjack had aangetrokken en zijn groene baseballpetje op had gezet, sloot hij de auto af en toog hij met zijn hevig trekkende kleine zwart met witte kameraad over een zandpad, tussen de bomen door, richting het fietspad dat de vanaf Heesch de Maashorst doorsnijdt.

   Nadat hij de brandweertunnel onder de A50 naderde werd ook de herrie van de weg sterker.  Bij de tunnel aangekomen begon het weer te gieten van  de regen.

   Frank besloot even onder het viaduct te schuilen.

   Plotseling werd het verkeersgeraas boven zijn hoofd onderbroken door het snel naderbij komende gierende uitlaatgeluid van crossmotoren. Even later schoten een drietal, in bonte leren motorpakken gestoken mannen op crossmotoren, hem in razende vaart over het fietspad voorbij. Een van de mannen keek even zijn richting uit op een wijze die aangaf dat hij de eenzame voor de regen schuilende man kennelijk meende te herkennen. Frank had het echter niet in de gaten. Hij had moeite om Fikkie te bedaren die luid blafte toen de drie motoren vlak lang hem heen scheurden.

   ‘Stelletje asociale klootzakken,’ mopperde Frank op luide toon, terwijl hij Fikkie weer wat meer lijn gaf. ‘Het is eigenlijk Gods geklaagd. Dat tuig vernielt met die rotmotoren onze kwetsbare natuur en trekt zich kennelijk ook bewust niets van de overal geplaatste verbodsborden aan.’

   ‘Smerige vernielers…,’ schold hij.

Uiteraard had hij gelijk met zijn opmerkingen, daar het uiteindelijk bij elke inwoner van dit deel van de provincie genoegzaam bekend is dat er hier geen gemotoriseerd verkeer mag plaatsvinden.’

   Toen het weer enigszins droog was liep Frank via het geasfalteerde fietspad richting de oude Slabroekseweg. Daar stak hij rechtsaf en liep hij op zijn gemak met de hond aan de lijn over de zandweg naar de wijds voor hem liggende Munseheide.

   Even bleef hij bij het grote en brede klaphek staan en staarde om zich heen.

   Hier stonden verse bandensporen van crossmotoren in het zand. De sporen gingen na het hek te hebben gepasseerd verschillende kanten uit over de vele smalle zandpaden die de heide doorsnijden. Heel in de verte, in de richting van Uden, was nog zacht het geluid van de motoren te horen.

   ‘De heren hebben zich flink uitgeleefd,’ oordeelde Frank bij het zien van de diepe sporen die in het natte zand stonden.

    Frank liep op zijn gemak de brede zandweg op die de heide en bossen van elkaar scheiden. Aan de oostelijke rand van dit heidecomplex waren particuliere stukken bos die ooit, net na de Tweede Wereldoorlog, door de staat aan particulieren te koop waren aangeboden. Dat was gebeurd in de tijd dat de Nederlandse regering om geld zat te springen en het natuurbehoud wat op de achtergrond was verdreven. Je mocht er echter geen huis, schuur of een ander vast gebouw op je eigengrond  neerzetten, doch een verplaatsbare caravan was in de maanden april – oktober toegestaan. De meeste van die particuliere stukken grond waren inmiddels in de loop der jaren weer door Staatsbosbeheer terug gekocht, maar er waren nog altijd een negental terreinen van vier hectare in particuliere handen.

   Toen Frank het fietspad naar Schaijk naderde wilde hij rechtsaf slaan om op die wijze weer middels een ander bospad terug te keren naar de plaats waar zijn wandeling was aangevangen.

   Fikkie snuffelde wat rond het fietspad en begon vervolgens naar de tegenovergestelde richting van waar Frank heen wilde te trekken. Frank volgde zijn hond even een kleine veertig meter tot aan het prikkeldraadhek dat een zeker stuk terrein afsloot. Het hek was rond de anderhalve meter hoog. Bij een eveneens met prikkeldraad omgeven toegangshek dat met een koperen hangslot was afgesloten stond een paal met daarop het bekende donkerblauwe bordje met verbodentoegang.

   Het terrein dat was afgezet had ongetwijfeld een particuliere eigenaar die ongestoord van zijn rust wilde genieten, zonder te worden lastig gevallen door horden wandelaars met honden die in de weekeinden van dit, voor Nederlandse begrippen, ruim bemeten aaneengesloten bos en heidelandschap kwamen genieten.

   Frank stond even op zijn gemak bij het toegangshek om zich heen te kijken, toen hij in de verte de wieken van de molen ontdekte. Notabene de molen waaraan hij zowat drie weken had gewerkt. Verrek, dacht hij verbaasd. Dus dit is vermoedelijk de plek waar ik gisteren in dat takkenweer die persoon zag rondscharrelen.

   Hij trok Fikkie van de plek vandaan waar het beest aan het snuffelen was, en liep met het dier verder totdat het hekwerk van het fietspad afboog. Dat is me een lap grond, dacht Frank terwijl hij probeerde om tussen de vele jonge dennenbomen door te kijken. Maar dat lukte niet. Wat er ook te zien zou zijn op dit doornaaldbomen omsloten stuk terrein, het was vanaf het prikkeldraadhek niet zichtbaar. 

   Maar Frank was inmiddels doornieuwsgierigheid bevangen. Hij trok Fikkie mee en liep samen met zijn trouwe viervoeter door de natte heide om het afgeschermde terrein heen. Aan de zuidelijke kant van het terrein wachtte hem een verrassing. Hier was ook een breed houten, met prikkeldraad omkleed hek, dat de toegang afsloot. Maar dit hek sloot ook een vrij brede zandweg af die kennelijk bij dit particuliere bosterrein eindigde. Er stonden diepe sporen van dubbele banden van een vermoedelijke bestelauto of kleine vrachtauto in het zand, alsmede verschillende verse sporen van banden van crossmotoren.  Frank zag dat die sporen in het zand van de toegangsweg naar dit boscomplex, richting Uden liepen. Waarna ze na enkele honderden meters uit zijn gezichtsveld tussen de bomen verdwenen. Terwijl hij in gedachten verzonken bij dat hek stond, viel zijn oog opeens op iets dat voor het hek in het zand lag. Hij liep er naar toe, bukte zich en zag toen dat het een ingedrukte Zippo aansteker was. Hij pakte de aansteker op en bekeek hem eens goed. ‘Dat is merkwaardig,’ mompelde hij. ‘Ik mag hangen als dat niet de aansteker van Karel Mulders is. En zo niet, dan lijkt hij er toch heel erg sprekend op.’

   Frank keek eens om zich heen. Maar er was niemand te zien. Slechts het verkeerslawaai drong af en toe op de wind tot hem door.

   Hij bekeek de iets ingedeukte aansteker nog eens goed, terwijl er verschillende scenario’s door zijn gedachten schoten. De belangrijkste vraag bleef natuurlijk wel; hoe komt die kennelijke aansteker van Karel Mulders hier op  het natte zand voor het hek van die vreemde enclave op de heide.

   Omdat hij volkomen alleen bij dat hek stond kon niemand hem echter antwoord op zijn vraag geven. Frank stak de aansteker in zijn zak. Morgen zou  hij op het werk eens goed opletten waarmee Karel zijn shagje zou aansteken. Maar intussen bleef de vraag wel onbeantwoord hoe die aansteker daar bij dat hek terechtkwam.

   Er stak opeens wat wind op.

   Het rook hier aan de bosrand sterk naar dennen en paardenmest.

   Terwijl de zon er probeerde door te komen was Frank onderhevig aan een sterk gevoel van nieuwsgierigheid. Wat zou er zich achter dat zo overdreven afgesloten hekwerk bevinden, vroeg hij zich in stilte af. Het was hem ondertussen al opgevallen dat de ruwe bandensporen van de crossmotoren ook aan de andere kant van het hekwerk op de netjes aangelegde kasseien zichtbaar waren. Wie waren die lieden die zo onbeschoft hard langs hem heen raasden. En trouwens: Was Karel soms een van die asociale motorcrossers geweest vroeg hij zich vervolgens in gedachten af. En dan die brede bandensporen van een auto in het zand voor het hek. Waren die sporen soms van zijn bestelauto…

   Allerlei vragen drongen zich opeens in zijn gedachten op.

   Na even in stilte te hebben staan nadenken nam Frank een besluit. Met zijn mobieltje maakte hij enkele foto’s van de bandenafdrukken. ‘Je weet nooit waar dat goed voor is,’ mompelde hij terwijl hij aanstalten maakte om weer naar de plaats van zijn vertrek terug te lopen. Morgenvroeg moet ik terug om mijn gereedschap en machines bij de molen op te halen. Dat is dan een prima gelegenheid om het profiel van de banden van die bestelauto van Karel eens te vergelijken met wat ik hier op het zand heb aangetroffen.

   Juist op het moment dat Frank zich van het hek wilde verwijderen, begon Fikkie hevig te grommen terwijl hij gelijktijdig enig geluid achter zich waarnam. Frank draaide zich om en staarde verbaasd naar de in groene kleding gestoken figuur die opeens tussen de lage dennenbomen naast het pad zichtbaar was. Het was een wat oudere man. Zijn witte haren krulden onder de rand van een militair vechtpetje vandaan. Zijn groene legerjasje was van het model dat de Europese legertroepen in de zestiger jaren van de vorige eeuw gebruikten. De vale, smerige jeanspantalon stak onvoordelig af bij de rest van het tenue van de man. Net als de ouderwetse zware bruine legerlaarzen. Om zijn hals hing een groene tas met daarin een vermoedelijke verrekijker.  De klep van de tas stond open. Aan zijn gordel  hing een flink formaat jachtmes in een half open foedraal.  

   ‘Wat doet u hier meneer,’ was de vraag die op Frank werd afgevuurd. De grond waarop ik mij bevind, dus achter dit hek, is overigens privéterrein. Was u soms van plan om over het hek te klimmen?’ 

   ‘Ik, ik, was alleen maar nieuwsgierig naar de sporen van die motorfietsen die hier bij dit hek eindigen.’

   ‘O ja…’

   ‘Ja verder eigenlijk niets. Trouwens: ik sta toch nog aan de kant van het hekwerk dat tot het eigendom van Staatsbosbeheer behoort,’ reageerde Frank op de wat agressieve toon van iemand die zich door de woorden van een ander gekwetst voelt.

   ‘Dat is waar meneer. Daar heeft u gelijk in. Maar ik waarschuwde u slechts voor het geval dat u, misschien door nieuwsgierigheid gedreven, toch over het hek zou willen klimmen om mijn domein te betreden.’  De man deed een stap naar voren en keek Frank vervolgens met een paar priemende bruine ogen onafgebroken aan.

   ‘Nou dat was ik anders beslist niet van plan.’

   ‘Heel verstandig meneer.’

    Frank bekeek de persoon die zich op een paar meter van hen af bevond eens goed. De leeftijd van de man was moeilijk in te schatten met die jagerskleding aan. Maar het was zeker iemand van achter in de vijftig. Het leek tevens een vent te zijn met meer dan gemiddelde lichaamsbouw, gezien zijn boven omvang en zijn lichaamshouding. Misschien wel een vent die veel in de sportschool komt dacht hij.  

   ‘Maar…, wie bent u eigenlijk als ik dat vragen mag,’ vroeg Frank uiteindelijk.

   ‘Wie ik ben is niet belangrijk meneer.’ De man bleef doodstil, op een goede tien meter van Frank aan de andere kant van het hek op het pad staan. Zijn gestalte viel in het zwakke zonlicht enigszins weg tegen het groen in de schaduw van de dicht op elkaar staande dennenbomen.

    Frank bewoog zich even, zocht in zijn zak naar zijn sigaretten en stak er uiteindelijk een op, terwijl zijn ogen de vreemde man aan de andere kant van het hek strak in de gaten hielden.  Fikkie bleef ondertussen met tussenposen blaffen terwijl de haren op diens rug een ware hanenkam vormden.

    Al met al ontstond er in korte tijd een vreemde spanningsvolle situatie. Frank voelde dat hij wat begon te transpireren. Waarschijnlijk van een plotseling opkomende spanning in zijn lijf, alhoewel hij geen enkele vorm van angst voelde, noch dat het rotgevoel in zijn lijf dat hij twee weken geleden bij het kerkhof wel voelde, ook nu weer bezit van zijn lichaam nam.   

    Het was doodstil om hen heen.

    Fikkie had zich kennelijk uiteindelijk bij de vreemde situatie neergelegd en blafte, noch gromde niet meer, terwijl hij zijn kop schuin omhoog hield en zijn baasje vragend aankeek.   

   ‘Gaat u maar rustig met uw hond naar huis meneer,’ sprak de man, opeens de stilte die er was gevallen verbrekend, op nette toon tegen hem. ‘Hier valt immers niets te beleven.’

   Frank knikte, draaide zich om, trok Fikkie naar zich toe en stak zijn rechterhand in de zak van zijn jack.

   ‘En probeert u vooral ook, beslist geen foto van mij te maken, meneer. Want dan zal ik helaas genoodzaakt zijn om op een onvriendelijke wijze te moeten ingrijpen.’

Na die dreigende woorden keek de merkwaardige uitgedoste persoon de reeds weglopende Frank nog even na. Hij draaide zich vervolgens om en verdween even plotseling als dat hij was verschenen, vrijwel geruisloos, weer tussen de dennenbomen. Frank in opperste verbazing achterlatend.     

Vervolg kunt u lezen in deel 20: http://tallsay.com/page/4295001526/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-20  

© Leonardo  

 

11/12/2019 01:29

Reacties (4) 

1
11/12/2019 19:30
Geweldig verhaal. Die brave Frank zou zich nog door zijn nieuwsgierigheid nog wel eens in de nesten kunnen werken.
11/12/2019 21:10
Dat zou zomaar kunnen, Willemijntje. Ik moet zeggen dat jij heel goed kunt meedenken in mijn vervolgverhalen. Heel leuk voor een schrijver!
1
11/12/2019 12:14
Het wordt steeds leuker....mijn criminele fantasie slaat al weer op hol.
Mooi opgebouwd, dit verhaal.
1
11/12/2019 18:04
Fijn dat je het blijft volgen, Zevenblad. Dankjewel!
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert