Het mysterie der zwarte gestalten 15.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 14:  http://tallsay.com/page/4295001176/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-14

           ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

                                                                 15.

 

Een van de twee gevangengenomen mannen stond in zijn nakie naast de brug over de slotgracht. Ze hadden hem geen prop in de mond gedrukt omdat hij moest kunnen ademen gedurende zijn watermarathon.  Eigenlijk drong het pas tot hem door wat er zou gaan gebeuren, toen hij geheel ontkleed, met een stevig touw om zijn middel, naar het water werd geleid. Plotseling brak zijn verzet. Er blonk een gruwelijke angst in zijn ogen, maar op de vraag of hij nu zou willen praten of er voor koos een rondje om het fort te gaan zwemmen, brak er weer een hevig gegil en een scheldkanonnade los.

  ‘Goed, jongen,’ zei nummer vier. ‘Ons geduld is op. Uiteindelijk krijgen we toch wel de inlichtingen die wij willen hebben, al zal dat dan misschien niet uit jullie monden komen. Maar het water gaan jullie in als jullie niet snel gaan praten. En hoe jullie er uit gaan komen dat is maar de vraag, niet waar. Maar dat kun je nu nog zelf bepalen, maar dan wel heel erg snel.’

   ‘Vuile zwijnen,’ gilde de man met het baardje. ‘De ijscoman zal jullie wel vinden en jullie vervolgens op een gruwelijke wijze met jullie afrekenen.’

   ‘Ach, hoor nu eens... Dus de ijscoman zou jullie leider zijn. Interessant zeg.’

   ‘Ik heb het nu vertelt. Dus maak me los vuile klootzak.’

   ‘Ja weet je. Ik ben nu eenmaal wat wantrouwig ten aanzien van inlichtingen die uitsluitend bestaan uit slechts een enkele naam. En al helemaal uit de naam van een man die door de gehele Europese politiemacht wordt gezocht. Dus, vertel me liever eerst maar wat meer, voordat ik je bij het water weghaal,’ redeneerde nummer vier.

   ‘Wat wil je dan weten, klootzak.’

   ‘Allereerst zou ik willen dat je met wat meer respect tegen me spreekt. Want anders zou mijn voet zomaar uitkunnen schieten, met alle nare gevolgen voor jou, van dien.’

   ‘Vuile rotzak,’

   ‘Zo is het genoeg,’ antwoordde nummer vier terwijl hij de man met het baardje een forse duw gaf waardoor deze naast de brugpijlers in het water viel. Er staat in die gracht ruim anderhalve meter water en een aanzienlijke modderbodem. De man ging kopje onder en kwam toen spartelend, gillend en vloekend weer bovenwater. Nummer vier liet de lijn wat vieren zodat de in het water liggende man zelf naar de kant kon komen, maar hij hielp hem niet met het uit het water komen.

   ‘Lekker zo’n vroege ochtend bad, vind je ook niet?’ vroeg hij aan de hijgend op de grond liggende man. ‘En je bent een prima zwemmer heb ik gezien, ondanks de wat lage temperatuur van het zwembadwater.’

   De man die op de grond lag uitgestrekt gorgelde en spuugde slijm en vuil water uit. Vervolgens begon hij vreselijk te rillen.

   ‘Nou…, komt er nog wat van. Sta op en vertel ons eerlijk wat wij willen weten. Zo niet, dan donder ik je weer in het water, maar dan met een blok beton om je middel. Dan kun het verder schudden. En denk niet dat er hier in de Wijtse omtrek iemand is die je geschreeuw hoort. Er is er geen mens te vinden die je om hulp kan roepen. Je lijf is dan gewoon voer voor de vissen in de gracht.’

    Er blonk nu doodsangst in zijn ogen.  ‘Wat willen jullie precies weten,’ vroeg de hevig rillende man.

   ‘Goed zo. Nu zijn we op het punt gekomen dat we je zullen helpen met warme kleren. Het is overigens je eigen schuld dat je het zo ver hebt laten komen. Maar luister goed. Je maat wordt straks op de zelfde wijze met onze methode tot spreken geconfronteerd. Als blijkt dat een van jullie heeft zitten liegen, of als jullie verslagen niet met elkaar overeenkomen, dan wacht de koude gracht opnieuw voor degene die heeft gelogen of waarvan het geheugen wat moeizaam valt op te halen.’

   Op dat moment kwam nummer twee aanlopen met een dikke legerdeken die hij de naakte man omsloeg. ‘Kom maar mee naar binnen,’ zei hij tegen de rillende man terwijl hij het touw van nummer vier overnam. ‘Geen pogingen wagen om weg te komen, want anders wacht opnieuw de gracht, begrepen…’

   De man met het baardje rilde en knikte vervolgens gedwee. Hij boog zijn hoofd, en sloeg de ogen neer toen nummer twee hem naar zijn cel bracht, zijn kleren naast hem neerlegde en vervolgens een tweede deken op het bed neerlegde. ‘Over een uur ben je aangekleed en gereed om onze vragen te beantwoorden. Je maat gaat nu, als hij zich heeft uitgekleed,  met mij mee.’

   De tweede terrorist was meegaander dan de man met het baardje. Enigszins in verlegenheid gebracht ontdeed hij zich van zijn kleding. Nummer twee beval hem schuin met de armen gespreid naar voren tegen de muur te gaan staan alvorens hen het touw om het middel vast te maken en zijn ketting los te maken. ‘Kom met me mee,’ zei hij. ‘Dan mag je bij het water vertellen of je ons inlichtingen wil verschaffen of niet. Maar ik zou je willen adviseren om niet tegen ons te liegen, want het water wacht op leugenaars. En hoe je er dan uit zal zien heb je zojuist kunnen waarnemen bij je collega. Dus het ligt aan jezelf of je in het water zal belanden.’

   Toen ze buiten kwamen stond nummer vier reeds glimlachend bij de brug te wachten.  Hij schoot zijn sigarettenpeukje in het water en vroeg vervolgens aan de nieuw aangekomen gevangene of hij een zwemdiploma had.

   ‘Ik ben bang voor water,’ murmelde de man. ‘Maar ik zal wel praten als ik niet het water in hoef. Maar alleen als mijn maat er niet bij is.’

   ‘Heel goed, jongen,’ antwoordde nummer twee terwijl hij nummer vier even aankeek.  Dan mag jij mee terug naar binnen. Maar we zetten je in een andere ruimte zodat je niet met je maat kan overleggen.’

   Vervolgens werd de man meegenomen naar een enigszins verwarmde ruimte waar hij een deken kreeg uitgereikt en met de rechterenkel middels een dunne ketting aan een metalen bed werd vastgezet.

   ‘Je kleren krijg je zo direct terug,’ zei nummer twee waarna hij de ruimte uitliep en de deur met een buitengrendel afsloot.

   ‘Wat denk je,’ vroeg hij vervolgens aan nummer vier. ‘Zullen ze liegen of toch de waarheid vertellen.’

   ‘Ik denk de waarheid. Die gracht vergeten ze nooit meer. Die staat in hun geheugen gegrift. Zeker bij die valse baardaap.’

   ‘Nou, ben benieuwd.  Laten we maar straks met verhoor beginnen in afwachting van nummer een.’

   ‘Ben ik met je eens. Ben benieuwd wat dat zal opleveren.’

 

Het werd een druilige ochtend. Motregen druppelde uit de grauwe hemel. Een typische Hollandse herfstdag, zouden de meeste mensen zeggen. Het was druk op de baan van Amsterdam naar Eindhoven. De digitale klok op het dashboard gaf twee minuten voor elf aan. De verkeersinformatie in de auto meldde een file, richting Eindhoven, op de ring rond Utrecht. Kennelijk als gevolg van een aanrijding was daardoor een der drie banen op de drukke A2 afgesloten. Nummer een was in een tevreden humeur. Hij had zojuist een belangrijke order voor zijn bedrijf binnengehaald. Een opdracht voor de beveiliging van een modern kantoorgebouw. Een miljoenen order die - zoals hij het altijd plagt te zeggen - de schoorsteen laat blijven roken… 

  Hij naderde de file, drukte de knop van de radio op Omroep Midden - Nederland en constateerde dat de nieuwslezer was juist bezig met het oplezen van het belangrijkste korte ochtendnieuws. 

  Er was weer een man neergeschoten in Amsterdam. Ditmaal terwijl de beschoten persoon een snackbar binnen wilde stappen. Het slachtoffer was volgens de kranten een bekende van de politie. Een belangrijke drugsbaron. Een man die zijn uiteindelijk wortels in de Utrechtse wijk Overschie had liggen maar vooral in Marokko en in Nederland in het milieu actief was. Het was weliswaar een Nederlander, maar wel een met een Nederlandse en Marokkaanse identiteit.

  Volgens de nieuwslezer zou er in de dagbladen niet in brede zin om de dood van het slachtoffer worden getreurd, gezien het feit dat deze zelf ook reeds enkele liquidaties van concurrenten op zijn conto had staan en beslist niet de reputatie had een fatsoenlijke doorsnee burger te zijn.

  ‘Dat gaat goed,’ gromde nummer een terwijl hij inmiddels rond Utrecht in de vermeldde lange file op de A2 aansloot, terwijl hij ondertussen middels de autoradio, het nieuws over de criminele afrekening hoorde.

  ‘Weer een smerig stuk tuig dat wij van ons prioriteiten lijstje kunnen schrappen. Laten ze zich zelf maar uitroeien. Dat spaart ons veel werk,’ mompelde hij terwijl hij om zich heen keek of er al wat vooruitgang in de file zat.

  Hij was de gehele dag al op pad voor zijn bedrijf dat zich bezig houdt met beveiliging van bedrijfspanden. Tot en met een half uur geleden was er geen sprake van oponthoud op de baan, maar nu was opeens raak. Maar hij had geleerd zich bij het onvermijdelijke neer te leggen en zich niet op te winden als er niet direct een uitweg in een rampzalige situatie voorhanden was. 

   Hij zette de autoradio vervolgens op de informatie zender en stak een sigaret op.

   ‘Nondesju, wat is het hier altijd gruwelijk druk,’ mompelde hij. Hij keek even naar links terwijl hij opmerkte dat de meest linkerrijstrook weer voorzichtig in beweging kwam.  

   De zon liet zich opeens even tussen de dikke wolken van de iets brekende grauwe lucht, voorzichtig zien.

   Hij trok de zonneklep naar beneden.

   Zijn baan stond nog steeds stil.

   Opeens passeerde er op de meest linkerbaan een dure donker gekleurde BMW met rookkleurige ruiten. De zon bescheen de auto waardoor de personen in de auto, ondanks de rookkleurige ruiten, toch even goed zichtbaar waren.

   Er zaten twee mannen achterin in de auto en twee mannen voorin. Mannen met een opgeschoren donkere haardos. Veertigers zo aan de koppen te zien, schoot het door de gedachten van nummer een. Ze waren kennelijk druk met elkaar in gesprek, gezien de handgebaren. De man die aan rechts achterin zat keek opeens even naar rechts, zodat nummer een kort moment zijn gelaat kon bekijken, waarna hij schrok van de herkenning.

   ‘Het zal verdomme niet waar zijn,’ mompelde hij, terwijl zijn blik op de heel langzaam voorbij schuivende auto bleef hangen en zijn rechterhand in zijn colbertje naar zijn mobieltje zocht. ’Hoe is het verdomme mogelijk,’ mompelde hij vervolgens verbaasd. ‘Ons wordt zomaar een kostbaar cadeautje gepresenteerd.’ Hij liet zich wat onderuit zakken op zijn stoel, pakte zijn mobieltje vanuit zijn rechterhand in de linkerhand  en maakte vervolgens voorzichtig een drietal foto’s van de passerende auto. Toen die was gepasseerd schreef hij voor de zekerheid het kentekennummer op de achterkant van zijn sigarettenpakje. Vervolgens richtte hij zich weer wat op en leunde iets naar voren om de inschakeltoets van de satcom telefoon in te drukken.

   Er klonk wat atmosferisch geruis.

   Toen het schermpje na enkel seconden oplichtte drukte hij op de C toets om een verbinding tot stand te brengen. Enkele seconden later ging ergens op deze planeet een telefoonsignaal zich activeren. Er werd na een goede tien seconden opgenomen.

   ‘Waar zit je op dit moment,’ vroeg hij, zonder zich te melden, aan de persoon waarmee hij contact had.

   ‘Op kantoor,’ was het antwoord.

   ‘Blijf daar dan totdat ik arriveer. Ik moet even met jou en met vier overleggen.’

   Het bleef even stil. Er was opnieuw wat atmosferisch gekraak te horen in de verbinding waarna het geluid na zo’n vier seconden opeens weer glashelder was. 

   ‘Is het zo dringend?  Je weet dat ik een afspraak heb rond vijf uur.’

   ‘Ja, dat weet ik. Maar ik zal het kort houden. We moeten alleen even een paar afspraken maken en wat data plannen.’

   ‘Ik begrijp het.’

   ‘Dat hoop ik dan maar. Want waar het om gaat is uiterst belangrijk.

   ‘Daar ga ik vanuit. Anders zou je me niet bellen.’

   ‘Precies.’

   ‘Dus wat is er zo belangrijk.’

   ‘Ik denk dat je dat niet wilt geloven want ik kan het zelf nauwelijks geloven. Maar ik heb zojuist de ijscoman gezien.’

   ‘Ach ga weg…  Dat bestaat toch niet. Hier in Nederland...?’

   ‘Ja echt waar. Ik vergis me absoluut niet. Hij reed langs me heen in de file op de A2. Op de derde baan, in een dikke BMW. Ik heb het kenteken van de auto en kon nog net twee foto’s maken. Met wat geluk staat hij daar enigszins herkenbaar op.’

   Er viel even een korte stilte in de conversatie.

   ‘Grote goedheid., hoe is het mogelijk. Die vent heeft wel ongelooflijk veel lef moet ik zeggen.’

   ‘Ja dat dacht ik ook toen ik hem herkende. En dat terwijl de politie van zowat heel Europa naar hem op zoek is.’

   ‘Ongelooflijk. Was hij trouwens alleen?’

   ‘Nee, uiteraard niet. Er zat een andere vent aan het stuur, met een nors kijkende vermoedelijke bodygard naast hem.  Terwijl ik de indruk had dat er achterin naast de ijscoman nog iemand zat. Iemand waarmee hij in gesprek was. De auto had weliswaar rookglas ruiten, maar met de zon op de zijkant, waren de personen toch heel even redelijk goed herkenbaar.

   ‘Dat was dan helemaal geluk hebben.’

   ‘Ja zeg dat wel. Ik herkende hem overigens gelijk aan die vreemde grote moedervlek op zijn rechterwang. ’

   ‘Niet te geloven dat hij die nog steeds niet heeft laten wegmaken. Zo loopt hij toch in de kijkerd, dat blijkt nu maar weer.  Maar goed, ik wacht op je bij het kantoor. Tot straks.’  Daarop werd de verbinding verbroken.

  

De ijscoman was de bijnaam voor Ali-al-Marcous, de meest gezocht crimineel in Europa. Deze man, met Noord-Afrikaanse wortels was verantwoordelijk voor minstens drie liquidatieopdrachten in Nederland. Hij stond aan het hoofd van een zeer goed georganiseerde criminele organisatie die verantwoordelijk was voor meer dan dertig procent van alle cocaïnetransporten vanuit Zuid-Amerika naar Europa. Van de bende waren reeds enkele kleine boeven gepakt en veroordeeld, maar de grote mannen bleven uit het zicht, en uit de handen der Europese wetsdienaars. De ijscoman had geen vaste woon of verblijfplaats. Hij verbleef dan weer hier en dan weer daar, en zwierf vooral rond in de landen die rond de Middellandse Zee waren gelegen. De man was slim en hondsbrutaal. Hij stond zelf niet eens te boek als een moordlustig crimineel, maar als een intelligente organisator en leider.

   Hij was een strateeg.

   Hij zette de lijnen uit in het macabere spel dat hij speelde.

   Tevens was hij een handelsman. Maar dan wel in duistere criminele zaken, waarbij met name zijn meedogenloosheid ten aanzien van de concurrentie die hem dwars zat opzienbarend was.

   Deze man werd gevreesd in het milieu.   

   Met kille meedogenloosheid jegens afnemers die hem trachtten te belazeren, of medewerkers die het zelfde hadden getracht te doen, had hij zijn naam in het milieu gevestigd. Met deze lieden werd koelbloedig afgerekend.

   De ijscoman was daarbij overigens geen fanatieke religieuze moslim. Eigenlijk verre van dat, ook al stond hij wel als sympathisant bekend met betrekking tot de ideeën van de IS. Hij was daarentegen een man die vooral een neus had voor geld en voor snel zaken doen als hem dat zo uitkwam. Maar dan wel op zijn manier en op basis van de door hem gestelde regels.

   Ooit was hij in Rotterdam als klein Marokkaans jongetje, begonnen wiet te verkopen aan schoolkinderen. Daarmee verdiende hij zijn eerste kapitaaltje waarna hij langzaamaan, eigenlijk als vanzelf, in het grotere werk terecht kwam. 

   Het vergaren van zijn eerste miljoen euro was het moeilijkste en het gevaarlijkste in zijn criminele carrière geweest tot nu toe. Maar toen hij dat bedrag eenmaal bijeen had, verliep zijn leven als dat van een surfer die juichend de top van een surfgolf berijdt.  

   Maar ook dit leven in luxe heeft zo zijn voor en zijn nadelen.

   Het belangrijkste is wel dat door je bekendheid, de concurrentie  en de politie je stevig in de gaten houden. Met het gevolg dat je niet meer zomaar in je eentje op straat kunt lopen, noch zomaar een horecaonderneming kan bezoeken of een hotelkamer gebruiken. En…, de Europese overheden houden je ook financieel scherp in de gaten, met het gevolg dat het vestigen van je domicilie in welk Europees land dan ook, heel grote risico’s met zich meebrengt. Om nog maar niet te spreken over het feit dan zijn naam inmiddels hoog op een lijst staat van een onbekende groep mannen die hem als het meest ultieme doelwit beschouwen…  

   Nummer een bleef rustig achter het stuur zittend, de langzaam voor hem wegrijdende BMW nakijken.  Geen sprake van dat hij iets kon ondernemen in deze langzaam voortschuivende file.  Daarbij waren ze uiteindelijk geen politie. Het was derhalve absoluut onmogelijk om zomaar, op klaarlichte dag, in je eentje tot enige vorm van actie over te gaan.

   ‘We krijgen jou echt wel te pakken, jongen,’ mompelde nummer een. ‘Tenminste, als je hier in de Benelux verblijft,’ gromde hij terwijl er opeens wat schot in de rijen auto’s leek te komen.

   Van de BMW was inmiddels geen spoor meer te bekennen.

  ‘Maar jou aanwezigheid in Nederland, zorgt er wel voor dat wij op heel korte termijn ons actieplan moeten aanpassen,’ mompelde nummer een terwijl hij het klaverblad Oudenrijn naderde. ‘Ik ben daarbij benieuwd wat die twee rakkers die we hebben opgepakt, ons te vertellen hebben.’

Wordt vervolgd...

©  Leonardo

06/11/2019 00:45

Reacties (3) 

09/11/2019 17:52
blijft spannend
06/11/2019 18:53
Wederom een heerlijk vlot geschreven hoofdstuk en de spanning blijft. Heel graag gelezen!
06/11/2019 11:14
Wat een toepasselijke naam: Ijscoman ;-)
Eigenlijk had Nr.1 zo'n James Bond-auto moeten hebben, met naar opzij uitschuifbare draaiende messen.
Er zit een goede opbouw in het verhaal, dat er ook voor zorgt dat de spanning blijft doorlopen terwijl het observatieveld steeds groter wordt. Ga zo door!
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert