Het raadsel der zwarte gestalten 9.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 8: http://tallsay.com/page/4295000946/het-raadsel-der-zwarte-gestalten-8

          ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

                                                                9.

 

Politieke nieuwsgierigheid.

Het zal rond twee uur die middag zijn geweest op de zelfde dag dat Frank Bonte samen met Jacob van Dam op het kerkhof naspeuringen hadden verricht, toen een donker grijze Mercedes uit de E klasse en een BMW voor het hek van het kerkhof stopten. De twee auto’s werden gevolgd door een politieauto. Er zat een passagier achter in beider auto’s. Het waren mannen met bekende koppen. Figuren uit een tweetal grote linkse politieke partijen, die de laatste maanden op provinciaal bestuurlijk niveau, nog al eens de dagbladen kleurden met hun vaak gepeperde uitspraken. De chauffeur van de Mercedes, een stevige man van in de vijftig jaar, in vol ornaat gekleed in een keurig blauw chauffeurs kostuum, wat werd gecompleteerd met een platte pet in de zelfde kleur, hield de achterportieren voor zijn passagier open. De politicus die in de BMW kwam aanrijden had geen chauffeur. Hij reed zelf.

   De politie auto was inmiddels achter de Mercedes gestopt en de twee agenten, een man en een vrouw, waren uitgestapt en stonden reeds bij de enigszins patserig ogende  Mercedes die voor hun dienstauto was geparkeerd. Inmiddels kwamen er nog enkele auto’s aanrijden, die vervolgens netjes in de parkeervakken op het kerkplein stopten. Een der auto’s, een ruim vijf jaar oude, nogal gedeukte gele Renault, had op de achterruit een rond embleem met het woord 'pers' er op. Uit deze auto stapte Paul Mathieu, een landelijk bekende journalist, die in een der grote Nederlandse ochtendbladen nog al eens een artikel wijdde aan het in zijn ogen, toenemende geweld op straat in de grote steden. Toen hij uitstapte viel zijn mobieltje uit zijn hand op de natte grond.  

   ‘Het zal verdomme niet waar,’ zijn mopperde hij met nogal krachtig uitgesproken woorden, waarmee hij in elk geval de aandacht van de overige personen, die inmiddels met elkaar stonden te praten, voor een moment op zich vestigde.

   Vanuit de grote donkerblauwe Volvo die als laatste arriveerde, stapte een elegante, ongeveer vijftigjarige dame. Ze bleek in gezelschap te zijn  van een heer met grijzend haar. Het bleken mevrouw Hoes en de heer Stuivers, de burgemeester en een wethouder van de stadsgemeente te zijn waartoe het kleine dorpje aan de rivier sinds enkele jaren behoorde. Mevrouw Hoes behoorde tot de zelfde politieke partij als een der eerst aangekomen provinciale politici.

   Burgemeester Hoes was een opvallende persoonlijkheid. Weliswaar een dame van linkse signatuur, maar wel altijd volgens de laatste mode gekleed in zeer duur ogende kleding, die ze meestal bij enkele bekende modehuizen en boetiekjes in Amsterdam kocht.

   Ze was eigenlijk een politieke benoeming.

   Als kamerlid had ze al enkele malen de televisie journaals gehaald vanwege haar rol in scherpe politieke debatten. Na enkele jaren kamerlid te zijn geweest had ze te kennen gegeven graag ergens in het ambt van burgemeester aan te treden, gewoon als afronding van haar politieke carrière. Dat was haar uiteindelijk na enkele sollicitaties gelukt. Maar door haar scherpe tong was ze weinig populair onder de gemeente ambtenaren, en al helemaal niet onder de bevolking.

   De heer Stuivers was daarentegen een sympathieke man, en qua karakter, het tegenovergestelde van mevrouw Hoes. Waar de burgemeester nogal protserig, betweterig en soms overdreven zelfverzekerd overkwam, was Stuivers een man die zichzelf graag wegcijferde. Hij had een hekel aan het zo bewust en nadrukkelijk op de voorgrond treden. Een karaktertrek die hem soms wel eens negatief parten speelde tijdens de uitoefening van zijn functie als wethouder.

   Het opvallende gezelschap stond op het trottoir voor het reeds openstaande hek even elkaar de hand te schudden, waaruit voor de oplettende waarnemer bleek dat men elkaar kennelijk niet kende, noch eerder die dag reeds op het gemeentehuis had ontmoet. Na de kennismaking liep men naar het toegangshek, om vervolgens onder toeziend oog van de twee agenten, het grind van het kerkhof te betreden waar een nors uitziende man van een jaar of zestig inmiddels het hek had geopend. De man die de bezoekers had opgewacht was de heer G.J. Groen, de huidige eigenaar van het kerkje waarachter het kerkhof was gelegen.   

   De zon kwam er opeens even door.

   Hoog in de kale bomen maakten de aanwezige kraaien plotseling zoveel herrie, dat de neutrale waarnemer zou denken dat er een voetbalwedstrijd aan ging vangen.

   Na het schudden van de handen van de bezoekers, sloot de heer Groen zich zwijgend bij de groep nieuwsgierige politici aan. Aan zijn gezicht was te zien dat hij dit bezoek zonde van zijn tijd vond.

   Onder de af en toe bij vlagen aantrekkende wind piepte en knarste het ijzeren toegangshek enigszins sinister, waarna het plotseling, toen de groep bezoekers inmiddels, het midden van het kerkhof had bereikt, met een klap dichtsloeg.

   De hoofden van de bezoekers draaiden zich gelijk om.

  ‘Jakkes, wat een griezelig geluid was dat. Wat gebeurt er opeens,’ piepte de burgemeester op angstige toon. Ze keek even verschrikt om zich heen terwijl ze,  rillend de bondkraag van haar duur ogende wintermantel van een, bekende Franse couturier, hoog opzette. Terwijl het groepje nieuwsgierigen zich verplaatste zette ze haar voeten opvallend langzaam en heel voorzichtig op het grind neer. Kennelijk met de bedoeling, haar fraai glimmende en peperdure designer enkellaarsjes, niet vies te laten worden op het overigens vrij helder en schoon ogende grind.

   ‘Ach, dat geluid is niets bijzonders, mevrouw.’ Gaf een der agenten haar ten antwoord. ‘Het metalen hek is slechts onder druk van de aantrekkende wind dichtgeslagen.’

   De burgemeester gaf hierop geen antwoord, maar rilde alleen een beetje.

   ‘Ik begrijp werkelijk niet wat er hier nu voor spectaculairs zou kunnen plaatsvinden,’ vroeg een der provinciale politici, een man met een Groen Links signatuur, zich met nogal geaffecteerde stem af.’

   ‘Nee dat begrijp ik ook niet,’ waagde de burgemeester met een zacht stemmetje op te merken. ‘Het oogt hier, naar mijn mening althans, vrij rustig en vredig.’

   ‘Ja dat is waar. Maar dan vraag ik me af waarom er zo veel klachten over een zeer verontrustend gevoel in het lijf bij de politie zijn binnengekomen van personen die hier de afgelopen dagen in het donker hun hond hebben uitgelaten,’ merkte een der andere genodigden op.

   ‘Trouwens, waarom is er eigenlijk geen een van die klagers hier aanwezig,’ vroeg een der aanwezigen zich hardop af.’

   ‘Ja het is inderdaad spijtig dat geen der personen die aangifte hebben gedaan van ongewone verschijnselen tijdens het ’s avonds in het donker naderen van de muur rond het kerkhof, bereid was om hier aanwezig te zijn,’ verklaarde een der agenten in nogal formele bewoordingen. 

   ‘Juist ja, maar wat vind de pers eigenlijk van deze vreemde situatie, op of rond, dit kerkhof,’ vroeg de burgemeester opeens aan Paul Mathieu, die de vraag niet beantwoordde doch deze met een schouderophalen afdeed, om vervolgens op te merken dat het veel verstandiger was geweest om hier ’s avonds in het donker een bezoek te brengen dan nu overdag. 

   ‘O ja. Waar baseert u dat op?’

   ‘Op de omstandigheden die deze mensen hebben ervaren.’

   ‘Zo…, u meent het.’

   ‘Ja uiteraard meen ik dit. De omstandigheden zijn nu toch niet dezelfde als dat die mensen hebben ervaren. Toen was het avond en donker.

   ‘Nou ik weet niet hoe de andere aanwezigen dit zien, maar voor wat mij betreft zijn die omstandigheden gelijk. Ik kan me niet voorstellen dat licht of donker er iets mee uitstaande heeft.’

   ‘Nou daarover ben ik het niet met u eens.’

   Mevrouw de burgemeester kleurde iets. Of het van de kou of van ergernis was over de wijze waarop ze op haar opmerkingen tegengas had gekregen van, zoals ze dat zelf altijd verwoordde, een persmuskiet, zal wel voor altijd een vraag blijven.

   ‘Aan uw reactie heb ik begrepen dat u mij begrepen heeft mevrouw. Nogmaals: Ik bedoel dus onder gelijke avondlijke omstandigheden, zoals de klagers dat hebben ervaren en dit bij de politie hebben aangegeven.’

   Misschien was Paul Mathieu iets te ver gegaan in zijn betoog, want alle ogen waren op de burgemeester en op hem gericht. Maar hij glimlachte slechts even en gaf een knipoog aan de heer Stuivers, die moeite had zijn gezicht in de plooi te houden.  

   ‘Ja, nou ja, misschien wel,’ reageerde de burgemeester wat opgelaten. ‘Maar u ziet mij toch zeker niet hier in het donker over zo’n kerkhof lopen. En als u vind dat u hier in het donker meer relevante waarnemingen denkt te kunnen verrichten, dan zou ik u willen adviseren vanavond hier zelf maar in het donker eens een blik te werpen,’ reageerde ze vervolgens nogal scherp op de woorden van de journalist.

   ‘Waarvan acte,’ antwoordde Paul Mathieu glimlachend.

   ‘Nou, deze discussie beluisterende ga ik wel met de woorden van de burgemeester mee,’ zei een der politici, een man van een jaar of veertig, die door de burgemeester met Hans werd aangesproken en kennelijk een partijgenoot van haar was. 'Mij zien jullie in elk geval zeker niet hier in het donker terug. Ik laat verder waarnemen graag aan de politie over.’

    Ze hadden inmiddels een rondje over het kerkhof gemaakt.

   ‘Ik kan moeilijk geloven dat er hier iets is dat mensen zo angstig en zo van streek maakt, dat ze hier niet meer langs durven lopen,’ waagde het politieke kopstuk met de naam Hans tenslotte op te merken.  ‘Ik voel hier helemaal niets bijzonders – behalve dat het verdomde koud is - en zie hier ook niets bijzonders. Gewoon een oud kerkhof zoals er zo velen in het land zijn. En een leuk oud kerkje, omlijst met grote dikke bomen en rododendron struiken.’

    ‘Precies, Hans. Het is natuurlijk weer zo’n opgeklopte voorstelling van één persoon die dat in het café groots heeft gebracht, met het gevolg dat de pers zich er mee is gaan bemoeien, waardoor het thans lijkt alsof we hier met een onbekend sinister fenomeen te maken hebben dat zijn weerga niet kent,’ opperde de andere politicus, terwijl hij Paul Mathieu, de man die het inmiddels reeds landelijk rondzwervende, flink opgeklopte, ( spook)verhaal voor het eerst in de krant had genoemd, even laatdunkend aankeek. ‘De pers weet uiteindelijk altijd van een mug een olifant te maken voor een goed verhaal, niet waar.’

   Paul Mathieu deed echter alsof hij niets hoorde of zag.

   De bezoekers liepen inmiddels een goede tien minuten over het kille natte kerkhof. Men staarde naar zerken en graven. Naar graftombes en beelden, zonder dat er veel werd gesproken. Er werden enkele foto’s genomen van de belangrijkste ornamenten en graven, eveneens zonder dat iemand sprak.

   Heel opmerkelijk was het dat zelfs de kraaien in de bomen opeens opvallend stil waren. Alsof ook de vogels instinctief aanvoelden dat de bezoekers van deze kleine historische begraafplaats, hun luidruchtigheid niet zouden appreciëren.

   Bij de tombe van de laatste heer van Groenestein stond het gezelschap wel enige tijd zacht met elkaar te delibereren, alsmede foto’s te maken en te wijzen, waarna men tenslotte, redelijke verkleumd, terugliep naar het toegangshek.

   ‘Koud pestweer,’ zei de burgemeester glimlachend terwijl ze instapte en snel haar dure wintermantel naar binnen trok om te voorkomen dat deze tussen de achterportier van de auto zou klemmen...

   Nadat iedereen weer in de eigen auto’s had plaatsgenomen, verdwenen de voertuigen een voor een, richting het gemeentehuis in de stad, om daar hun passagiers af te leveren. Waarna de inzittenden in het gemeentehuis onder het genot van een kopje warme koffie, hun ervaringen tijdens het bezoek aan dat oude kerkhof, in een kleine vergaderzaal met elkaar zouden gaan evolueren.

   Alleen de heer Groen bleef achter.

   De kerkklok sloeg ondertussen vier maal.

   Toen de bezoekers waren verdwenen liep hij naar de kerk, sloot de deur af en liep vervolgens naar zijn grote nieuwe Toyota Landcruiser toe die aan de andere zijde van de kerk op een met mos begroeid pad was geparkeerd. Hij had het idee dat hij er voor spek en bonen bij was geweest. Niemand had het woord tot hem gericht, noch hem iets gevraagd. ‘Stelletje arrogante politieke apen,’ was het enige wat hij mompelde toen hij in zijn auto zat en even later met op het mos doorslippende banden, iets al te rap achteruit het pad naar de rivierdijk opreed, vervolgens linksaf sloeg, en de dijk afreed richting de stad Eindhoven.

   ‘Stelletje verwaande klootzakken. Wat een tering middag. Zonde van mijn tijd.’    

   Toen de overige kerkhofbezoekers voor het gemeentehuis waren gearriveerd en via de achteringang naar binnen gingen, werd Paul Mathieu tegengehouden. Voor hem was geen plaats gereserveerd in het zaaltje om dit onderonsje van politieke figuren bij te wonen. Hem werd beleefd, doch heel duidelijk de toegang tot de ruimte waarin de evaluatiegesprekken zouden plaatsvinden geweigerd.

   ‘Geen toegang voor de pers meneer,’ kreeg hij te horen van een beveiligingsbeambte.

   Toen hij even later mokkend weer in zijn auto zat en aanstalten maakte om naar het hoofdkantoor van de krant in Amsterdam te rijden, schoot hem opeens iets door het hoofd dat hem aanspoorde zijn plannen voor die middag te wijzigen.

   ‘Nee…, ik ga nog niet terug naar kantoor,’ mompelde hij. ‘Ik ga daarentegen terugrijden naar dat kleine dorpje aan de rivier en trachten een der personen te pakken te krijgen die zo’n vreemde ervaring bij dat kerkhof heeft opgedaan.’

   Wie die personen waren wist hij niet, maar een bezoek aan het plaatselijke café zou vast en zeker wel opheldering geven. Misschien zou een interview met een der betrokkenen toch een aardig verhaal voor de krant opleveren.

   Met die gedachte reed hij over de brede boulevard waaraan het gemeentehuis was gelegen naar het grote ronde punt, maar ging daar niet rechtsaf richting de autoroute A2, maar hij reed daarentegen terug in noordoostelijke richting naar de plaats waar hij ruim een half uur geleden vandaan was gekomen.

   Terwijl hij na een paar minuten rijden het dorpje naderde, schoot er opeens een gedachte aan een opmerkelijk voorval van die middag door zijn hoofd. Een gedachte die een frons op zijn voorhoofd vormde vanwege de actualiteit van het gebeuren. Want laten we nu eerlijk zijn dacht hij. Het was toch uiteindelijk heel opmerkelijk, dat geen der bezoekers het idee had opgevat om ook een bezoek aan het kerkje te brengen dat het kerkhof aan de westelijke zijde afsloot. Een kerkje dat, nu het particulier eigendom was, de laatste jaren steevast haar deuren gesloten hield, maar waarvan de toegangsdeur die middag, wegens het aanwezig zijn van de eigenaar in de groep kerkhofbezoekers, deze maal niet op slot zat. Vermoedelijk omdat de eigenaar van het oude bouwwerk - die notabene door de burgemeester was verzocht aanwezig te zijn-, omdat men misschien ook een blik in de kerk wilde werpen, er vanuit was gegaan dat men, zo en zo, ook de kerk van binnen wilde bekijken.

    Maar dat was niet gebeurd…

   ‘Toch een opvallende misser van die verder o, zo, intelligente maar vooral ook arrogante politieke kerkhof bezoekers,’ mompelde Paul Mathieu glimlachend, terwijl hij de rivierdijk in de verte voor zich zag opdoemen.

   ‘En wie weet hoe dit allemaal afloopt,’ orakelde hij. ‘Want dat er hier op dat kerkhof ’s avonds iets vreemds valt te ervaren, of waar te nemen, staat voor mij vast. En wie weet. Misschien is dit wel een enorme politieke misser die men zichzelf later ernstig zou kunnen verwijten.’     

Vervolg kunt u lezen in deel 10: http://tallsay.com/page/4295001060/het-raadsel-der-zwarte-gestalten-10

©  Leonardo

12/10/2019 23:18

Reacties (2) 

13/10/2019 19:01
Blijft heerlijk spannend.
13/10/2019 11:49
Tja, dat kerkje...
Even één opmerking: een Mercedes C-klasse patserig? E-klasse bedoel je zeker...;-)
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert