Tranen van Mona Lisa - kort verhaal

Door Edwin Bruinooge gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Mijn winnende verhaal van Schrijfwedstrijd ronde 5 van Schrijverspunt, nu zeven jaar geleden. Thema was: 2012, het Einde van de wereld? Ik beschreef een nachtmerrie die ik sinds mijn tienertijd al een keer of zes heb gehad. 

 

Tranen van Mona Lisa

Huilend, met smekende blikken keken ze me aan. Een meisje van negen, een jongen van vijf. Maar ik had geen keus. Ik ging achter hen staan en beloofde dat het geen pijn zou doen. Dat alles snel afgelopen was en dat alles daarna beter zou zijn. Snikkend omarmden ze elkaar. Twee oorverdovende pistoolschoten. De echo galmde na, gevolgd door het hartverscheurende schreeuwen van hun moeder. Ik vermande me, sloot even mijn ogen en gebaarde toen naar Peter dat hij zijn werk kon doen. Hij overgoot de kinderlijkjes met benzine en stak ze aan. Een explosie van licht, ik wendde mijn gelaat af en liep naar de auto’s die weer zichtbaar waren.
     “We vertrekken, weg van hier,” zei ik. Zwijgend volgden ze me. Twee vrouwen ondersteunden de moeder, die, overmand door wanhoop en verdriet, niet meer in staat was te lopen.

b3727a0c007379e296f57a26f79bf037_medium.

De volgende ochtend zagen we Aix en Provence opdoemen uit de koude ochtendmist. Zorgvuldig laveerden onze wagens om de wrakken die de autoroute bezaaiden. Eenmaal dichter bij de stad sloeg de geur van verrotting ons in het gezicht. Die geur waar we nooit aan wilden wennen, maar die nu een onlosmakelijk deel van ons leven was. We maakten ons kamp op. Een grote parkeerplaats langs de autoroute. In de verte hoorden wij geblaf. Wij kenden het gevaar maar al te goed. Ieder van ons droeg een doorgeladen geweer. Ik ging totaal uitgeput op een heuvel zitten. Bij mijn voeten baande een colonne mieren zich een weg door het onkruid, langs een verroest colablikje. Ik glimlachte.
    “Voor jullie is de wereld nog hetzelfde,” zei ik zacht, terwijl ik mijn tranen probeerde te verdringen. Door mijn hersenen flitsten de gebeurtenissen van de afgelopen maanden. Door elkaar, niet chronologisch. Zoals elke dag, elke nacht weer. Ik zag mijn vrouw en dochtertje weer dood in bed liggen. Ik durfde ze niet aan te raken, durfde geen afscheid te nemen. Opnieuw wandelde ik door de straten van Amsterdam. Overal leeggeplunderde winkels, overal straten bezaaid met lijken. En overal die misselijkmakende geur. En zwerfhonden, nu nog ongevaarlijk. In een auto op de snelweg, richting het zuiden. Stoppend bij boerderijen, om het vee los te laten. Nergens een mens te bekennen. De eerste berichten uit Londen, over een vreemde ziekte tijdens de Olympische Spelen. Luchthavens afgesloten en hele steden in quarantaine. Paniek op straat, politie en leger die met scherp mochten schieten. Wereldwijd. En vlak voordat overal de elektriciteit uitviel, de laatste Tv-uitzending. Ebola Zaïre, een uiterst virulente variant. Een wereld zonder mensheid.

b5b24b4607d188da2b127ce1e054f7c7.jpg

Ik zag Marie-Claire de heuvel op lopen. Zij was de eerste die ik onderweg tegenkwam, in
België. Een vertrouwd gezicht, het was alsof ik haar al jaren kende, maar ik realiseerde me dat ik vrijwel niets van haar verleden wist. We spraken daar nauwelijks over. Ik zwaaide even en vroeg: “ Is het gelukt?” Ze knikte instemmend.
    “Een grote hypermarché van Leclerc. Onze voorraad blikvoer is weer op peil. En ook flink wat gereedschap en gasflessen meegenomen. Toch handig dat die Fransen dat ook in hun supermarkten hebben.” Ze keek naar de grond en zei zuchtend: “ Hadden, hadden, natuurlijk.”
Ik begreep haar. Wij werden elke dag geconfronteerd met de restanten van een vervlogen wereld, een wereld waarin het wemelde van mensen, elk met een eigen verhaal, met dromen, toekomstplannen en ambities. Onze wereld was een kerkhof, overleven het enige wat ons bond. Nationaliteit was nu een inhoudsloos begrip, al onze zekerheden en luxe weggevaagd.

9c783c07d26df2b30d144ae716a8da7d_medium.

Ze legde haar geweer in het gras en knikte er naar.
    “We werden aangevallen door een roedel van ongeveer vijftig stuks. We hebben er acht afgeknald voordat ze er vandoor gingen. Geen gewonden dit keer.”
Ik knikte goedkeurend. Ik wist dat ze in haar vorige leven – mijn God, wat voor uitdrukking gebruikte ik – in een dierenasiel had gewerkt. En nu schoot ze honden zonder mededogen overhoop. Ik dacht aan gisteravond en begroef mijn hoofd in mijn handen. Ze voelde mijn gedachten.
    “Niemand neemt je ook maar iets kwalijk, zelfs hun moeder snapt dat je het voor ons allen deed. Je hebt gelijk. Wij lijken misschien wel immuun, maar ziektes kunnen muteren. Je beschermde ons allemaal. En zij hoeven niet meer te lijden.”
    “Het waren kinderen! Van mijn dochters leeftijd,” riep ik vertwijfeld. Mijn ogen brandden, ik voelde een ondraaglijke pijn in mijn hoofd. Ze legde haar handen op mijn schouders. Ik verstijfde, zij voelde het, maar nam ze niet weg.
    “Ik bewonder je kracht, je moed,” zei ze warm. “Wij staan achter je. Toscane, we volgen jouw plan.”
Toscane. We moesten overwinteren. Daar waar het dragelijk was, goede grond, een goed klimaat. Een plek om opnieuw te beginnen, onszelf opnieuw uit te vinden.
    “Wij geven niet op, wij gaan dit overleven.” Ze herhaalde met kracht de woorden die ik elke dag tot de hele groep uitsprak. Mijn woorden, mijn intonatie. Maar ik voelde me krachteloos vandaag.
    “Overleven”, schamperde ik. “Ik wil meer dan dat. Alleen overleven is geen antwoord.”
    “Vertel me dan wat voor toekomst je ziet! Deel het met me”, zei ze, terwijl ze in mijn schouders kneep en me dwong haar aan te kijken.
    “Hoe ziet deze wereld er over een jaar uit? Over tien jaar? Dertig? Honderd?” Ik begon hakkelend, maar voelde een innerlijke vlam, die langzaam aan intensiteit won. “Wij mogen niet vergeten waar wij vandaan komen, wie wij eens waren. Alleen dan kunnen wij écht opnieuw beginnen…” Ik stond op en begon te ijsberen. “Volgend jaar,” zei ik, met alle overtuiging die ik kon opbrengen, hoe weinig het ook was. “Ik zou naar het Louvre willen gaan, naar de Hermitage. De mooiste kunstwerken, ik zou ze willen bewaren en koesteren. Een wereld zonder schoonheid, zoals nu elke dag, ik wil dat niet meer accepteren.” Ze sprong op en pakte me beet.

b96d859d675b1227f1188699042f646d.jpgbfe15f1ca1378a7ac82ca2c80868448d_medium.

“Ik ga mee. Een wereld zonder de glimlach van de Mona Lisa, dat mag niet. We gaan ervoor vechten.”
Ik lachte hardop, kort, en zei toen met verbeten boosheid: “Onzin! Zou ze om deze wereld nog kunnen glimlachen? Zou een huilende Mona Lisa niet veel beter bij ons passen?”
    “Juist niet!”, beet ze me toe. “Juist nu hebben wij die glimlach nodig. Die ons het vertrouwen geeft dat wij het waard zijn om te overleven. Dat ons verdriet en onze offers niet tevergeefs zijn. Dat we hard moeten knokken, dat zeker, maar nooit zonder schoonheid, nooit zonder liefde. Ik heb dat nodig en jij ook!” Ze keek me recht in de ogen, ze slikte en ik begreep de betekenis achter haar laatste woorden. Ik wilde me afwenden, maar ze liet het niet toe. “We mogen nooit vergeten dat wij mens zijn,” fluisterde ze teder.
Alle muren die ik had opgeworpen verkruimelden. Ik zag mijn vrouw, ze glimlachte naar me en gaf me een knipoog. Alsof ze me toestemming gaf. Toestemming om opnieuw te beginnen. Mens te zijn, ook in de afschuwelijkste omstandigheden. We omhelsden elkaar, in haar armen gaf ik mezelf over, ik voelde haar warmte en zij de mijne. Een lange zoen, onze handen op elkaars huid en ons verdriet werd dragelijk. Onze kleren gleden omlaag en hoop keerde terug in ons hart.

68a1010ab3b9d75ac1dd25fa0fcdf756.jpg

Ik werd wakker, met mijn hoofd tussen haar borsten. Vrede en een warmte die ik nooit had gedacht weer te kunnen voelen. Zacht streelde ze mijn haar.
    “Zie je haar glimlach?”, grapte ze triomfantelijk. Ik gaf haar een diepe zoen.
    “Ja, Mona Lisa heeft haar tranen gedroogd. Ze gaat weer leven.”
We gingen overeind zitten en lachten naar elkaar. De zon ging onder, het werd frisser. Ik pakte mijn shirt en kreeg een flinke niesbui. Mijn wereld stortte ineen toen ik mijn shirt zag. Overal bloed. Verschrikt keek ik haar aan, haar ogen waren van ontzetting vervuld. Ze kroop vol ongeloof hoofdschuddend achteruit. Tranen in mijn ogen, ik veegde ze weg met mijn hand. En zag rode en roze vlekken. Ik wist wat ik zag. Een nieuwe wereld, maar dan zonder mij.

b5bcdc615d14287cb7319fce27df0ef3.jpg

Ik nam mijn pistool en betastte de loop. Ze slaakte een zachte kreet, vol van wanhoop. Huilend keek ze me aan, ze wilde me aanraken, maar ik weerde haar af. Ik schudde mijn hoofd.
    “Ik hou van je”, zei ze zacht. En toen, troostend, liefdevol en sterk, zoals hoort bij een naderend afscheid: “Toscane, we zullen het redden, ik beloof het. En volgend jaar het Louvre. Ik ga het doen.”
    “En de Hermitage?”, probeerde ik, met iets van humor. Maar mijn stem brak. Ze knikte, met de hand op  haar hart. Ze zond mij haar mooiste glimlach. Een glimlach met tranen, waar liefde, hoop, mededogen, maar ook intens verdriet uit sprak. Mooier dan Da Vinci ooit had kunnen schilderen. Ik zag het licht van  mijn laatste zonsondergang spelen met haar bruine haren. En vurig hoopte ik dat onze volgende generatie was begonnen te groeien, in haar lichaam. Ik streelde mijn pistool.
    “Zou je wat voor me willen doen?”, vroeg ik fluisterend.
    “ Alles.”
    “ Zou je Peter willen halen? En hem vragen benzine mee te nemen?”

 

Nawoord

Ik ben nooit helemaal tevreden geweest over dit verhaal. Toen ik de aankondiging van de schrijfwedstrijd zag, ontstond de eerste scène als in een flits in mijn hoofd. Het einde kwam de volgende dag. Het middenstuk heb ik geschreven, een paar uur voor de deadline. Ik heb later nog geprobeerd om het verhaal uit te breiden, maar het is er nooit van gekomen. Blijkbaar zit er voor mij geen groter verhaal in. Voor mij is het vooral leerzaam om terug te lezen hoe mijn schrijfstijl in zeven jaar toch behoorlijk veranderd is.

 

01/12/2019 00:02

Reacties (9) 

Nieuwe reacties weergeven
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert