Het Mysterie der zwarte gestalten 10.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 9: http://tallsay.com/page/4295001010/het-raadsel-der-zwarte-gestalten-9

               ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

                                                                      10

 

Die zelfde dag ergens in Midden-Nederland.

Het waaide die dag nogal in midden Nederland, terwijl een paar dikke wolken enkele flinke regenspetters lieten neerdalen op de weilanden en kale akkers. Ondanks de af en toe waarneembare flitsen zonlicht die tussen de verschuivende wolken doorbraken, was gewoon een gure late herfstdag.

   Op de met gras en onkruiden begroeide daken van een merkaardig, in het land gelegen en met een brede gracht omgeven groep gebouwen, zaten een flink aantal meeuwen. De wind ruiste door de toppen van de reeds vrijwel kale bomen die rond de gracht stonden. Hier heerste rust. Een sinistere, angstaanjagende rust zou je misschien kunnen zeggen.

   In de ruimte waarin vijf mannen rond een eenvoudige houtentafel zaten, was van het gure weer niets te merken. De grauwe venster-loze ruimte maakte deel uit van een voormalig militairfort uit de achttiende eeuw. Het was een van de vele forten die door de toenmalige Nederlandse regering waren gebouwd, als onderdeel van de veel oudere Hollandse waterkering, welke in die eeuw al in ongebruik was geraakt. Dit fort maakte, samen met nog een vijftiental overgebleven versterkingen in west en midden Nederland, vroeger deel uit van de buitenste verdedigingsring van wat men thans, de Randstad noemt. Tot halverwege de twintigste eeuw was het als opslagplaats en mobilisatiecomplex in gebruik geweest, maar na de afnemende dreiging van de koude oorlog, inkrimping van leger en materieel en verandering van het politiek inzicht, was het onderhoudsgevoelige fort in ongebruik geraakt.    Uiteindelijk werd het door een naamloze vennootschap aangekocht met de bedoeling een bouwkundige ontwerpstudio in de ruimtes te vestigen.

   De aanschaf had overigens plaatsgevonden onder de nadrukkelijke beperkende voorwaarden, dat het een rijksmonument betrof, met gevolg dat er weinig aan uiterlijk en innerlijk mocht worden verbouwd, terwijl de koper verplicht was het object en omliggende natuur in goede staat te onderhouden.

   Omstreeks het eind van de twintigste eeuw werden overigens verschillende van deze in onbruik geraakte, voormalige militaire versterkingen door de Nederlandse overheid te koop aangeboden. Dat alles met het gevolg dat verschillende van die voormalige ringforten, compleet met kazematten en versterkte onderkomens voor soldaten, in particuliere handen, of in handen van educatieve stichtingen vielen.

   Het fraai gelegen fort uit de negentiende eeuw, waarin een vijftal mannen een kennelijke vergadering hielden, was door een diepe gracht en lage brede wallen omgeven. De wallen waren begroeid met wilgen, struikgewas en populieren. Via een stevige platte houtenbrug was het zogenaamde forteiland, middels een smalle toegangsweg, met een auto of vrachtauto bereikbaar.  

   Boven de tafel brandde een enkele lamp. De ruimte was verder spaarzaam gemeubileerd, maar wel voorzien van een kleine moderne verlichtte keuken. Alles ademde in deze ruimte met zijn grauwe grijze betonnen muren nog een militaire sfeer, ook al waren de aanwezigen geen actieve militairen meer.

   Ondanks het koude regenachtige weer buiten, was het in dit deel van het fort prima uit te houden. Door de enorm dikke muren zakte de temperatuur ’s winters, zelfs met de strengste vorst, nooit beneden de zestien graden, terwijl in de zomerse hitte de temperatuur nooit boven de negentien graden steeg. Kortom: een voormalig militair verdedigingswerk waar het best in was uit te houden.

   ‘Het duurt lang voordat nummer zes arriveert,’ mompelde de in het zwart geklede man die het nummer vier op het rode embleem van zijn opvallende zwarte baret droeg. ‘Wanneer is er eigenlijk voor het laatst contact met hem geweest?’

   ‘Gisteren avond rond half zeven,’ antwoordde een man die het nummer een op het rode embleem van zijn baret droeg en aan de kop van de tafel was gezeten.

   ‘Was hij toen de grens al over,’ vroeg een in dezelfde kleding gestoken lange man, die met een blad met koffie aan kwam zetten.

   ‘Jazeker,’ antwoordde nummer een. ‘Hij belde vanaf het station van Roosendaal. Hij zou de trein naar Utrecht nemen en vandaar met de auto hier naartoe komen. Eerlijk gezegd verwacht ik hem met enkele minuten.’

   ‘Moeten we eigenlijk echt op hem wachten,’ vroeg nummer drie zich af. ‘Of kunnen we misschien al vast met het tweede punt van onze agenda, of te wel; de financiële situatie van de vennootschap, beginnen. Ik zou namelijk graag om half twaalf weer thuis zijn om vragen in de huiselijke kring te voorkomen,’

   Er klonk gemompel op rond de tafel. Maar nummer een besliste om nog even te wachten.

   Terwijl enkele mannen de krant lazen, de man met nummer een nog een keer zijn aantekeningen doorlas, en het koffieapparaat voortdurend siste en kreunde, klonk plotseling het alarmsignaal en ging er in de ruimte een rode lamp knipperen ten teken dat er een voertuig voor het hek bij de toegangsbrug stond. De beveiligingscamera liet op het aan de wand hangende beeldscherm in de ruimte waarin de mannen zich bevonden zien, dat het de auto van de verwachte nummer zes was.

   De veiligheidsmaatregelen waren op dit fort van militaire perfectie. Toen na de herkenningsprocedure het hek voor de wachtende auto opende en het voertuig van de persoon met het kennelijke nummer zes de brug opreed, sloot het elektronische hek automatisch achter hem, terwijl voor de auto aan de andere zijde van de gracht een volgend gesloten stalen hek opdook. Aan de linkerkant van dit hek stond een paal met een geel kastje. Bezoekers die tot de kring der ingewijden behoorden konden hier, middels een vingerscan, het laatste hek openen.

   De bestuurder van de auto stapte uit, liep naar het kastje toe, drukte op de knop om het kleine computerschermpje te activeren en drukte vervolgens met de wijsvinger van zijn rechterhand op de op het schermpje oplichtende ovale afbeelding van een vinger. Na een tweetal seconden klonk er een zacht piepje, waarna het toegangshek zich opende. De computer sloot na het openen van het hek automatisch af, waarna het computerscherm weer zwart werd. Nummer zes stapte weer in de auto en reed met de auto door de grote betonnen poort waarna hij vervolgens op de binnenplaats parkeerde.

   Voor eventuele nieuwsgierige ogen was het vanaf de overkant van de gracht absoluut niet te zien of er voertuigen bij het fort aanwezig waren, noch of er menselijke activiteit viel waar te nemen. En dat was nu precies de reden waarom de bestuurders van de vennootschap die dit voormalige militaire complex hadden aangekocht, juist dit specifieke fort voor hun doel voor ogen hadden. Hier heerste in de ogen van de stadsmensen die wel eens op een mooie zondag een wandeling langs de buitenste omgang van de gracht maakten, immers het gehele jaar door, absolute rust. Terwijl men geen idee had van hetgeen er zich in dit fort allemaal afspeelde…     

   Toen nummer zes uiteindelijk binnen was en zich in zijn officiële zwarte tenue had gehesen, een tenue dat symbool was van hun onderlinge verbondenheid, en vervolgens van koffie was voorzien, besloot de man met het nummer een op zijn baret, dat het tijd was om de vergadering te openen.

De leider van dit vreemde gezelschap, was een voormalige hoofdofficier van lands krijgsmacht. De inmiddels vijfenvijftig jarige kolonel had zijn sporen in de krijgskunst en in het politionele recherchewerk ruimschoots verdiend. Hij had met zijn manschappen onder vuur gelegen in Afghanistan, in Mali en in tal van andere strijdtonelen waar Nederland actief was in het kader van de activiteiten van een of andere internationale troepenmacht. De kolonel was een man met duidelijke ideeën voor wat betreft de aanpak van het kwaad dat in zijn, en veler ander ogen, de Nederlandse samenleving steeds meer in de greep kreeg. Met name doelde hij met die gedachte op: terroristen, drugscriminelen, en vooral lieden die als zogenaamde vluchteling, de goedheid van de regering van een opvangland misbruikte door in het betreffende opvangland aanslagen te plegen. Daarbij was de kolonel uiterst teleurgesteld met betrekking tot het Europese beleid voor wat betreft het zomaar toelaten van de stroom moslims uit landen in het Midden-Oosten en Afrika.

   ‘Het is Gods geklaagd,’ mopperde hij dikwijls als hij via de media opnieuw kennis moest nemen van een terroristische aanslag, gepleegde door een islamitische asielzoeker in een der Europese landen. 

   De kolonel was niet getrouwd, had geen vaste relatie en kende slechts een tweetal familieleden die ergens in de Antillen en Argentinië woonden, maar waar hij al jaren geen contact mee had gehad.

   In het jaar dat hij de actieve militaire dienst verliet doemde het plan bij hem op om dat gene te gaan doen wat de regeringsleiders van de Europese landen, weigerden onder ogen te zien, noch daar effectieve maatregelen voor uit te vaardigen. Namelijk het rechercheren en later elimineren van de mee geslopen moordenaars uit die zogenaamde vijfde colonne van moslims, welke de christelijke Europese landen sinds de jaren negentig van de vorige eeuw overspoelden.

   Vanuit die gedachte ontstond het plan om zelf een team wrekers te vormen. Een in de schaduw van de samenleving opererend team dat in staat moet zijn om te infiltreren in de terroristen wereld, maar vooral ook in drugswereld, waar met name de Mocro-maffia en de gewelddadige motorclubs het voor het zeggen hebben. Alsmede in het wereldje van asielzoekers. Niet gemakkelijk om daarin door te dringen, maar niet onmogelijk, zeker niet voor de mannen die zich naderhand bij hun voormalige commandant hadden aangesloten.

   Tijdens zijn militaire jaren was hij er al rap achter gekomen welke militairen dezelfde ideeën als hijzelf koesterden. Met het gevolg dat, toen hij de militaire dienst verliet, het weinig moeite kostte om medestanders te werven voor zijn idee.  Uiteindelijk waren op een man na, alle aanwezigen van deze bijeenkomst, voormalige militairen. Alleen nummer vier was een voormalige rechercheur van een groot stedelijk politiekorps.

   De leden van deze geheime organisatie hadden overigens allemaal een normale burger werkkring, al moet worden gezegd dat drie van hen tevens werkzaam waren als makelaar in onroerend goed middels de vennootschap die het fort had gekocht.

   De kolonel – nummer één dus – heette de pas gearriveerde man officieel welkom en feliciteerde hem met de geslaagde buitenlandse missie waarna hij de vergadering opende. Vervolgens gaf hij de net gearriveerde man het woord zijn om mondelinge verslag te doen van de geslaagde actie in Spanje, waarna er vragen konden worden gesteld. Nadat dit eerste punt van de vergadering was afgesloten kwam als tweede punt een heikel onderwerp ter sprake, namelijk de balansbespreking.   

   ‘Nummer twee, ik geef jou voor dit onderwerp het woord,’ zei nummer een.

   De man die met nummer twee werd aangesproken knikte slechts even, bladerde vervolgens in een kleine map met papieren en nam toen het woord. ‘

   Zoals jullie weten is onze afpakmethode doeltreffend gebleken en tot nu toe nog altijd heel lucratief. Nummer drie en nummer vier houden zich daar doorgaans mee bezig. Maar na de geslaagde recherche en latere interventie bij een importeur in Moordrecht, vloeide er onlangs weer spontaan zestig duizend euro bij ons binnen. Dat geld is opgenomen in ons reservefonds.’

   ‘Ja, maar die missie verliep niet geheel vlekkeloos,’ voegde nummer drie aan de woorden van zijn voorganger toe. ‘We waren net op tijd bij die zwarte aap binnengedrongen, hebben die meid van hem in de bezemkast opgesloten en hebben daarna die vent een beetje moeten beschadigen omdat de kerel een vuurwapen trok. Alles liep gesmeerd totdat opeens de politie met veel mankracht in de straat arriveerde. We hebben in onze haast om weg te komen slechts een van de twee weekendtassen die onder zijn bed stonden mee kunnen nemen.’

   ‘Ja, we waren net op tijd het pand uit,’ vulde nummer vier het relaas aan. ‘Dat had geen tien seconden langer moeten duren. Via de achtertuin zijn we weten te ontkomen en hebben ons vervolgens op twee fietsen, die in een poort stonden, uit de voeten gemaakt.’

   ‘Heeft de politie jullie gezien,’ vroeg nummer een.

   ‘Nee, zeker weten van niet. Het was reeds donker en er was niemand op de straat achter de woning te bekennen. Maar het is en blijft jammer dat we ons werk niet hebben kunnen afmaken. Overigens is die zware jongen samen met een jonge vrouw wel door de politie opgepakt heb ik inde krant gelezen.’

   ‘Ja, samen met een tas met meer dan honderdveertigduizend euro, in biljetten van vijfhonderd euro las ik inde krant,’ antwoordde nummertwee. De man snuffelde weer even in de papieren alvorens verder te gaan met zijn financieel verslag, maar daar kreeg hij de kans niet voor.   

   ‘Als ik even vragen mag, nummer twee, hoe staat onze cashflow er op dit moment voor,’ vroeg nummer vier. ‘Ik vraag dit omdat we helaas enkele uitrustingstukken en wapens hebben moeten laten verdwijnen. En dat vraagt dringend om aanvulling.’

   ‘Ik begrijp het. Nou, officieel ziet de financiële situatie van de vennootschap er zeer gezond uit. Dat wil zeggen; uit de officiële opbrengst van handel en support, staat er zo’n honderdzevenenzestigduizend euro credit op de balans. Dat is voornamelijk te wijten aan opbrengst uit verkoop van onroerend goed. Ik bedoel dus de verkoop van die zomerhuisjes op het park in Limburg. Alsmede enkele kleine stukken land in Friesland, plus enkele officiële legaten van politiek-economische supporters, zal ik maar zeggen.’

   Er werd even gegrinnikt.

   ‘Ja, sorry mannen, maar onze vennootschap heeft uiteraard ook normale economische belangen die ik met evenveel genoegen beheer,’  glimlachte nummer twee.

   ‘Juist, helemaal duidelijk,’ antwoordde nummer vier. ‘Maar ik had het nu uiteraard over onze cashflow, want we hebben uiteindelijk ook een potje met inkomsten van supporters die niet spontaan wilden doneren, en wat niet in de boeken van de vennootschap staat. Hoe staat het daar mee?’ 

   Deze opmerking van nummer vier gaf aanleiding tot algehele hilariteit.

  ‘Jazeker, ik begrijp waar je heen wilt. Dat potje, dat ik officieel het reservefonds noem, wordt zoals we allemaal weten, eigenlijk wekelijks gevoed door enkele, weliswaar soms nogal tegenstribbelende kleine zelfstandigen in de narcoticawereld die, door ons toedoen, thans een flink deel van hun zeer lucratieve inkomen aan ons moeten afdragen. Nummer vijf en nummer zes zijn hier actief mee bezig. En het heeft resultaat, moet ik zeggen. Tot en met heden heeft hun plan van actie heel goed gewerkt en ons een som van…, vierhonderdvijfenzeventigduizend euro opgeleverd.’

   ‘Heel goed,’ vond nummer vier. Maar ik neem aan dat we deze criminelen  uiteindelijk wel aan justitie uitleveren als ze ons voldoende hebben gesponsord, toch…,’

   ‘Uiteraard,’ antwoordde nummer een, terwijl hij de anderen stuk voor stuk even met een fronsende blik aankeek. ‘Maar voorlopig laten we de situatie zoals hij is. Want juist de eigenaars van deze koffieshops zijn tot nu toe onze belangrijkste informanten in dat drugswereldje. En zolang we die koffieshoplieden stevig in de tang houden, komen er ook informaties in onze richting die we goed kunnen gebruiken.’

   ‘Helemaal juist,’ antwoordde nummer vijf. ‘Want ook ons laatste doelwit hebben we via tips uit de wereld van die drugs gerelateerde koffieshops kunnen opsporen en uiteindelijk kunnen uitschakelen.’

   Nummer een nam weer het woord en keek de overige aanwezigen vanachter zijn halve leesbrilletje even fronsend aan.  ’Ik wil overigens, misschien in jullie ogen onnodig en wat overdreven, toch nog even het punt privacy aanhalen. Ik ga er vanuit dat jullie je allemaal heel erg goed privé hebben ingedekt en dat er in de huiselijke sfeer geen spoortje van onrust of nieuwsgierigheid naar jullie doen en laten kan ontstaan. Zorg er met z’n allen voor dat jullie altijd op tijd jullie camouflage hebben verzorgd zodat jullie niet herkenbaar zijn. Want zoals uit de laatste actie in Moordrecht blijkt, is de politie zeer waarschijnlijk ook naarstig naar ons op zoek, al hebben ze volgens mijn informatiebronnen, nog geen enkel idee in welke richting ze moeten zoeken. Maar een ongelukje ligt in een klein hoekje, vandaar mijn opmerking.’

   Geen van de mannen voelde zich geroepen hierop te reageren. De opmerking werd als overbodig beschouwd. Vooral omdat geen der mannen gehuwd was, noch kinderen had en men zeer nauwkeurig was inzake van camouflage. Wel hadden enkele mannen een relatie, maar de dames in kwestie waren gewend aan hun onregelmatige werktijden.  

   ‘Goed, als nummer één het me toestaat, dan ga ik even verder met mijn financiële uiteenzetting,’ zei nummer twee. ‘Dat kaalplukken van de echte zware jongens loopt helaas vaak wat stroef. We moeten nog maar eens allemaal goed nadenken hoe we dat kunnen stroomlijnen. De meeste lieden die we op de korrel hebben, gebruiken geen bank. Niet hier in de Lage Landen, noch in het buitenland. Tenminste, dat is ons ooit bij de politie gebleken na langdurig onderzoek. De figuren die we op onze lijst hebben staan doen alles contant en hebben ergens in hun omgeving een ondergrondse ruimte waarin ze dat geld opslaan. Maar kom er maar eens achter waar zo’n ruimte te vinden is. Vaak zijn het een soort putten die ze onder hun caravans hebben gegraven, maar soms zijn het ook bewaarplaatsen op een kerkhof of gewoon in een bos.’

   ‘Ja, dat is waar,’ reageerde nummer zes. Maar we hebben er uiteindelijk een te pakken gekregen die ons daarvan op het spoor zette. Helaas liep die actie een beetje uit de hand en hebben we uiteindelijk een viertal importeurs die weigerden mee te werken aan onze schoonmaakactie, dus figuren die eveneens een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid met zich meebrachten, op nogal krachtdadige wijze, na het verstrekken van de nodige informatie, in het hiernamaals moeten doen belanden.’

   Na deze woorden keken de mannen elkaar even aan, maar gaven geen commentaar.

   ‘Kunnen we nog steeds buiten het zicht van de politie en justitie blijven,’  vroeg nummer een zich af terwijl hij nummer zes aankeek.

   ‘Tot nu toe is dat steeds prima gelukt. Maar we moeten uiteraard zeer alert blijven en oppassen dat we onze strategie van nauwgezette planning en voorbereiding niet verlaten. Want, zoals ze dat in het leger altijd riepen als iemand wat slordig met zijn persoonlijke spullen omsprong: Argus ziet uiteindelijk alles…’  

   ‘Juist, helemaal duidelijk,’ gaf nummer een te kennen. ‘Alleen jammer dat we geen resultaat hebben kunnen boeken bij onze speurtocht op dat kerkhof in Noord- Brabant. Ik heb daar zelf, te samen met nummer vijf alles afgezocht, die oude grafzerken bekeken en die graftombes van alle kanten onderzocht, maar we vonden niets dat ons op het spoor van die wapens en dat geld konden brengen.’

   ‘Maar er was ons toch serieus getipt dat een stel kampers het daar hadden verstopt? En die tip kwam niet van zomaar iemand, doch van een zeer betrouwbare bron binnen Den Bosch meen ik me te herinneren,’ zei nummer drie.

   ‘Ja, inderdaad. Maar we hebben absoluut goed gezocht, doch niet het minste spoor gevonden. We zijn zelfs in die kerk geweest, gewoon omdat we dachten dat er misschien een verbinding zou kunnen bestaan met een van die grote oude graven op het kerkhof. We hebben daar binnen in die kerk eveneens meer dan een uur gezocht, maar hebben geen tastbare ondergrondse doorgang naar dat kerkhof kunnen ontdekken.’

   ‘Ja, maar…, toch denk ik, dat we misschien nog een keer terug moeten,’ antwoordde nummer vijf. Want ik heb op terugweg in de auto al tegen nummer een gezegd dat ik zelf het gevoel heb dat we verder moeten zoeken bij die grote tombe van die vroegere ridder met de naam Groenestein. Misschien moeten we er zelfs wel  toe overgaan om die grote, liederlijk zware deksel, van die tombe te lichten. Want ergens heb ik het idee dat er iets met die tombe aan de hand is.’ 

   ‘Wat bedoel je precies en waar baseer je dat dan op,’ vroeg een der aanwezigen.

   ‘Omdat aan de oostelijke kant van die tombe, dus de kant die naar de muur rond het kerkhof ligt, de aarde iets was vertrapt. Net alsof er was gegraven en men daarna de verse aarde had teruggestort en aangetrapt. Het was in het donker met het weinig licht dat wij ter beschikking hadden niet goed te zien. Ik heb met mijn handen wat gewroet, maar dat leidde tot niets.’

   ‘Waarom gebruikten jullie dan niet meer licht om die tombe te verkennen,’ vroeg nummer twee.

   ‘Dat was niet mogelijk. Om reden dat we hoorden dat we niet meer alleen op of rond dat kerkhof waren toen we bij die grote tombe waren. We hoorden achter die muur rond dat kerkhof opeens een hond grommen en een man tegen de hond snauwen. We hebben het niveau van de sonde die we bij ons hadden om honden te verjagen toen wat hoger gezet en dat had effect, want de hond was kennelijk niet meer te houden, met het gevolg dat die ongewenste bezoeker met zijn hond verdween.’  

   ‘Moet je toch mee oppassen, want die magnetische signalen die op de lage frequentie worden verzonden, zijn ook door mensenoren op te vangen. En dat leidt dan weer tot een hoop bombarie waar we niet mee gediend zijn,’ oordeelde nummer twee.

   ‘Precies, zei nummer twee. ‘Kijk wat dat betreft maar eens in de ochtendkrant van vandaag, wat dat gebruik van die sonde heeft opgeleverd. In die krant staat al zo’n spookverhaal dat volgens mij zijn grondslag kent op dat kerkhof in dat dorpje aan die rivier. Het verhaal slaat volgens mij duidelijk op hetgeen jullie op het kerkhof hebben uitgespookt.’

   De krant circuleerde even zodat een ieder kennis kon nemen van het artikel dat de schrijver met de naam Paul Mathieu had geschreven.

  ‘Ja, overigens wel een goed verhaal,’ glimlachte nummer vier. Zo kom je nog eens in de krant nietwaar. Maar onze tegenstanders lezen dit natuurlijk eveneens. De vraag is dan ook; wanneer zullen zij actie ondernemen na het lezen van dit verhaal…’

   Na deze woorden ontstond er enig heen en weer gepraat totdat nummer een het afkapte. ‘Luister allemaal nu eens goed: We blijven voorlopig rond dat kerkhof rechercheren al verbied ik het verder gebruik van die sonde. Nummer vijf heeft vermoedelijk gelijk. Er kan daar wellicht een bergplaats zijn. Ik heb die tip over dat kerkhof de afgelopen maand van een zeer betrouwbare bron doorgekregen. Een persoon die ik vertrouw, en die ik nog nooit op een onbetrouwbaar advies heb kunnen betrappen. We blijven ons derhalve voorlopig de komende dagen richten op dat kerkhof.’ 

   ‘Lijkt mij een prima idee,’ argumenteerde nummer vier. ‘Maar dan moeten we wel met een wat grotere bezetting aan de slag gaan. Zeker voor het geval we tegenstanders ontmoeten.’

   ‘Dat is inderdaad juist. Maar gezien enkele andere zakelijke belangen kunnen nummer twee en nummer vijf deze week niet meedoen. We zullen het dus met ons vieren moeten klaren.’

   ‘Overigens een prima idee,’ vond nummer vijf.  Trouwens, vier man moet genoeg zijn lijkt mij. Jammer dat ik geen tijd heb om me deze week bij jullie aan te sluiten. Maar let op mijn woorden; ik sinds nummer een en ik daar geweest zijn, steeds het sterke vermoeden gehad dat we daar misschien nogmaals moeten gaan speuren. Want wat we bijvoorbeeld de laatste keer niet hebben kunnen onderzoeken is; of de zware deksel van die tombe, misschien kan schuiven… ’

    Er viel na deze woorden even een oorverdovende stilte.

   ‘Jeetje…, daar zeg je me wat. Daar heb ik toen we daar waren, ook niet aan gedacht. Dat is inderdaad iets dat we in elk geval heel erg zorgvuldig moeten onderzoeken,’ vond nummer een, waarna hij de discussie afrondde en overging op een volgend onderwerp van meer algemene zaken.

Vervolg kunt u lezen in deel 11:  http://tallsay.com/page/4295001101/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-11

©  Leonardo

18/10/2019 20:53

Reacties (6) 

1
19/10/2019 09:33
Leest heerlijk weg op deze donkere zaterdagmorgen... je weet het wel spannend te houden - ik heb al zin om door te lezen maar het volgende deel moet waarschijnlijk nog geschreven worden :)
2
Leonardo tegen Ktje
19/10/2019 13:37
Ik heb reeds enkele tussendelen geschreven, maar het moeilijkste van zo een verhaal schrijven is de koppelingen tussen de delen maken. Daar ben ik nu mee bezig.. Halverwege komende week zal er weer een deel worden gepost.
Bedankt voor je leuke reactie, Ktje!
19/10/2019 00:29
Doet me denken aan Gladio, de geheime militaire 'stay behind' organisatie uit de jaren '50 en '60 die pas in 1997 definitief opgedoekt werd. Daar werden de geheime wapenopslagplaatsen uiteindelijk voor een deel leeggeroofd door criminelen als Sam Klepper en John Mierenet. Dat gaf de doorslag voor het einde van Gladio.

Mocht de schrijver dezes over een bankrekeningnummer van deze club beschikken zou ik best bereid zijn om een steentje bij te dragen.
;-)
Goed geschreven, en elke keer weer spannend.
1
19/10/2019 13:39
Het verbaasd me altijd dat jij je zo goed kan inleven in mijn verhalen. En je hebt gelijk. Ik heb me enigszins door die Gladio affaire laten inspireren...
1
18/10/2019 22:15
Aha, in die richting had ik het niet gezocht. Leest heerlijk weg, ben zeer benieuwd hoe het verder gaat.
1
19/10/2019 13:40
Het verhaal kent op dit moment verschillende verhaallijnen. Meer wil thans niet verklappen. Maar leuk dat je dit verhaal blijft volgen, Willemijntje!
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert