Het mysterie der zwarte gestalten 13.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 12:  http://tallsay.com/page/4295001125/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-12

              ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

                                                                  13.

 

De politieauto die met vliegende vaart bij het kerkhof aan kwam rijden stond nog niet eens helemaal stil of een der agenten was reeds uit de auto gesprongen. De man had zijn pistool tevoorschijn gehaald en ging uit het licht der koplampen, achter de auto staan wachten op de bestuurder. Dat bleek een blonde dame te zijn met een lange, over de schouders afhangende paardenstaart. Terwijl ze zich achter de auto hadden opgesteld en contact hadden gemaakt met hun bureau, hoorden ze nog net hoe nummer een zich over de muur wurmde. Het schraap en gekras van zijn leren laarzen was duidelijk bij het toegangshek van het kerkhof waarneembaar.

   ‘Er smeert een persoon over die muur,’ rapporteerde de mannelijke agent die Frits bleek te heten tegen zijn vrouwelijke collega van het hoofdbureau van politie waarmee hij in verbinding stond. ‘Kom,’ zei hij vervolgens tegen zijn vrouwelijke collega. ‘laten we maar eens rap gaan kijken wat er aan de hand is en waar dat vermeende schieten allemaal om handelt.’

   Vervolgens liepen ze uit het licht van de autolampen naar de grote tombe van de laatste heer van Groenenstein. Hier was, buiten verschillende voetstappen in het gras en het omgewoelde grind, zo op het eerste gezicht niets bijzonders waar te nemen. De twee agenten bekeken de tombe en de grond in het licht van hun zaklantaarns, maar vonden niets dat hun belangstelling kon opwekken.

   ‘Wat denk jij, Frits. Moet een van ons de auto vatten en proberen die persoon te achterhalen die over die muur is verdwenen.’

   ‘Lijkt mij zinloos, Elise. Dat wordt zoeken naar een naald in de hooiberg. Die persoon is allang ergens in het weiland, of tussen de woningen verdwenen.’

   ‘Ja, dat zit er dik in.’  

   Inmiddels was er een tweede politieauto gearriveerd met een tweetal mannelijke agenten er in. Grote ruw uitziende, enigszins onverschillige figuren, die zonder oog te hebben voor belangrijke details of aanwijzingen voor een misdrijf, zich bij hun collega’s bij de tombe voegden.

   ‘Wat is er eigenlijk aan de hand,’ vroeg een der nieuw aangekomen agenten.

   ‘Er schijnt hier volgens bellers geschoten te zijn. Althans, dat beweren een tweetal omwonenden.’

   ‘Maar geen slachtoffers, zie ik.’

   ‘Nee, geen mens meer te bekennen. Maar toen wij aankwamen rijden zag ik nog net in het licht van onze koplampen, iemand over die muur aan de kant van de rivierdijk klimmen,’ verklaarde agent Elise. ‘Maar ik kon niet zien of het een man dan wel een vrouw was.’

   ‘Jammer.’

   ‘Ja, maar zo gaat dat soms in het leven nietwaar,’ reageerde Elise wat kribbig op de opmerking van haar collega.

   Terwijl men met sterke zaklantaarns de grond inspecteerde viel niemand van de aanwezigen de kleine spettertjes bloed op, welke op sommige witte grindsteentjes vaag zichtbaar waren en die vervolgens onder hun voeten werden vertrapt.

   Uiteindelijk hadden ook verschillende dorpsbewoners zich voor de ingang van het kerkhof verzameld, met het doel de ontknoping van dit dorpsmysterie bij te wonen. Het ene wilde verhaal na het ander werd ondertussen tijdens het wachten bij het hek de wereld in geslingerd. Maar de nieuwsgierigen kwamen bedrogen uit. Niemand werd op de grond van het kerkhof toegelaten en relevante informatie, voor zover die voorhanden was, werd niet verstrekt. Niemand werd toto de als plaats delict omschreven grond toegelaten. Daar zorgde een der politieagenten voor, die pontificaal bij het toegangshek stond opgesteld en iedere nieuwsgierige bezoeker tegenhield. Vragen van omwonenden, met betrekking tot de opschudding, weigerde hij eenvoudig te beantwoordden. Trouwens: hij wist zelf niet eens wat er allemaal aan de hand was.

   Ondertussen was er een derde politieauto gearriveerd. Daaruit stapten twee in burgerkleding gestoken politiemannen die bij het toegangshek eerbiedig door de daar aanwezige agent werden begroet. De twee mannen trokken witte papieren kleding over hun overige kleding aan, staken hun handen in witte plastic handschoenen en betraden vervolgens het grind van het kerkhof.  De nieuw aangekomen mannen waren technische rechercheurs van het hoofdbureau van politie in Eindhoven bleek even later. 

   Bij aankomst van deze specialisten bij de graftombe ontstond er gelijk enig rumoer onder de daar aanwezige politieagenten.

   ‘Jezus, wat een kolere zooi hebben jullie er van gemaakt,’ oordeelde een der nieuw aangekomen politiemannen. ‘Hoe moeten wij hier nu nog wat van maken. Overal hebben jullie gelopen en de boel vertrapt zie ik.’

   De opmerking leidde tot enige ergernis bij de agenten die als eerste ter plaatse waren. ‘Ik weet niet of je dat op het bureau hebt mee gekregen,’ kankerde Elise, de vrouwelijke agent die als een der eerste de tombe had benaderd. ‘Maar naar het schijnt is er hier geschoten. En dan let je bij aankomst op de plaats van het misdrijf, niet direct waar je op loopt. Zeker niet als je het doel van je actie in het donker moet waarnemen en er ook op jou kan worden geschoten.’

   Reactie van de rechercheur bleef uit.

   Men stelde inmiddels een soort mobile lamp op een driepoot uit om in het gras en op het grind rond de graftombe voldoende licht te hebben.

   Het halve dorp was inmiddels uitgelopen en had zich bij de muur en rond toegangshek van het kerkhof verzameld. Frank Bonte stond wat achteraf te kijken samen met Jacob van Dam, de beheerder van het kerkhof.  ‘Ik ben hier naartoe gekomen omdat mijn zwager opbelde en mij vertelde dat er wat aan de hand was bij het kerkhof,’ zei Jacob. ‘Maar weet jij wat er nu precies aan de hand is.’

   ‘Men zegt dat er hier geschoten is.’

   ‘Wie vertelde dat aan jou, de politie, of een van onze andere nieuwsgierige medeburgers.’

   ‘Het schijnt echt waar te zijn. Ik hoorde dat zojuist vertellen door die agent bij het hek, maar meer liet hij niet los.’

   ‘Dan heeft iemand dat zeker gehoord of gezien en vervolgens de politie gebeld, denk je ook niet.’

   ‘In die gedachte ga ik met je mee, Jacob. Maar ik woon er uiteindelijk vlakbij en ik heb niets gehoord,’ mompelde Frank, terwijl hij zijn ogen op het licht van de politie gericht hield. ‘Maar ik moet er wel aan toevoegen dat ik naar een gezellig televisieprogramma zat te kijken wat mijn gedachten en aandacht vermoedelijk afleidde.’

   ‘Verrek, wie gaat er nu schieten op het kerkhof. En dan nog wel in het donker. En waarom is er geschoten en door wie dan wel, dat vraag ik me af. Trouwens; daar schijnt men nog niet achter te zijn gekomen heb ik begrepen.’

   ‘Zou het misschien een stroper kunnen zijn geweest.’

   ‘Uit ons dorp…, dat kan ik me nauwelijks voorstellen.’

   ‘Sommige dorpsgenoten zeggen ook dat er een gewonde is gevallen, maar waar is die persoon dan gebleven vraag ik me af. En hoe weten die mensen dat. Waar baseren ze hun verhaal op. Of is er misschien toch een dorpsgenoot die iets heeft gezien.’

   ‘Geen idee, Frank, al denk ik dat de politie dat ook graag zal willen weten, denk je zelf ook niet.’

   ‘Trouwens, wat voor tuig spookt hier tegenwoordig op dit kerkhof rond, vraag ik me af. En wat doen die vreemde lieden hier.’

   ‘Dat vraag ik me ook af. trouwens: zijn het wel vreemde lieden, of misschien toch gewoon dorpsbewoners.’

   ‘Ja…, daar zeg je me wat.’

   ‘Precies, daarom is het allemaal gissen en met de vinger wijzen wat we doen. Niemand weet iets wat relevant is. Iedereen suggereert zomaar wat.’

   ‘Ja je hebt gelijk. Dat doe ik nu uiteindelijk ook. Maar…, ga eens mee in mijn gedachte. Misschien is het wel de zelfde figuur geweest die mij toen een optater heeft verkocht, toen ik hier een paar dagen geleden, in het donder een kijkje wilde nemen.’

   ‘Daar heb je wel een punt mee, Frank. Dat zou zomaar kunnen. Wie zal het zeggen. Trouwens nu we het daar toch over hebben, heb je daar ook met die journalist over gesproken toen die vent bij je aanklopte.’

   ‘Echt niet… Ik kijk wel mooi uit. Hoe minder de pers over mij weet, hoe beter het is. Ik hoef niet zo nodig met naam en toenaam in de publiciteit te komen.’

   ‘Gelijk heb je. Levert op den duur alleen gezeik op. Je kunt je naam beter uit de publiciteit houden.’

    Ze zwegen even een minuut. Ieder verzonken in de eigen gedachten.

   ‘Nou…, een ding is voor mij nu wel zeker geworden,’ zei Frank op een gegeven moment. ‘Met dit kerkhof, en met name met die grote grijze graftombe, is absoluut iets bijzonders aan de hand.’

   ‘Ik denk dat je daar gelijk in hebt, Frank. Alleen; wat is er aan de hand. Wat gebeurt daar allemaal als het donker is. Dat zou ik wel eens willen weten.’ 

   ‘Ja…, jij niet alleen.’

   ‘En weet je. De pest van dit alles is dat er steeds wildere verhalen opduiken. Wie die onzin allemaal in de wereld brengt weet ik niet, maar er schijnt vooral in het café een beerput te staan waarvan het deksel is afgetrokken. Want verschillende verhalen die ik heb gehoord hebben daar, aan de bar, hun oorsprong.’

   ‘Laat de mensen tocht kletsen, Jacob. Ze moeten uiteindelijk toch ergens over praten. En wat is er niet mooier om over te zwammen, dan wel een verhaal te verzinnen over een mysterieus voorval op een oud kerkhof,’ zei Jacob glimlachend. 

   Hun stemmen zwegen weer toen er een tweetal politiemannen vanuit het kerkhof aan kwamen lopen en weer in hun auto plaatsnamen.

   ‘Mijn gevoel zegt me dat ze niets hebben kunnen ontdekken dat een langer verblijf op dit koude rot kerkhof noodzakelijk maakt, denk je ook niet.’

   ‘Ja inderdaad. Het lijkt er wel op. De troepen trekken zich reeds terug,’ grapte Jacob.

   Maar met die opmerking sloeg hij de bekende spreekwoordelijke plank mis. Want de overige politiemensen bleven met sterke lampen aan, naarstig naar iets zoeken dat vermoedelijk op de grond te vinden was. Wat dat was, lag in het duister beschreven, maar het moest iets zijn dat kennelijk op de grond, tussen het grind zou kunnen liggen. Want men harkte, onder het scherpe neerdalende licht van zaklantaarns, met twee man het grind met een klein harkje voorzichtig om.

   Pas na een goede twintig minuten zoeken, terwijl de meeste nieuwsgierigen reeds hun warme woning hadden opgezocht, hield een der rechercheurs triomfantelijk een klein voorwerp in zijn hand dat hij aan de andere aanwezige politiefunctionarissen liet zien.  

   ‘Men heeft kennelijk  iets relevants gevonden,’ opperde een nog aanwezige nieuwsgierige bij het hek tegen een tweetal andere personen.  ‘Maar wat is het, dat die agent in zijn hand houdt.’

   ‘Zal wel een kogelhuls zijn,’ opperde een der nog aanwezige nieuwsgierige kijkers.

   De persoon die als eerste de opmerking over een kogelhuls had gemaakt had het goed geraden. Maar pas veel later bleek, dat men zelfs een drietal kogelhulzen had gevonden.

   ‘Die meneer die ons vanavond opbelde heeft dus toch gelijk gehad,’ zei een der politieagenten bij de graftombe. ‘Want gezien het feit dat we nu drie verschillende kogelhulzen hebben gevonden kan dat schieten niet meer worden uitgesloten.’

   Rond half een die nacht, brak de politie het onderzoek af. Rond de graftombe was alles met rood witte linten afgezet. Alles was onderzocht, bekeken, gefotografeerd en opgemeten. Het verdere onderzoek naar wat daar op dat kerkhof bij die grote grijze graftombe van de laatste heer van Groenenstein had plaatsgevonden, zou op het hoofdkantoor in Eindhoven plaatsvinden. Hier, op dit kerkhof was men voorlopig klaar. Als het licht werd zou men hier wel verder een onderzoek instellen.

   Frank Bonte had de vondst van die kogelhulzen niet meer afgewacht. Hij was  rond een uur of elf naar huis gegaan, waarna hij met Fikkie aan de lijn, een rondje was gaan maken op de inmiddels donkere polderweg die door de achter het dorp liggende weilanden loopt. ‘Wat gebeurt er hier allemaal,’ mompelde hij op een gegeven moment terwijl hij de terugtocht naar het dorp inzette. ‘Wie of wat zit hier achter. En waar gaat dit eigenlijk allemaal om.’

Vragen waren er genoeg, maar het was nog altijd in het duister tasten voor wat betreft antwoorden.

Vervolg kunt u lezen in deel 14: http://tallsay.com/page/4295001176/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-14

© Leonardo

27/10/2019 17:14

Reacties (5) 

1
28/10/2019 08:27
blijft spannend
1
27/10/2019 18:19
De TR had kennelijk geen Luminol meegenomen: als je dat op het grind sproeit licht het aanwezige bloed blauw op in het donker. Maar dat kan ook de volgende nacht nog, als het redelijk droog blijft. Met een beetje geluk hebben ze dan ook meteen DNA te pakken.
Ben benieuwd naar het vervolg, maar dat ben ik natuurlijk elke keer...;-)
1
28/10/2019 14:59
Schrijver dezes wilde niet te diep op dit soort details ingaan. Anders moet ik het verhaal sterk inkorten en belangrijke, reeds geschreven passages en fragmenten weer laten vervallen. En er moet ook wat spanning en verwachting in het verhaal blijven zitten, vind je ook niet...
1
28/10/2019 16:44
Nee, dat begrijp ik ook. Ik redeneer teveel vanuit de praktijk. En natuurlijk moet het spannend blijven, maar dat is je wel toevertrouwd.
;-)
1
28/10/2019 16:46
Daarbij speelt de politie in dit verhaal niet een hoofdrol. Dat is mede een reden dat ik hun aanwezigheid in de voortgang van dit verhaal, minder accentueer.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert