Het mysterie der zwarte gestalten 18.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 17: http://tallsay.com/page/4295001386/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-17 

             ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

                                                               18.

 

Het geheimzinnige silhouet in de verte

Het was reeds even voor drie uur toen Frank Bonte zich via de ladder van een steiger liet zakken die rondom de oude molen was opgetrokken. Hij had juist een versleten, dragende eikenhouten balk van de draaibare kop van de molen vervangen en keurig op maat ingepast. Een zeer precies en zwaar werk dat hij alleen had uitgevoerd, zonder hulp van derden  Tevreden met zijn geleverde prestatie, schoof hij op de balk waarop hij zat achteruit terug naar de ladder. Hij rilde even van de kou. Ondanks de dikke kleding die hij aanhad was het boven op die molen guur, nat en koud. Voorzichtig daalde hij de ladder af alvorens de bouwkeet op te zoeken om een kop koffie te drinken.

   Een besmeurde en flink verroeste cementmolen draaide intussen op het gras rond de windmolen met een piepend en krakend geluid zijn gang.

   De kerkklok sloeg inmiddels driemaal.

   Fikkie blafte in de bestelauto van Frank ten teken dat hij er even uit moest. Hij liet het dier zijn gang gaan op het bouwterrein. Nadat het beest zijn behoefte had gedaan, een bakje water had leeggedronken en wat op het gras had gesnuffeld, liet Frank hem weer in de auto waar zijn trouwe kameraad zich op een wollendeken oprolde om verder te gaan met wat hij het liefste overdag deed, te weten; slapen.

   Motregen daalde onophoudelijk vanuit dikke grauwe wolken op de grond neer.

   Frank liep naar de bouwkeet toe.

   Op het modderige gras naast de keet stond een bestelauto van www.de.postbode. De plaatselijke postbode zat kennelijk al binnen in de keet van een bakje koffie te genieten.

   Die gedachtegang van Frank Bonte klopte. Want toen hij de keetdeur opende zag hij dat er reeds een tweetal mannen in de keet aanwezig waren. De ene man was Karel Mulders ook een ZZP’r en in deze klus, en een maat van hem, terwijl de andere man Flip Koenders was. Flip was de lokale postbezorger. Overigens ook een kleine zelfstandige die naast postbestellen, samen ook met zijn echtgenote een zogenaamde ''printshop'' runde. 

   ‘Klote weer geworden, nietwaar, Frank,’ vond postbode Koenders. ‘Zal wel goed koud zijn met die aantrekkende wind daar boven op die kop van de molen.’

   ‘Ja koud is het zeker,’ antwoordde Frank terwijl hij even rilde en zich vervolgens met een bekertje koffie in de hand op een oude gammele houten stoel liet neerzakken. ‘Koud en nat. Maar in ons beider vak moet je niet kinderachtig zijn wat het weer betreft, toch…,’

   ‘Nee, dat zeker niet,’ antwoordde Karel Mulders terwij hij onderwijl met zijn gedeukte zippo aansteker speelde. ‘Al is het met die regen niets gedaan. Zeker niet om te metselen. De specie spoelt gewoon weer onder de stenen vandaan.’

   ‘Dat neem ik van je aan, maar jij staat aardig droog zie ik, met dat zeildoek over die steiger getrokken,’ gaf de postbesteller ten antwoord.

   ‘Ja dat gaat zo best.’

   ‘Geluk is met de lepe, zegt men wel eens,’ reageerde Frank. ‘Maar hoe dan ook, mannen. Ik heb daar boven in ieder geval wel een heel mooi uitzicht over de heide als ook over het hele dorpje,’ zei Frank glimlachend. ‘Tenminste; als die rottige grondmist wat is opgetrokken.’

   ‘Verrek ja, dat is natuurlijk waar.’

    De koffiemachine kreunde ten teken dat een tweede bakkie koffie gereed was om in te schenken. Frank pakte even de plaatselijke krant die de postbesteller had bezorgd, neusde vervolgens even op de eerste twee pagina’s en spitste toen opeens alert zijn  oren. 

    De radio stond zacht aan op Omroep Brabant. Het was een programma met muziek en af en toe korte nieuwsberichten. De draagbare radio was een oudje en gaf een slecht geluid. Het nieuws en de muziek schetterde af en toe als het geluid van een schorre haan uit de luidsprekers de kleine ruimte in.

   ‘Eerst hoorde je dat kreng zowat niet, terwijl het nu opeens een tering herrie is,’ zei Karel Mulders op geërgerde toon. ‘Zal ik dat rot geluid maar afzetten of….’

   ‘Nee…, wacht daar even mee,’ antwoordde Frank abrupt, omdat de muziek was geëindigd waarna de omroeper het laatste nieuws uit de provincie verkondigde. Hij viel door zijn opmerking de radio aan te laten staan direct met zijn spreekwoordelijke neus in de boter, zoals hij al snel zelf besefte toen de nieuwlezer zijn nieuwsberichten ging voorlezen. Het nieuws waar Frank op wachtte was het laatste bericht wat werd voorgelezen.

   ‘Het door justitie uitgevoerde bodemonderzoek op het al eerder in het nieuws van de afgelopen dagen genoemde kerkhof bij een oude kasteelruïne in onze provincie, heeft volgens de autoriteiten niets bijzonders opgeleverd,’ deelde de omroeper mede. ‘Er zijn wel resten van heel oude fundamenten onder de grondoppervlakte in kaart gebracht. Tevens heeft men een patroon van een vermoedelijke smalle ondergrondse ruimte vastgesteld. Volgens een woordvoerder van justitie betreft het waarschijnlijk een deel van een zogenaamde vluchtgang. Vermoedelijk ooit aangelegd door de eerste bewoners van het middeleeuwse kasteel Groenestein, waarvan thans nog slechts enkele muurfragmenten nabij het kerkhof zijn overgebleven.’ Met een, ''dit was het laatste nieuws,'' besloot de nieuwslezer het korte radiojournaal.

   ‘Nou, dat weten we dan ook weer,’ zei Frank terwijl hij opstond om een tweede bekertje koffie in te schenken bij het kreunende en sissende koffieapparaat.

   ‘Zo is dat Frank,’ reageerde Flip Koenders. ‘En zo zie je ook maar weer eens, hoe een klein Brabants dorpje opeens groot kan worden,’ orakelde de postbesteller, terwijl hij een shagje rolde en dat vervolgens opstak.

   ‘Hoe bedoel je dat.’

   ‘Nou dat lijkt me nogal duidelijk. Door die criminele acties wordt jouw dorpje toch maar even mooi op de spreekwoordelijke kaart gezet. Of niet soms.’

   ‘Ja, als je het zo bekijkt… Maar ik weet niet of onze dorpsgemeenschap daar op zat te wachten,’ gaf Frank ten antwoord. ‘Je kunt beter met iets leuks, dan met crimineel gezeik in het nieuws komen lijkt mij.’

   ‘Ja dat is waar,’ lachte de postbode terwijl hij opstond. ‘Dat zie je wel goed. Maar aan de andere kant kon je tot voorkort honderd mensen vragen of ze dat dorpje waar jij woont kenden. Maar dan zou je zeer waarschijnlijk alleen maar een zeker hoofdschudden als antwoord krijgen. Maar nu weet heel Brabant hoe het heet, en vooral waar het is gelegen,’ zei hij lachend terwijl hij opstapte. ‘Zet vanavond als je thuis komt maar dranghekken voor je woning, Frank. Want de toeristenstroom zal na deze berichten op de radio vast en zeker wel op gang gaan komen.’

   ‘Verrek ja,’ zei een eveneens glimlachende Karel Mulders. ‘Heb jij even geluk, Frank. Gewoon een rood met wit lint over de straat voor je woning spannen en een paal met een muntenbakkie neer zetten, met een bordje ervoor: Bezichtigen van het kerkhof, vijftig eurocent. Ha, ha, ha, en een rondleiding is mogelijk na afspraak, voor minimaal tien personen, voor een euro per persoon…’

   ‘Ja lachen jullie maar,’ regeerde Frank glimlachend. ‘Maar inderdaad, het idee is misschien zo gek nog niet. Ik zal er eens over nadenken.’

   ‘Ja, zo zie je maar weer hoe je van iets negatiefs iets positiefs kunt bedenken. Maar ik ben nu weg mannen. Bedankt voor de koffie en houdoe,’ zei postbode Flip Koenders terwijl hij naar buiten stapte en de kromgetrokken klemmende deur stevig achter zich dichttrok.

   ‘Heb jij trouwens enig idee wat ze daar eigenlijk hadden willen aantreffen,’ vroeg Karel Mulders na enig stilzwijgen aan Frank.

   ‘Nou niet direct,’ antwoordde Frank terwijl hij de krant dichtsloeg. ‘Ik heb werkelijk geen idee.’

   ‘Weet je het zeker.’

   ‘Ja natuurlijk weet ik dat zeker.’

   ‘Jammer, ik vroeg me namelijk af of jij er meer van zou weten.’

    Hier gaf Frank niet direct een antwoord op, maar keek zijn maat daarentegen even strak aan.

   ‘Wat bedoel je eigenlijk met die vreemde vraag. Waarom zou ik er in jou beleving meer van moeten weten.’

   ‘Nou ja…, gewoon, omdat jij zowat naast dat kerkhof woont, toch... Jij ziet en hoort daar natuurlijk van alles…’

   ‘O ja…,’

   ‘Ja dat dacht ik.’

    Frank keek hem vervolgens heel even aan, maar zweeg verder terwijl hij zijn aandacht weer op de krant richtte, die hij na wat bladeren neerlegde.

    De twee mannen zaten vervolgens tegenover elkaar al shag rokende naar de smerige houtenvloer te staren. Ieder verzonken in de eigen gedachten. Het was Frank die uiteindelijk weer het woord nam.

   ‘Weet je…, zelf denk ik dat ze misschien naar wapens of naar een bergplaats voor drugs op zoek waren. Want ze schijnen enkele dagen geleden toch iets gevonden te hebben. Iets dat volgens de kranten nader onderzoek noodzakelijk maakte.’

   ‘Ja dat heb ik ook gelezen. Dat stond ook in het Brabants Dagblad. Maar dat ze daar zelfs een onderzoek met een soort van grondradar voor instellen, dat verbaast me hogelijk.’

   ‘Dat is waar. Dat is inderdaad heel apart.’

   ‘Waarom zouden ze dat doen vraag ik me af.’

   ‘Ik heb werkelijk geen idee. Maar mijns inziens zijn ze dan wel vermoedelijk naar iets groots, of naar iets heel belangrijks opzoek, denk je zelf ook niet.’  

   ‘Dat lijkt me wel, ja…’

   ‘Maar ik weet niet wat ik me er bij moet voorstellen. Wat zoeken ze precies; wat moet daar dan volgens justitie verborgen liggen vraag ik mij af. Ze gaan uiteindelijk niet zomaar zonder duidelijke aanwijzingen met zo’n kostbaar onderzoek aan de slag, lijkt mij.’

   ‘Nee dat lijkt mij ook niet.’

   ‘Maar goed, ik wacht wel af hoe die zaak zich verder gaat ontwikkelen. Het is alleen vervelend dat dit zich allemaal op nog geen tweehonderd meter van mijn woning afspeelt.’ Vervolgens zweeg Frank, gooide zijn plastic bekertje in de afvalbak en stond op. ‘Mooi, het is weer tijd om ons over te geven aan de wetten der natuur,’ zei hij op enigszins berustende toon. ‘Want de regen zeikt inmiddels nog steeds lekker naar beneden.’

   Frank opende de deur van het kot dat tot kantine was gepromoveerd en keek in gedachten verzonken even omhoog naar de grauwe hemel alvorens naar buiten te stappen.

   Het was overigens die ene plotselinge vraag, van Karel Mulders die hem stoorde. Die vraag, waarin zijn maat zich afvroeg of hij niet meer van die zaak zou weten liet hem opeens niet meer los. Die vraag bleef in zijn gedachten hangen. Het was eigenlijk een wat suggestieve vreemde vraag, vond hij. Mede daarom had hij heel bewust niet over zijn ontdekking van die ochtend, van die schoen bij dat bankje op de rivierdijk, met Karel gesproken. Waarom hij er geen mededeling van deed wist hij  zelf niet, maar iets in zijn gedachten waarschuwde hem met klem, om hier absoluut tegen iedereen zijn mond over te houden.

   Die schoen, was trouwens een geval apart. Van wie zou die zijn vroeg hij zich af. Niemand laat toch een vrijwel nieuwe schoen die van de voet raakt, gewoon in het gras liggen. Het bleef een bizar voorval. Daarbij had hij werkelijk geen idee wie de eigenaar van zo’n nieuw uitziende herenschoen kon zijn geweest. Maar dat die schoen van enige betekenis kon zijn in dit merkwaardige mysterie rond dat kerkhof, daar was hij inmiddels wel van overtuigd geraakt.

   Toch was het voorval wel merkwaardig dacht hij. Want of hij het nu wilde of niet, maar met het ontdekken van die schoen bij dat bankje, was hij toch onwillekeurig toch emotioneel sterker bij dit vreemde gebeuren betrokken geraakt.

   Klote eigenlijk!

   En daar kwam in zijn gedachten ook nog het volgende bij. Natuurlijk was Karel Mulders een goed gebekte vlotte Brabander, maar daarbij ook een vent die de vervelende eigenschap had, graag iedereen uit te willen horen. Daarom moet je bij Karel altijd op je woorden letten. En trouwens, hoe goed kende hij die maat van hem in dit renovatieproject, die Karel Mulders, nu eigenlijk wel.

   Natuurlijk; hij wist waar hij woonde en hij kwam hem vaak bij renovatieklussen tegen. Maar verder wist hij eigenlijk niets van hem. Goed…, de man woonde in de nabij gelegen stad Uden. Daar bewoonde hij aan de rand van een bos een schitterend zelfgebouwd huis. Een woning met een flinke schuur die als werkplaats diende. Hij had een dikke, tweejaar oude Mercedes voor de deur staan, en leefde er goed van. Het huis had hij, althans volgens zijn eigen zeggen, vier jaar geleden samen met zijn zwager gebouwd. En dat kon volgens Karels eigen zeggen, financieel allemaal zomaar worden gerealiseerd. Zelfs zonder dikke hypotheek te sluiten bij de Rabobank, dus zuiver op basis van de revenuen uit zijn kleine een mans onderneming. Voorwaar een hele prestatie voor een eenvoudige bouwvakker van mijn eigen leeftijd, dacht Frank. Want hij is uiteindelijk net als ik, ook maar een gewone kleine zelfstandige metselaar zonder personeel. Maar goed. Misschien beunde hij er in de afgelopen jaren ontiegelijk veel zwart bij. Of misschien heeft hij zelf, of zijn echtgenote, ooit een flinke erfenis gehad. Dat kan natuurlijk ook. Andermans zaken zijn uiteindelijk soms zeer onduidelijk en vaak moeilijk in te schatten…

   Maar het zaad der twijfel was met die ene specifieke opmerking van Karel Mulders bij Frank gezaaid.

   Hij groette met een handgebaar zijn maat die met hem mee naar buiten liep om zich te bekommeren over de nog steeds draaiende cementmolen. Er zat echter alleen water en wat grind in de draaiende ton. Dat was gedaan om het binnenwerk schoon te maken alvorens de machine opnieuw te gebruiken.

   ‘Nou zal hij wel weer helemaal glimmend schoon zijn,’ mompelde Karel, terwijl hij de machine stil zette en de inhoud in een verroeste metalen ton opving. Vervolgens maakte hij met een paar scheppen zand, grind en cement de volgende lading klaar.  

   ‘Nog zeventig stenen, dan kap ik er mee,’ zei Karel terwijl hij zijn peukje in het natte gras spuwde. ‘Dan is die onderste muur klaar.  Moet er van de week alleen nog gevoegd worden.’

   ‘Het ziet er prima uit, Karel.’

   ‘Ja toch…, dat vind ik zelf ook. Straks het zeil er even losjes omheen trekken en dan houd ik het hier voor gezien. Morgen is er weer een dag en ik heb vanavond wat andere werkzaamheden te doen.’

   Het zal wel, dacht Frank.

   Hij keek even naar de donkere hemel waaruit constant regendruppels neervielen en klom toen de ladder op om zijn werk in de kap van de molen af te maken. Maar terwijl hij voorzichtig, zittend op een dikke balk, als het ware tussen hemel en aarde zwevend wat heen en weer schoof, gingen zijn gedachten uiteindelijk toch weer met het laatste nieuws uit het dorp op de loop.

  ‘Jezus Christus, waar gaat dit verdomme allemaal om,’ mompelde hij even later in zichzelf terwijl hij zich bukte om een dikke nieuwe dwarsbalk iets te verleggen. ‘Waaraan hebben we nondesju, deze ellende in ons gezellige rustige Brabantse dorpje aan de rivier verdiend.’  

   De regen was even plotseling gestopt als dat het enkele uren geleden was begonnen. De wolken leken wat uit elkaar te drijven, vermoedelijk als gevolg van een toenemende wind in de hogere luchtlagen. Er verscheen zelfs een voorzichtige zonnestraal tussen de grauwe grijze wolken door.

   Frank had zich inmiddels op een ander balk laten zakken en ruimde zijn gereedschap op dat hij vervolgens in een sterke jutte werk tas deed. Hij wilde juist over de balk naar de ladder toe schuiven toen hij in de optrekkende damp, heel in de verte, op de aangesloten heide, een bewegend silhouet dacht waar te nemen. Hij bleef even nieuwsgierig hoog op de ladder staan om beter te kijken, waarna hij constateerde dat het inderdaad een menselijk silhouet was wat hij heel even in de verte waarnam.

   Niet ongewoon natuurlijk.

   Uiteindelijk is de heide geen afgesloten gebied. Er lopen daar regelmatig mensen rond die hun hond uitlaten of gewoon even de natuur willen opsnuiven, terwijl ongeveer op de plaats waar hij de vaag waarneembare gestalte meende te zien, ook een rijwielpad de heide doorsneed. 

   Toch voelde Frank zich opeens als het ware gedwongen om even te blijven kijken. Gewoon om te zien wat zich daar heel in de verte afspeelde. Want het was toch wel heel merkwaardig dat er in dit koude regenachtige rotweer, nog iemand op die natte heide was waar te nemen.

   Hij tuurde met zijn hand voor de ogen naar de heidevlakte welke vanaf de andere kant van de straat, zo ver als hij kon zien, zich in de nevel voor hem uitstrekte. Heel even zag hij in de opstijgende grondnevel nog net het in de verte zichtbare silhouet even bewegen, maar hoe hij ook tuurde, hij kon het opeens niet meer ontdekken. De persoon die hij in de verte meende waar te nemen was kennelijk plotseling als het ware door de nevel opgenomen, of in de nevel tussen een aan de rand van de heide liggende boomgroep verdwenen.    

   Nog even tuurde hij naar de plek waar hij dat silhouet van een eenzame wandelaar op de kletsnatte heide meende te hebben waargenomen, doch het beeld dat hij meende te hebben gezien kwam niet meer uit de optrekkende nevel tevoorschijn…

   ‘Er zijn vreemde figuren op deze wereld,’ bromde hij terwijl hij zijn baseballpetje even uitsloeg en het vervolgens weer opzette.

   Hij rilde even.

   Zonder er iets tegen te kunnen doen, kwamen opeens ook die vreemde gevoelens in zijn lijf weer opzetten. Dat zelfde knijpende rot gevoel in zijn lijf dat hij ook kreeg toen hij dagen geleden bij dat kerkhof in het dorp, ’s avonds de hond uitliet.

   ‘Verdomme wat een klote gevoel krijg ik opeens in mijn lijf,’ mompelde hij.

   Uiteindelijk liep hij de ladder af, juist op het moment dat zijn maat Karel Mulders, in zijn lichtgroene bestelwagen van het terrein afreed en rap de weg richting Uden   opdraaide.

   Ons nijvere metsellaartje heeft de laatste dagen nog al erg veel haast om thuis te komen, concludeerde Frank. Zijn bijdehand zijnde echtgenote heeft hem kennelijk stevig in de klem om op tijd thuis te zijn, als je het mij vraagt. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat hij na het eten naar de sportschool moet, een beunklus moet afmaken, of misschien zit er wel ergens een lekkere jonge meid ergens op hem te wachten. Zal me benieuwen of hij morgen precies om zeven uur hier aanwezig is.

   Het vreemde gespannen onrustige gevoel in zijn lijf zakte weer langzaam weg toen hij beneden stond. Hij wreef eens over zijn voorhoofd dat opeens vochtig aanvoelde. Niet van de regen maar van zweetdruppeltjes. ‘Christus, wat is er toch met me aan de hand,’ mompelde hij terwijl hij zich even uitrekte.

   Er reed met veel motorlawaai een grote gele zandauto langs.

   De chauffeur drukte even kort op de claxon ter groet.

   Frank stak zijn hand op en liep vervolgens naar de keet om die af te sluiten ‘Maar goed. Ik zal dan in elk geval de keet en het hek maar weer afsluiten,’ mompelde hij terwijl hij een trap tegen de hevig klemmende oude deur van de bouwkeet gaf. ‘Dat openen en afsluiten was uiteindelijk duidelijk afgesproken, zijn taak, maar het is de laatste dagen kennelijk opeens mijn taak geworden,’ mopperde hij vervolgens terwijl hij in zijn bestelauto stapte, Fikkie een aai gaf die op de bestuurdersstoel had liggen slapen, en vervolgens de motor startte en de auto buiten het hek plaatste.

Vervolg kunt u lezen in deel 19: http://tallsay.com/page/4295001492/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-19

©  Leonardo

  

                                                        

05/12/2019 12:52

Reacties (2) 

1
06/12/2019 16:05
Je houdt het lekker spannend. Weer met veel genoegen gelezen!
1
05/12/2019 17:52
Nog steeds spannend - je weet de aandacht wel vast te houden. Nu hebben we wéér een vermoedelijke schurk er bij....drugslab in de schuur?
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert