Het mysterie der zwarte gestalten 5.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op 4: http://tallsay.com/page/4295000814/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-4

              ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

             

                                                               5.

Hoofdpijn.

Het enige wat Frank zich later tegen de ochtend, toen hij met een gruwelijk hoofdpijn uit zijn kunstmatig opgedrongen slaap ontwaakte herinnerde, was die in het zwart geklede gedaante die aan de rechterkant van hem, plotseling vanuit het donker opdook, om hem vervolgens met een keiharde klap op zijn hoofd voor lange tijd naar dromenland te helpen.

   Hoelang hij daar in de drek op dat kerkhof had gelegen ontging hem op dat moment. Zijn hoofd tolde, terwijl hij een stevig kloppende hoofdpijn had. Alles deed hem zeer. Even bleef hij gestrekt in de drek liggen en probeerde zich vervolgens wat op te richten, wat hem een duizelig gevoel opleverde.  Het beeld van de overvaller leek in zijn warrige gedachten nog het meest op een figuur in ouderwetse priester kleding. Een man die tevens het gelaat had bedekt met een soort masker terwijl er een soort ouderwetse grote Zuid-Amerikaanse priesterhoed op zijn hoofd prijkte. Zo’n hoed zoals rooms katholieke geestelijken vroeger in Zuid-Amerikaanse landen op hun hoofd droegen. Er zat een lint om die hoed meende hij zich te herinneren. Maar verdere herinneringen bleven in zijn gedachten steken, of had hij in de korte tijd dat die de plotselinge attack duurde, in het donker niet waargenomen.

   Hij voelde even aan zijn hoofd en constateerde een flinke buil ter hoogte van zijn voorhoofd. ‘Moeder Maria, wat heb ik een hoofdpijn,’ kreunde hij, terwijl hij zich probeerde op te richten. Uiteindelijk zat hij rechtop met zijn rug tegen de met mos bedekte zerk. Hij was verkleumd en kletsnat. Met veel moeite wist hij overeind te komen, waarna hij zich rap aan een zerk vastgreep, omdat hij door de opkomende duizeligheid weer door de knieën dreigde te zakken.

   ‘Godallemachtig wat ben ik beroerd,’ mompelde hij, terwijl hij zich voorover boog omdat hij het gevoel had te moeten kotsen.

   Na enige minuten te hebben stilgestaan waagde hij een poging om te gaan lopen. Dat lukte wonderbaarlijk, waarna hij zich voorzichtig naar het toegangshek van het kerkhof begaf teneinde zijn woning te kunnen bereiken. Maar vreemd genoeg was het hoge metalen spijlenhek nu wel degelijk op slot, in tegensteling tot gisterenavond.

   Terwijl hij rilde van de kou en ellende ontsnapte er enkele stevige krachttermen aan zijn mond. ‘Verdomme, nog aan toe. Hoe kom ik hier nu vandaan,’ vroeg hij zich in zijn ontreddering hardop af. Maar opeens kreeg hij een inval om daar vandaan te geraken op een wijze waarbij de natuur hem een handje kon helpen. De oude muur die zowel de kerk als het kerkhof grotendeels omsloot bleek namelijk minder stevig en stabiel te zijn als menig wandelaar of bezoeker van het kerkhof zou denken. Even ten noorden van de kerk was namelijk een deel van de muur, vermoedelijk als gevolg van erosie, deels een goede meter ingestort. Frank had dit al eens eerder opgemerkt toen hij in de afgelopen zomer met zijn hond in het aangrenzende weiland had gelopen. Het restant wat nog overeind stond was niet hoger dan anderhalve meter. Daar lag de mogelijkheid om zonder moeilijke fratsen eenvoudig van dat kerkhof weg te komen, ware het niet dat vlak langs die buitenzijde van de muur een brede moddersloot liep.

   Het was inmiddels voorzichtig dag aan het worden.

   De hemel kleurde reeds een beetje rood en oranje in de zwak opkomende zon, terwijl slierten van grauwe wolken schichtig langs de hemel dreven.

   Terwijl Frank voorzichtig door het hoge on-gemaaide gras rond de oude zerken voort sjokte, wierp hij even een blik op zijn horloge dat zijn val na de aanslag kennelijk ongeschonden had doorstaan. Het was inmiddels even over half zeven zag hij op de oplichtende wijzerplaat van zijn kostbare roestvrijstalen Omega horloge, dat de overvaller gewoon om zijn pols had laten zitten. Maar toen hij in de zak van zijn doorweekte werkjack voelde, bleek zijn mobieltje wel te zijn verdwenen.

   Vreemd, schoot het door hem heen. Men pikt wel mijn mobieltje, maar een duur horloge mag ik houden… 

   Het smalle, met gras begroeide stuk grond, dat vanaf de muur tot aan de sloot de afscheiding van het kerkhof vormde, was absoluut niet breder dan een kleine zestig centimeter en hier en daar, als gevolg van vochterosie, al reeds in de modderige sloot weggezakt. Frank sjokte er met een van pijn kloppend hoofd naartoe en bekeek de situatie een moment.

   ‘Goed,’ mompelde hij. ‘Dat moet lukken, al is het wel een beetje smal om normaal te kunnen lopen, terwijl het risico om in die prutsloot te belanden nogal groot is.’  

   Maar uiteindelijk wist hij zich vloekende en tierende over de muur te hijsen en strompelde hij vervolgens voorzichtig, zich steunend met een afgevallen dikke tak van een beukenboom, richting het struikgewas dat een goede vijftig meter verder het kerkhof en het plein voor de kerk en het kerkhof omringde. Daar bleef hij even gebukt staan om op adem te komen.

   Vervolgens liep hij, modderig en doorweekt, naar huis.  

   Thuisgekomen liet hij gelijk het bad vollopen, trok de keukendeur open en liet de jammerende Fikkie, die op knappen stond, maar even in de achtertuin zijn behoeften doen. Hij trok vervolgens zijn doorweekte kleding uit. Riep vervolgens zijn hond binnen waarna hij zich in het warme badwater liet zakken.

   ‘Christus, dat mij dit moest overkomen,’ kreunde hij terwijl hij een handdoek onder zijn achterhoofd legde en nadacht over zijn domme actie die hem als het ware, zo in handen, van een onbekende overvaller had doen belanden. Maar dat er iets vreemds aan de hand is op dat kerkhof is met de aanslag op mij wel bewezen, dacht hij even later. Terwijl het tevens is bewezen dat ik niet de enige persoon ben die getroffen werd door een vreemd soort spanning als men in het donker langs dat kerkhof liep. Vandaar dat ik daar ’s avonds niemand meer tegenkom dacht hij.

   Frank douchte zich af en stapte vervolgens uit bad.

   Misschien is het goed om hier toch maar eens met de politie over te praten schoot het door zijn gedachten. ‘Maar goed, het zij zo,’ mompelde hij terwijl hij zich afdroogde, een ochtendjas aantrok en een tweetal paracetamol tabletten in een glaswater oploste en opdronk. Nu pas zag hij in de spiegel dat hij ook een flinke schaafwond aan de linkerkant van zijn hoofd had. Vermoedelijk het gevolg van de klap op mijn kop. Waarschijnlijk met mijn hoofd die rottige oude zerk geschampt, tijdens mijn val, vermoedde hij.

   Hij liep de badkamer uit en liet zich op bed vallen. Zette de wekker op half tien en belde vervolgens met zijn vaste telefoon zijn opdrachtgever op.

   ‘Hoi, Marco, met Frank. Ik ben vanmorgen wat later wegens een klein ongevalletje. Niets ernstigs hoor, maar ik heb even tijd nodig om weer aan de slag te gaan. Ben met mijn kop tegen een grote betonnen paal gevallen. Ben nog wat duizelig, maar vanmiddag rond één uur ben ik wel weer paraat…’

   ‘Ik zie je wel verschijnen, Frank. Doe maar even rustig aan, jongen. Ga anders eerst even bij een dokter langs. Gewoon om te controleren of je geen hersenschudding hebt opgelopen.’

   ‘Dat doe ik zeker, tot vanmiddag, Marco.’

   Daarna trok hij het dekbed over zich heen.

   Fikkie voelde intussen aan dat zijn baasje wat liefde nodig had. Het dier sprong op het bed en vlijde zich bij Frank tegen zijn schouder aan, terwijl het zijn zwart met witte kopje voorzichtig tegen het hoofd van zijn baasje op het hoofdkussen drukte en Frank een lik met zijn tong gaf.

   Frank merkte dit allemaal niet meer. Hij dommelde reeds weg en viel na een half uur draaien en keren, uiteindelijk in een onrustige slaap. In zijn eerste slaap vroeg hij zich wel in gedachten nog even af waarom hij eigenlijk niet gewoon de waarheid tegen zijn opdrachtgever had verteld, in plaats van een zwamverhaal op te dissen over een val tegen een betonnen paal. Maar over dat waarom, daar kwam hij in zijn zich steeds dieper ontwikkelende slaap niet uit.

   Fikkie draaide zich inmiddels behaaglijk op zijn rug en trapte even met zijn poten tegen de arm van Frank aan, die daarop een moment uit zijn slaap werd gewekt.

   Hij haalde zijn hond even aan. ‘Jij bent een echte vriend, Fikkie,’ zei hij tegen de rustig doorslapende hond, terwijl hij het beest over zijn kop aaide. ‘Maar luister eens goed, Fikkie. Een ding staat voor mij zo vast als een huis. Degene die me dit smerige kunstje heeft geflikt is nog niet met mij klaar. Daar zal die lafhartige hufter, absoluut, ooit een keer heel pijnlijk achter komen.’ 

 

Het was kwart over twaalf toen hij wakker werd doordat Fikkie naar beneden rende en bij de voordeur hevig aansloeg.

   ‘Ook dat nog. Natuurlijk weer zo’n klote collecte,’ mompelde Frank terwijl hij zich slaperig uit bed oprichtte, een kamerjas aantrok en de trap af naar beneden slofte. Fikkie ging inmiddels als een kleine wolf tekeer, dus zou er wel vreemd volk voor de deur staan dacht Frank terwijl hij de voordeur met de veiligheidsketting er op, op een kier opende.

   Tot zijn niet geringe verbazing bleek het een politieman te zijn die, te samen met een vrouwelijke collega, voor zijn deur stonden te wachten.

   ‘Bent u Frank Bonte,’ vroeg de mannelijke agent aan hem op vriendelijke toon.

   ‘Inderdaad, dat ben ik,’ antwoordde Frank terwijl hij de ketting van de deur haalde en hevig grommende en blaffende Fikkie bij de halsband pakte.

   ‘Mooi, we komen even bij u langs omdat we hebben begrepen uit gesprekken met andere dorpsbewoners, dat u ook de afgelopen avond een merkwaardige ervaring hebt opgedaan bij het dorpskerkhof.’

   ‘Verrek…, komen jullie daar voor?’

   ‘Ja inderdaad meneer. Maar ik zie dat u niet gekleed bent. Bent u soms ziek?’

   ‘Ja…, een beetje.’   

   ‘O jee, maar zouden we toch even een moment van uw tijd gebruik mogen maken om een paar vragen te stellen en uw ervaring met betrekking tot deze kwestie van u te vernemen?’

   Frank aarzelde even, maar zei toen ‘Ja natuurlijk, komt u binnen. Maar kijk niet naar de rommel want ik heb nog geen tijd gevonden om een en ander op te ruimen.’ Vervolgens ging hij de twee agenten voor naar de grote woonkamer met open keuken, terwijl hij de jammerende Fikkie in de bijkeuken liet.

   ‘Weet u meneer,’ zei de vrouwelijke agent die kennelijk de leider van het tweetal was, met een vriendelijke glimlach op haar gelaat. ‘We hebben enkele klachten van dorpsbewoners ontvangen omtrent het plotseling bij hen opkomen van een heel vreemd onrustig gevoel in hun lijf, als ze ’s avonds in het donker langs de muur van dat kerkhof lopen. Het schijnt een angstwekkende ervaring voor de betrokken mensen te zijn geweest die ons gebeld hebben.’

   ‘Goh, ik wist niet dat de politie voor zulk soort klachten ook uitrukt.’

   ‘Ik kan me voorstellen dat die gedachte bij u opkomt, want normaal besteden we inderdaad geen tijd aan zulke zaken, maar nu kregen we op een avond een vijftal klachten binnen op de meldpost. Die klachten hadden een nagenoeg gelijk patroon en vielen qua tijd en datum ook redelijk samen, al was er een persoon bij die een dergelijke ervaring twee uur eerder op die avond had gehad. Vandaar dat we deze opvallende klachten nu wel serieus hebben genomen.’

   Frank had gevraagd of ze een kopje thee wilden hebben en had intussen theewater opgezet terwijl hij luisterde naar hetgeen de agenten te vertellen hadden. Nadat hij de theepot op tafel had gezet en zwijgend de gebruikelijke trommel met koekjes naast op tafel bij de theekopjes had geplaatst, ging hij aan het eind van de tafel zitten. ‘Hoe komt u er eigenlijk bij om over dit onderwerp bij mij aan te komen,’ vroeg hij opeens.

   ‘Wel,’ zei de mannelijke agent glimlachend. ‘Dat is niet zo moeilijk te beantwoordden. We hebben ook een klacht van een zekere meneer Jacob van Dam ontvangen. De man die kennelijk het onderhoud van het kerkhof verzorgt,’ antwoordde de agent terwijl Frank de thee inschonk. ‘En de heer van Dam deelde ons mede dat u hem gisterenavond opbelde en met hem enkele, in uw ogen, vreemde zaken met betrekking tot dat kerkhof heeft besproken.’

    Frank knikte slechts, terwijl hij een slokje thee nam.

   ‘Waarbij de heer van Dam ons mededeelde dat u kennelijk ook het slachtoffer was geworden van zo’n vreemde en angstige gevoelservaring bij dat kerkhof, toen u 's avonds uw hond uitliet.’

   Frank reageerde niet gelijk op deze opmerking. Hij had deze opmerking al aan zien komen. Zwijgend opende hij de koekjestrommel en bood de twee politieagenten eerst een koekje aan. ‘Ja, dat klopt,’ antwoordde hij vervolgens. ‘Dat zal ik niet ontkennen. Het was overigens precies zoals u het reeds memoreerde. Een hele vreemde, zelfs wat griezelige ervaring. Komt bij dat ik bij nadere controle vaststelde dat het buitenhek van het kerkhof opeens met een ketting en een hangslot was afgesloten. En dat vond ik vreemd. Daar heb ik een goed uur na mijn thuiskomst Jacob van Dam over gebeld.’

   ‘Inderdaad, dat vertelde de heer van Dam ons ook. Maar waar het ons nu omgaat is het volgende: heeft u ten tijde van uw bezoek aan dat kerkhof, toen u bij dat hek stond, misschien iets bijzonders waargenomen. Ik bedoel te zeggen; zag u iets dat afwijkend leek te zijn tot het normale beeld van dat kerkhof in het schemerdonker?’

   Frank antwoordde opnieuw niet gelijk. Beelden van die avond spoelden inmiddels als woelige golven door zijn gedachten, terwijl hij gelijktijdig aanvoelde dat het misschien niet verstandig zou zijn om in details te treden, noch over zijn eigen waarnemingen en vooral over zijn nachtelijke exercitie op dat kerkhof te reppen. Derhalve mompelde hij slechts dat hij zich niets bijzonders kon herinneren, maar dat het wel even leek alsof er een soort lichtje in het midden op dat kerkhof brandde. ‘Maar dat zal wel verbeelding zijn geweest,’ voegde hij er vervolgens aan toe.

   Een goede twintig minuten later vertrokken de twee agenten met de mededeling, hen gelijk te bellen als er zich weer zo iets vreemds voordeed. Ze lieten een kaartje achter met daarop hun namen en het doorschakelnummer van het politiebureau. 

   Frank liet hen uit, terwijl hij onwillekeurige zijn goedkeurende blik over de blonde vrouwelijke agent liet gaan. Eigenlijk best een heel lekker ding, schoot het door hem heen. Het zal geen opgave zijn om zo’n fraaie meid als partner tijdens je surveillance  te hebben, dacht hij vervolgens bij zichzelf, waarna hij de voordeur sloot.

   Het was tijd om weer aan het werk te gaan. Fikkie liet hij uit de bijkeuken vrij waarna hij zich naar de badkamer spoedde om zich te douchen en aan te kleden. Hij zette de radio aan op een populaire nieuwszender en hoorde vervolgens dat er weer een liquidatie van een vermeend onderwereldfiguur had plaatsgevonden in Amsterdam. Na even te hebben geluisterd naar het bericht op de nieuwszender drukte hij het geluid weg. ‘Het zal wel,’ mompelde hij terwijl hij de radio, na even zoeken, op een andere zender schakelde die muziek ten gehore bracht. ‘Ik heb vandaag echt geen interesse om het gezeik aan te horen van al die criminele klootzakken die elkaar afmaken.’

Maar juist dat overschakelen naar een andere zender was een beslissing die hij later zou betreuren, al kon hij dat uiteraard op dat moment nog niet beseffen.

Vervolg kunt u lezen in 6:   http://tallsay.com/page/4295000878/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-6 

©  Leonardo 

     

 

23/09/2019 21:02

Reacties (4) 

2
23/09/2019 23:04
Mooie cliffhanger...ben nog bezig te achterhalen waarom Frank zo wantrouwig is tegenover de politie en dan dit!
24/09/2019 14:49
Dit verhaal heeft even tijd nodig om de lezer te informeren waar het nu precies om draait. Maar ieder deel laat iets van de werkelijke kern van het verhaal blijken.
3
23/09/2019 22:18
Heerlijk om te lezen...ga zo door!
En heb het lef niet om dit verhaal niet af te maken ;-)
1
24/09/2019 14:50
Dat laatste is iets wat ik nooit kan beloven, maar ik doe mijn best!
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert