Het mysterie der zwarte gestalten 7.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 6:http://tallsay.com/page/429000878/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-6

             ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

                                                                   7.

 

Ontdekkingen?

Op de ochtend van één december liep Frank Bonte samen met Jacob van Dam naar het kerkhof. Aangekomen bij het toegangshek bleek het nog steeds te zijn afgesloten met een roestige ketting en een koperen hangslot, maar Jacob had daar rekening mee gehouden. Hij had van huis een zware draadschaar meegenomen die na hun aankomst zijn nut bewees. De ketting spartelde eerst nog even tegen, maar tegen deze gezamenlijke inspanning van mens en gereedschap had de metalen ketting geen verweer en brak derhalve al snel kapot.

  ‘Ik denk dat we het beste eerst heel goed de grond moeten bestuderen,’ opperde Jacob, terwijl hij het hek opende. ‘Al zijn de grindpaden vorige week wel hier en daar wat aangeharkt. Maar het gras staat zeker centimeters hoog en daar kan je met dit koude natte weer, heel gemakkelijk voetafdrukken in ontdekken.’

  ‘Ja, maar wat dan nog, Jacob.  Wat willen we hier nu eigenlijk ontdekken. Geen voetafdrukken in elk geval. Die kunnen uiteindelijk van iedereen zijn. En we zijn geen rechercheurs die gipsafdrukken of foto’s van voetstappen gaan maken om die bij thuiskomst te ontleden...’

   ‘Nou ja, dat snap ik natuurlijk ook wel. Maar voetafdrukken wijzen wel de weg hoe een persoon die zich hier heeft bevonden heeft gelopen, en waar zijn of haar belangstelling naar uit ging, toch...’

   ‘Dat is waar. Daar heb je gelijk in. Laten we dus maar eens kijken of we voetstappen in het gras kunnen ontdekken. Daarbij stel ik voor om eerst maar eens in het midden van het kerkhof, bij die grote beeldengroep, te gaan kijken.’

  ‘Waarom daar precies? Uiteindelijk ligt daar allemaal grind op de grond. Daar zullen we niets ontdekken lijkt mij.’

  ‘Ik ga op mijn gevoel af, Jacob. Uiteindelijk hebben we daar allebei, ongeveer op die hoogte, 's avonds dat vreemde lichtje zien branden.’

  ‘Verrek ja. Daar dacht ik even niet aan. Maar je hebt gelijk om daar aan te vangen.’

   Toen ze bij de grote, uit zeven beelden bestaande centrale beeldengroep in het midden van het kerkhof aankwamen, waren hun ogen vooral gericht op eventuele beschadigingen van de met mos begroeide beelden. Beschadigingen die een eventuele eerdere aanwezigheid van personen konden aangeven. Ze bukten zich om de sokkels te bekijken, doch tot hun verbazing was er niets bijzonders te ontdekken. Niets was er waar te nemen dat wees op recente menselijke activiteit. Slechts bij een der sokkels leek het alsof het mos iets was beschadigd. Maar volgens Frank zou dat evengoed door een kat kunnen zijn gebeurd.

   ‘Snap jij het of snap ik het,’ zei Jacob opeens tegen Frank, terwijl hij eens om zich heen keek. ‘Er is hier helemaal niets te vinden dat op recente menselijke aanwezigheid duidt. Alles ademt als het ware een zekere onschuld. Geen beschadigingen te zien, geen ornament dat is verschoven, gewoon helemaal niets. Gezien onze ervaringen verdomd vreemd, als je het mij vraagt.’

   Frank bromde iets terwijl hij op zijn hurken zittende met een dun knipmes tussen enkele grote stenen wurmde.

   ‘Wat probeer je te doen, Frank.’

   ‘Weet je wat ik niet begrijp.’

   ‘Nou, zeg het eens.’

   ‘Waarom hier een lichtje brandde als men hier verder niets te zoeken had.’

   ‘Dat is Inderdaad merkwaardig.’

   ‘Kijk daarom komt bij mij de gedachte op dat er misschien iets met deze grote beeldengroep aan de hand is.’

   ‘Hoe bedoel je.’

   ‘Nou bij dit grote paneelwaar ik nu het mes tussen heb gezet, zit opvallend veel ruimte op de verticale aansluitingen. Ik vroeg me even in gedachten af of dat paneel misschien zou kunnen draaien. Dat het misschien een ruimte afsluit die wijn nu niet kunnen waarnemen.’

  ‘Gaat je fantasie nu niet een beetje met je op de loop,’ lachte Jacob. Hoe kom je er op, Frank.’

  ‘Ja lach jij maar. Maar zo gek is die gedachte niet,’ antwoordde Frank terwijl hij het mes dichtklapte en opstond.

  De zon probeerde er door te komen terwijl en straffe bries door de kruinen van de bomen waaide.

   Ze bukten zich beiden en constateerden toen pas dat verschillende voeten het grind hadden beroerd. De flink bemoste grindsteentjes waren hier en daar omgedraaid, hetgeen alleen zou kunnen gebeuren als het grind flink zou zijn betreden. Het spoor in het grind leidde rechtstreeks naar de opvallende tombe die aan de oostelijke kant van de muur stond. Het betrof en oude lage tombe waarop de deksel een familiewapen en een jaartal was gegraveerd. De zware stenen deksel, die over zijn gehele lengte was geërodeerd, lag zo op het eerste gezicht, schijnbaar los op de onderbouw. Op de rechtopstaande, waar geërodeerde achter plaat van de tombe, stond nauwelijks zichtbaar het zelfde familiewapen, alsmede een inscriptie in het latijn.

   ‘Ik weet niet wat ik hier nu van moet denken, zei Frank terwijl hij de tombe eens goed bekeek. ‘Ik moet zeggen dat ik nooit op dit kerkhof ben geweest. Niet als nieuwsgierige tiener, noch later toen ik volwassen was. Mijn ouders liggen hier niet begraven, dus had ik hier niets te zoeken, terwijl we thuis ook al jaren niet meer kerkelijk waren.’

   ‘Kan ik me voorstellen, Frank. Maar kijk eens naar die tekst op de zerkplaat van die tombe. Vind je het ook niet merkwaardig dat die tombe zo zwaar geërodeerd is en vol met verdroogd korstmos zit, maar dat die tekst onder dat familiewapen als enige deel van die deksel zo goed leesbaar is. Het lijkt er zelfs wat op alsof dat deel van de stenen plaat kortgeleden is schoongemaakt en vervolgens gepolijst is.’

   ‘Ja inderdaad. Dat viel me zonet al op toen we hier aankwamen. Heel bizar moet ik zeggen. Wie doet nou zoiets, en vooral; waarom doet men dat. Wat kan de reden voor die schoonmaakactie aan dat deel van die stenen deksel zijn geweest?’

   ‘Ik heb werkelijk geen flauw idee. Daarbij moet ik helaas ook toegeven dat mij dit nog nooit tijdens mijn werkzaamheden op dit kerkhof is opgevallen. Al moet ik er wel direct aan toevoegen dat ik meestal geen blik op die oude tombe werp. Ik heb overigens, zo en zo, weinig aandacht aan teksten op de grafzerken van dit kerkhof geschonken, moet ik eerlijk zeggen. Ik kwam hier uiteindelijk alleen om het gras te maaien en heel af en toe de hark door het grind te halen. De graven als zodanig, interesseerden mij niet zo veel.’

   ‘Nou ja, dat neem ik zo van je aan, Jacob. Maar even iets anders. Heb jij eigenlijk een idee wat daar in dat steen staat geschreven?’

   ‘Nee joh, absoluut niet. Er staat volgens mij onder dat heraldische wapen het volgende in het steen gebeiteld: Hic jacet - Armand Philippus Groenestein. Eques bellator et contra malum.’

   ‘Ja dat zie ik ook.’

   ‘Die tekst duidt uiteraard op de dode die hier ligt begraven,’ zei Jacob terwijl hij zich bukte en de rand van de deksel die over de tombe sloot eens heel goed bekeek. 

   ‘Het zal wel het graf zijn van de laatste heer van Groenestein, veronderstel ik.  Maar wat betekent die tekst. En in wat voor taal is dit geschreven.’

   ‘Ik vermoed, als ik dat zo lees, dat het een Latijnse tekst is. Dat was vroeger gebruikelijk op oude grafzerken. Maar helaas rijkt mijn talenkennis niet zo ver dat ik dat in het Nederlands kan vertalen,’ antwoordde Jacob.

   ‘Geeft niet. Ik maak er een paar foto’s van en probeer het dan straks, of vanavond wel middels de computer te vertalen.’

   Terwijl de mannen de tombe nader bekeken en van alle kanten fotografeerden, viel het Frank op dat de deksel hier en daar hele kleine sporen van beschadiging vertoonde. Alsof men had geprobeerd om het deksel met geweld van de tombe te lichten.

   ‘Moet je hier eens kijken, Jacob. Het lijkt er warempel op alsof iemand heeft geprobeerd de deksel van die oude tombe te lichten. Kijk maar aan eens aan deze kant van de deksel. Die dubbele beschadiging is naar mijn mening van recente datum. Ik krijg daarbij de indruk, gezien de inkervingen in de stenenrand, dat men heeft geprobeerd om met een breekijzer die deksel te lichten.’

   ‘Ja  verdomd, je zou het inderdaad zeggen, Frank,’ antwoordde Jacob terwijl hij vervolgens rap uit zijn gehurkte houding omhoog kwam omdat hij het hek van het kerkhof hoorde knarsen. ‘We krijgen geloof ik bezoek,’ mompelde hij vervolgens, terwijl twee politieagenten hun richting op kwamen lopen. ‘Ik weet daarbij niet of het verstandig is om nu met onze speurtocht verder te gaan terwijl de hermandad komt aan banjeren.’

   Frank zag dat het niet dezelfde agenten waren die eerder bij hem aan de deur waren geweest en hem hadden ondervraagd over zijn ervaringen van die vorige nacht. Dit waren twee mannen die hij niet eerder had gezien.

   ‘Wat doet u hier, heren,’ was het eerste wat de oudste van de twee agenten op nogal barse toon tegen hen zei.

   ‘Ach…, niets bijzonders. Wij spelen slechts het spelletje; ken uw directe omgeving, antwoordde Frank glimlachend op schertsende toon.

   ‘Hoe bedoeld u dat?’

   ‘Weet u. Ik ben, zolang ik hier in dit dorp woon, waarin ik overigens geboren en getogen ben, nog nooit op dit kerkhof geweest,’ antwoordde Frank naar waarheid. ‘En na al die griezelige ervaringen die we onlangs hebben gehad, door in het donker de oostelijke muur van dit kerkhof over het voetpad te passeren, leek het ons aardig om zelf eens op onderzoek uit te gaan. Gewoon om eens te kijken of we iets eigenaardigs kunnen waarnemen, of de bron kunnen ontdekken van hetgeen ons die vreemde en griezelige ervaring heeft bezorgd.’  

   ‘Juist ja. En heeft u iets eigenaardigs ontdekt?’

   ‘Nee, nog niet.’

   ‘Trouwens, hoe lang bent u hier al,’ vroeg de andere agent die tot dan toe slechts schijnbaar onverschillig om zich heen had staan kijken, met zijn mobieltje in de hand.

   ‘Lang genoeg om iets op te merken dat afwijkt van het normale patroon op het kerkhof,’ antwoordde Jacob voordat Frank iets kon zeggen.

   ‘Bent u dan zo goed op de hoogte van het normale beeld van dit kerkhof dat u een bijzonderheid zomaar zou kunnen waarnemen,’ vroeg de oudste van de twee agenten enigszins geërgerd, op sarcastische toon aan Jacob.

   ‘Jazeker. Want ik kom hier regelmatig om onderhoudswerkzaamheden te verrichten en ken het kerkhof redelijk goed.’

   ‘Juist,’

   ‘Precies.’

   De opmerking van Jacob trof doel. De twee agenten werd hun psychologische wapen uit de handen geslagen door Jacobs antwoord.

   ‘Goed, ik begrijp het. Maar als u iets ontdekt dat niet in de haak is, dan verzoeken wij u wel, ons dat direct te melden via de meldkamer of via het lokale politiebureau.’

   ‘Ja hoor. We zouden niet weten waarom we iets bijzonders niet gelijk zouden melden,’ antwoordde Frans, terwijl een brede glimlach over zijn gelaat trok.

   ‘Als we de pot met goud hebben gevonden, dan zullen wij uw bureau er zeker van in kennis stellen,’ voegde Jacob er vervolgens lachend aan toe. 

   Toen de twee agenten even later zonder verder iets te zeggen verdwenen, vroegen zowel Jacob als Frank zich in stilte af waarom ze hun kleine ontdekking bij die tombe toch niet gewoon aan de twee wetsdienaars hadden medegedeeld. Maar beiden waren kennelijk - zonder dat ze daar met elkaar over spraken - van mening, dat zwijgen in dit geval wellicht beter was dan te spreken. Wie weet wat ze in de loop der dagen nog meer zouden ontdekken, dacht Frank terwijl hij na enige minuten snuffelen bij die tombe, uiteindelijk samen met Jacob het kerkhof de rug toe keerde. 

   Bij het metalen toegangshek bleven ze even staan. ‘Weet je wat ik nou zo vreemd vind,’ zei Jacob terwijl hij de kapotte ketting met slot van het hek afhaalde.

   ‘Nou, zeg het eens, Jacob.’

   ‘Dat ik nu op dat kerkhof helemaal geen onrustig gevoel in mijn lijf krijg. Ik voelde me gewoon kiplekker toen we daar rondscharrelden.’

   ‘Daar heb je gelijk in. Het zelfde viel mij ook op. Dus vraag ik me, net als andere dorpsgenoten af, of dat onrustige vreemde gevoel in ons lijf, misschien bewust door iemand met iets elektronisch wordt opgewekt. Alleen waarom zou men zoiets doen, vraag ik me gelijker tijd af.’

   ‘Ja, daar zeg je me wat, Frank. Die gedachte kwam daarnet ook even bij mij even op. Maar ook ik moet op die gedachte het antwoord schuldig blijven. Trouwens; blijft over de vraag waarom iemand kennelijk heeft geprobeerd om die deksel van die tombe te lichten. Dat doe je uiteindelijk toch ook niet zonder duidelijke bedoeling, lijkt mij.’

   ‘Inderdaad. Dat speelt ook door mijn hoofd waarbij ik me ook afvraag of die deksel te lichten is zonder hem volledig te vernielen.’

   ‘Dat kan ik niet beoordelen, Frank. Dat is jouw terrein. Ik ben maar een eenvoudige hovenier.’

    Frank antwoordde niet op die laatste opmerking maar voelde met zijn vingers langs de rand van de deksel, maar kon niets ontdekken dat er aan de onderkant van de deksel niet hoorde te zitten. Zijn vingers gleden over het steen om te voelen of er ergens een verdikking was aangebracht die er op kon duiden dat de stenen deksel afneembaar zou zijn. Maar hij vond iets van dat alles.  

   ‘Geen verborgen knoppen of sluitingen gevonden,’ vroeg Jacob.

   ‘Nee, helemaal niets.’

   ‘Dus zou dat vreemde gevoel in ons lijf misschien zijn opgewekt doordat we het instinctief het gevoel hebben gehad dat er aan de andere kant van die muur iets plaats vond dat voor ons verborgen moest blijven.’

   ‘Zo zou je het misschien kunnen zeggen. Trouwens, nu we het er toch over hebben. Een maat van mij op het werk is een elektronica fanaat. Je weet wel, zo’n knul die in zijn vrije tijd met alle mogelijke elektronische apparatuur bezig is. Tot voor kort was hij ook zendamateur, voor zover ik weet. Ooit heeft hij mij eens verteld dat hij in staat was om alle mogelijke soorten magnetische straling in de lucht, middels een ingewikkeld stuk elektronica, te kunnen opvangen.  

   ‘O ja.’

   ‘Ja echt waar. Dat beweerde die knul althans. Misschien is het een idee om hem eens te vragen hier wat metingen te verrichten. Met name ’s avonds als het donker is.’

   ‘Verrek, wat een goed idee, Frank. Maar waar denk jij vervolgens aan, als die kennis van jou hier zo’n straling kan opvangen.’

   ‘Ik heb werkelijk geen idee, Jacob.  Maar ik ben er wel van overtuigd dat een en ander het gevolg is van menselijk handelen.’

   ‘Hoe bedoel je dat.’

   ‘Precies zoals ik het zeg. Dat iemand op een of andere wijze probeert ’s avonds mensen bij dat kerkhof weg te houden door ze bang te maken, zodat mensen het pad langs het kerkhof gaan mijden als het donker is geworden.’

   ‘Verdraaid, daar had ik nog niet aan gedacht. Maar het zou zomaar kunnen wat je zegt. Rijst wel de vraag waarom men dat zou willen. Of wel: Wat is de reden voor zo’n vreemde actie.’

   ‘Ik heb werkelijk geen idee, Jacob. Laten we daar maar eens goed over nadenken en eerst maar eens kijken of mijn gedachten hieromtrent hout snijden, door een meting te laten doen door die wiskid.’

   ‘Goed idee.’

   ‘Ja, maar ik heb hoe dan ook het idee, dat een en ander wellicht iets met die tombe van de laatste heer van Groenestein te maken heeft. Daarom ga ik vanavond nadat ik me heb omgekleed en heb gegeten, eerst eens bezighouden met het vertalen van die tekst welke op die oude zerk, achter die tombe staat.’

   Met die woorden liepen ze bij het kerkhof vandaan, onder het toeziend oog van tientallen krijsende kraaien die hoog in de top van de kale platanen zaten welke rond het plein voor het kerkhof stonden.  

Vervolg kunt u lezen in deel 8:  http://tallsay.com/page/4295000946/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-8

©  Leonardo

01/10/2019 20:55

Reacties (2) 

1
01/10/2019 23:47
De spanning blijft...heerlijk! Heb een 'nekharen'-gevoel bij die agenten.
1
01/10/2019 21:37
....Mooi. De spanning blijft er in. Psychedelische straling waar zelfs honden op reageren, valse politieagenten (?), onderaardse gangen?
We zullen zien.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert