Het mysterie der zwarte gestalten 17.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 16:http://tallsay.com/page/4295001282/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-16

            ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

Hoofdstuk twee.

Deel:                                                      17

 

 

Vreemde werkzaamheden en een merkwaardige vondst.

In het kleine dorpje, gelegen aan een der grote rivieren in het zuiden van Nederland, was het op die troosteloze ochtend van de zeven en twintigste november inmiddels al weer een en al bedrijvigheid.  Enkele boeren reden met herrie makende tractoren over het met oude straatklinkers bedekte wegdek, terwijl verschillende dorpsbewoners zich met hun voertuigen naar hun werk verplaatsten.

   Het was inmiddels half acht geworden.

   Frank Bonte liep met Fikkie zijn gebruikelijke uitlaatroute over slecht liggende glimmende straatstenen. Zijn weg voerde hem weer als gebruikelijk langs het nog in het schemerdonker liggende kerkhof richting de rivierdijk. Er was heel in de verte een lichte plek in de bewolkte hemel waarneembaar, maar vooralsnog daalde er wat motregen neer uit de dikke wolken.

   Alweer zo’n grauwe rotdag schoot het bij Frank door de gedachten. Het houdt niet op. De zon is nu al ruim twaalfdagen nagenoeg afwezig.

   Toen hij bij de plek aankwam waar hij een goede tien dagen geleden zo’n angstige ervaring had opgedaan bleef hij even nieuwsgierig stilstaan. Hij keek in het ochtendschemer om zich heen, wierp een vluchtige blik over de muur van het kerkhof, waarna hij constateerde dat er niets bijzonders noch ongewoons viel waar te nemen. Het bedreigende en angstige gevoel, dat zich op deze plek zo’n tien dagen geleden van hem had meester gemaakt, openbaarde zich sindsdien niet meer als hij hier met de hond aan de lijn langs liep.

   Fikkie snuffelde wat in het gras, lichtte twee maal zijn pootje op en trok toen aan de riem ten teken dat hij de rivierdijk op wilde lopen.

  Frank volgde het beest op zijn gemak terwijl deze hem, alsmaar over de grond snuffelend, plotseling richting het bankje trok dat op een goede honderd meter van het naar beneden aflopende pad aan de rivierdijk was geplaatst. Fikkie had die morgen plotseling buitengewone aandacht voor het ooit door de gemeente geplaatste houten bankje. Het beestje snuffelde heftig, vooral rond een van de betonnen poten van de bank en keek toen enkele malen naar zijn baasje op, terwijl hij wat begon te grommen.     

   Frank had eerst nog niet door dat Fikkie iets bijzonders had ontdekt. Hij stond met de rug naar het kerkhof toe naar de in de verte voor hem opduikende grote containerboot te kijken die vanachter de bomen, welke langs de waterkant stonden, plotseling voor hem opdook. 

    Maar opeens drong het tot hem door dat Fikkie zijn aandacht trok.

   ‘Wat is er Fikkie,’ vroeg hij wat geïrriteerd terwijl hij de grommende hond naar zich toe trok en toen pas de schoen ontdekte die in het gras lag. Het was een vrij nieuwe, half hoge leren schoen, van het type dat bergwandelaars graag aan hun voeten hebben.

   ‘Verrek wat heb je nu gevonden. Wat doet zo’n schoen nu hier,’ mompelde hij verbaasd, terwijl hij er voor oppaste om de schoen aan te raken. Van wie kan zo’n prachtige, duur uitziende herenschoen zijn, vroeg hij zich inmiddels af. En wie laat er nou zomaar zijn dure schoen in het gras liggen. Of zou die schoen soms aan een van die criminelen toebehoren waarvan men heeft gezegd dat die lieden, juist voor aankomst van de politie, hem waren gesmeerd.

   Hij keek eens om zich heen, maar er was niemand te zien.

   Omdat het inmiddels reeds aardig lichter begon te worden, maakte hij met zijn mobieltje een drietal foto’s van de schoen. ‘Stuur ze wel naar het alarmnummer. Hebben die wouten straks wat anders te doen dan bekeuringen voor te hard rijden uitschrijven en koffie te lurken,’ mompelde hij.

   Vervolgens liep hij in gedachten verzonken met de nog altijd grommende hond de dijk af, richting het plein voor het kerkhof waar hij enige onverwachte bedrijvigheid waarnam. Er stond een vrij nieuwe in legerkleur groen gespoten grote bestelauto met geblindeerde zijruiten naast het hek van het kerkhof geparkeerd. Een der achterportieren van de auto stond open, terwijl een omstreeks vijfendertig jarige man met gemillimeterd haar, gekleed in een vale blauwe jeanspantalon, lichtblauw met wit geruit overhemd en een donkerbruin lerenjasje juist uitstapte.

   Terwijl de man zich bukte om even wat uit de auto te pakken, was onder het openstaande lerenjasje, de lichtbruine kleur van een schouderholster te zien waarin een zwart pistool bleek te zitten.

   De man zei niets tegen de naderbij komende Frank Bonte, doch bukte zich opnieuw even naar binnen om kennelijk iets te pakken en vermoedelijk iets tegen de nog in de auto zittende collega te zeggen die blijkbaar zat te bellen.

   Frank liep voorbij en wierp in het voorbijgaan even een blik op het kentekennummer van de auto. Een vreemd nieuw nummer was het, zag hij. Er stond onderaan de rechterkant van het achterste nummerbord een heel klein gekleurd blauwplaatje met enkele vreemde initialen. Geen gewone alledaagse politieauto, dacht Frank. Het lijkt me eerder een soort van militair voertuig te zijn. Vreemd…, wat moeten die mannen nu hier nu nog doen, dacht hij terwijl hij zijn tuinpad opliep en nog even een blik op de auto wierp. Hij zag nog juist dat twee mannen met blijkbaar zware telescopische apparatuur wat met zwart zeil was omgeven, naar het midden van het kerkhof sjouwden. Dat gebeurde precies op het moment dat er een tweede niet herkenbare officiële personenauto en een gewone als zodanig herkenbare politieauto aan kwamen rijden en naast de andere auto plaatsnamen.  Enkele mannen stonden even later voor het inmiddels wijd openstaande hek met elkaar te praten. Vervolgens reed de grote bestelauto achteruit naar het middenpad van het kerkhof. De auto kon op enkele centimeters na, precies tussen de opengeklapte hekken verdwijnen en naar het middenterrein rijden.

   Frank stond de operatie met stijgende verbazing vanuit zijn tuin gade te slaan. Terwijl hij de achteruitrijdende auto stond na te kijken kwamen er nog twee auto’s aanrijden.

   ‘Verrek…, nog eentje en ook nog een auto met een stel straatwouten,’ zei hij hardop tegen een overbuurman die juist in zijn auto stapte om naar zijn werk te gaan.

   ‘Ja het lijkt er wel op, Frank,’ antwoordde de man glimlachend terwijl hij even achterom naar het kerkhof keek en vervolgens instapte en wegreed.

   Frank bleef even op de hoek van de straat staan kijken naar hetgeen zich bij het kerkhof afspeelde, alvorens hij zich omdraaide en zijn tuinpad opliep.

   Zijn buurvrouw Annette kwam met een rood gelaat haar huis uitstormen. Ze gooide met een niet echt noodzakelijke klap haar voordeur dicht en keek op toen Frank haar aansprak.  

   ‘Er gaat kennelijk weer wat spannends gebeuren op dat kerkhof, Annette’ zei Frank tegen zijn duidelijk enigszins overspannen ogende buurvrouw.

   ‘O ja, nou het zal mij eerlijk gezegd een zorg zijn, zolang ik er maar geen last van heb. Maar sorry, Frank dat ik wat kortaf ben,’ zei ze terwijl ze rap in haar auto stapte. ‘Ik heb me verdomme verslapen. Juist nu ik een directievergadering van ons bedrijf moet notuleren. Ik moet me nu enorm haasten om op tijd op mijn werk te komen,’  Ze reageerde wat korzelig, terwijl ze op de bestuurdersstoel neerplofte, ook het autoportier vervolgens onnodig hard dichtsloeg en veel te snel wegreed.

   ‘Moet je toch maar eens een goede wekker kopen, schat,’ antwoordde Frank glimlachend terwijl hij haar in de wegscheurende auto groette door zijn hand op te steken om daarna met Fikkie naar binnen te stappen.

   Terwijl Frank even later, na het nuttigen van een kop thee en een boterham met spek in zijn bestelbus met aangekoppelde aanhangwagen richting Eindhoven vertrok, waren er vier mannen op het kerkhof bezig om met merkwaardige apparatuur de grond rond enkele graven te scannen. Hun werk richtte zich voornamelijk op het terrein rond de grote, met sculpturen omringde tombe, welke op het middenterrein stond. Dat was de plek waar Frank Bonte die bewuste avond dat hij met Fikkie zijn opwachting bij de oostelijke muur van het kerkhof maakte, op zijn tenen staande en over de muur kijkende, dat vreemde lichtje zag flakkeren en vervolgens dat vreemde, onaangename gevoel in zijn lijf kreeg...

   Wie die mannen waren die daar met die apparatuur bezig waren, alsmede de vraag van wie ze de opdracht hadden gekregen om op bepaalde plekken de grond af te tasten, bleef voor enkele inmiddels toegestroomde belangstellenden een raadsel.

   ‘Jaap Goossens, een twee en twintig jarige boerenzoon die samen met zijn drie en zestigjarige vader in een oude  boerderij aan de rivierdijk woonde, een knul die altijd opvallend goed geïnformeerd bleek te zijn over het - wel en wee - van het dorp, stond met een verheerlijkt gezicht naar de werkzaamheden te kijken. Het was een merkwaardige knul, die Jaap. Soms een drammer maar vaak ook een man die snel onverwachte werkzaamheden op de juiste waarde kon beoordelen. Jaap tuurde nog wat, bekeek op afstand de apparatuur die men gebruikte en uitte vervolgens opeens de woorden die, zoals later zou blijken, inderdaad hout sneden.

   ‘Zouden die gasten op dat kerkhof soms een radarscan van iets wat in de grond ligt maken,’ vroeg hij zich hardop af terwijl hij om zich heen keek of zijn woorden indruk maakten. ‘Volgens mij is die grote bestelauto een zogenaamd radarvoertuig van het leger.’

     Slechts enkele mannen keken hem zwijgend een moment aan.

   ‘Ja, dat zou kunnen. Maar wat zouden ze dan zoeken,’ vroeg een andere belangstellende dorpsbewoner zich af. ‘Want, wat is hier nu te vinden. Alleen oude botten en misschien een paar verloren gegane ringen, meer niet.’

   ‘Ja maar aan de andere kant hebben zich hier de afgelopen weken toch wel heel vreemde zaken afgespeeld.’

   ‘Hoezo vreemde zaken. Waar praat je dan eigenlijk over,’ vroeg een wat oudere, dik ingepakte dame, met een rode muts op haar hoofd die mevrouw Korst werd genoemd. Dat was niet haar werkelijke naam, doch een bijnaam die ze in de loop der jaren had gekregen doordat ze altijd rond de middag broodkorsten voor haar woning op straat gooide. Dit overigens ter genot van veel vogels en knaagdieren en ter ergernis van haar omwonenden.

   ‘En van wie, of wat, heb je die informatie eigenlijk. Vertel me dat maar eens. Want ik woon hier ook en weet echt niet waar je het over hebt.’

   Jaap Goossens wangen begonnen te gloeien van opwinding. Hij voelde zich opeens heel belangrijk nu er verschillende ogen op hem werden gericht en men hem verwachtingsvol aankeek. Hij voelde zichzelf opeens niet meer het ''domme boerke uit de polder.'' Kennelijk zagen enkele dorpsbewoners hem in deze mysterieuze kwestie opeens voor vol aan.

   ‘Nou ja…, ik bedoel natuurlijk, hetgeen er zich een aantal dagen geleden ’s avonds in het donker hier op dat kerkhof afspeelde.’

   ‘O ja,’ antwoordde mevrouw Korst met krakende schorre stem. ‘Wat gebeurde er hier dan voor bijzonders?’

   ‘Weet u dat dan echt niet’

   ‘Nee, anders zou ik het niet vragen, toch…’

   ‘Maar u hoort toch ook wel eens wat en u leest toch ook wel de krant of de berichten op de televisie.’

   ‘Ja…, soms wel. Maar dit is me ontgaan. En ik heb al vroeg de gordijnen in de woonkamer dicht met dit winterse weer. Dus zie ik ook niet altijd wie, of wat, er door de straat aankomt.’

   Jaap keek eens om zich heen en bemerkte dat hij  van alle aanwezigen inmiddels de volle aandacht had. ‘Nou, ik heb horen vertellen dat men hier drugs heeft verhandeld. En dat er zelfs iemand is gearresteerd. Maar sorry mensen, meer weet ik er ook niet van.’

   ‘En wie is die bron dan wel die je dat heeft verteld,’ vroeg een oude man die naast hem stond te kijken op nogal cynische toon.

   ‘Sorry mensen, maar dat kan ik niet vertellen. Maar ik heb het gisterenavond van iemand in het café gehoord. Van een persoon die ik overigens niet ken, maar die me heel betrouwbaar overkwam.’

   ‘Ach man hou toch je mond, en klets toch niet altijd van die zwamverhalen,’ reageerde mevrouw Korst vinnig, terwijl ze zich van de verteller afwendde.

  Zonder dat men het in de gaten had was er inmiddels een vreemde man bij het kleine groepje belangstellenden aangesloten. Bij nader inzien bleek het een der mannen te zijn die zojuist met een zwaar apparaat het kerkhof op was gelopen.

   ‘Meneer, u moet niet zomaar verhalen aannemen die door onbekenden in een café worden verteld.’

   ‘Ik, ik…, wie bent u eigenlijk,’ vroeg Jaap enigszins geschrokken aan de man die hem zo plotseling aansprak.

   ‘Wie ik ben gaat u niet aan meneer. Wel wil ik u vertellen dat ik een opsporingsambtenaar ben die voor de landelijke overheid werkt. Meer hoeft u niet te weten.’  De man wendde zich vervolgens tot het groepje belangstellenden die voor het hek van het kerkhof stonden. ‘Tevens zou ik u allen willen voorstellen hier nu te vertrekken. Er valt hier verder niets bijzonders te horen of te zien. Het is hier koud, dus ik zou zeggen; ga lekker naar uw warme woning terug.’

   Een tweetal vrouwen volgden dit verzoek op, de rest van de aanwezigen bleef echter voor het hek, maar achter het rode lint staan.

   ‘Bent u soms van de Marechaussee,’ vroeg mevrouw Korst nieuwsgierig aan de man die inmiddels aanstalten maakte om naar een van de geparkeerde auto’s te lopen.

   ‘Mevrouw,’ begon de man op vriendelijke maar duidelijke toon. ‘Wat u mag weten heb ik zojuist reeds medegedeeld. Meer heb ik u niet te zeggen.’

   ‘Nou fijn hoor. Daar schieten we weinig mee op. En met zo een antwoord blijven de verhalen over dit kerkhof maar opborrelen. Maar goed hoor, als je niet wilt of kunt praten, dan zeg ik maar houdoe…, ik ga dan wel naar huis,’ reageerde mevrouw Korst kribbig, waarna ze, net als een viertal andere nieuwsgierigen, met een onbevredigd gevoel in haar hoofd naar huis terug liep.  

   Alleen Jaap Goossens bleef met zijn fiets bij het hek van het kerkhof staan. Bij hem brandde in zijn lijf het vertrouwen om daar te blijven staan, zodat hij in elk geval als eerste een eventueel nieuwtje ter oren zou krijgen. Jaap had die ochtend immers niets te doen en had derhalve tijd zat. En zich laten wegsturen, ze bekijken het maar, dacht hij. Daar trapte hij niet in. De straat was immers van iedereen. Trouwens, wie weet wat er alsnog voor interessants werd gevonden dacht hij. Hij stampte even met de voeten op de grond om zijn inmiddels steenkoude voeten op te warmen. Ik had een paar laarzen aan moeten trekken schoot het door zijn gedachten. Nu sta ik verdomme op een paar open pantoffelslippers kou te lijden.

   Jaap staarde voor zich uit naar hetgeen een eindje voor hem op dat kerkhof plaatsvond, terwijl zijn gedachten inmiddels al bij een ander pleziertje zaten. Toch verdomd goed dat ik hier naartoe kwam, dacht hij. Vooral ook te denken aan de geweldige verhalen die ik daarover vanavond kan afsteken gedurende de sjoelavond in het café, schoot het door zijn gedachten. Het zal mijn populairiteit ten goede komen en me zeker twee of drie rondjes opleveren, dacht hij vervolgens terwijl hij de kraag van zijn jack wat hoger dichttrok.

Vervolg kunt u lezen in deel 18: http://tallsay.com/page/4295001443/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-18

©  Leonardo

29/11/2019 00:31

Reacties (4) 

1
30/11/2019 21:51
Super! toch nog de tijd gevonden om ons wat eerder op een vervolg te trakteren...en wat voor één...het wordt steeds spannender.
1
03/12/2019 17:12
Ja, gelukkig kregen we onverwachte hulp van mensen uit het dorp om ons bij te staan. Dat scheelde heel veel tijd, moeite en pijn in de rug. Met name om de torendaken te repareren...
1
29/11/2019 01:27
Ha, het is dus toch nog voor de kerst gelukt. Mooi!
Dit wordt echt een steengoed verhaal, en spannend ook.
Heb je alles al gerepareerd aan en in je burcht? Jammer van de vernielde bomen!
Ik hoop toch dat je tegen storm- en waterschade verzekerd bent!
2
29/11/2019 01:53
We hebben de dakschade gerepareerd. Met de natuur om ons heen is het wat anders.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert