Het mysterie der zwarte gestalten 4.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
   Vervolg op deel 3:  http://tallsay.com/page/4295000759/het-raadsel-der-zwarte-gestalten-3       

             ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

                                                                4.

 

 

Overval.

Frank kon na de merkwaardige en sinistere ervaringen gedurende zijn avondloopje bij de muur van het plaatselijke kerkhof zijn draai niet meer zo goed vinden. Hij had nog niet gegeten en zijn maag knorde eigenlijk van de honger. Maar iets weerhield hem er van om eten te koken. Terwijl Fikkie, zijn Jack Russel, zich op de keukenmat neervlijde stond hij zelf met zijn rug tegen het aanrecht aangeschoven diep na te denken over hetgeen hij die avond had meegemaakt.

   Er is daar iets aan de hand wat niet normaal is, dacht hij. Hoe kan het dat ik emotioneel zo sterk negatief beïnvloed wordt als ik daar in het donker met de hond langs loop, terwijl Fikkie het ook nog eens op de heupen krijgt van iets wat hij kennelijk voelt. Het lijkt wel alsof er rond dat kerkhof een soort signaal in de atmosfeer zweeft dat op een of andere manier de hersens kan beïnvloeden. De vraag is dan echter: Wie zend dat signaal uit en hoe zit het dan met die vreemde waarneming van dat lichtje welke ik op dat kerkhof heb gedaan.

   Hij had een homp kaas in de hand waar hij af en toe een hap van nam. Na een paar minuten opende hij een keukenkastje en pakte er enkele blikken soep uit waarna zijn keuze op de bonensoep viel. Terwijl hij het blik bonensoep opende teneinde een gemakkelijke maaltijd te kunnen nuttigen schoten zijn gedachten steeds weer terug naar hetgeen hij zopas had waargenomen en vooral, naar wat hij dat bij dat kerkhof had gevoeld. En dan met name met betrekking tot de dreiging die opeens van dat kerkhof en de omgeving van die oude kerk straalde.

   ‘Het is verdomme toch niet normaal, Fikkie’ mompelde hij tegen zijn hond die met zijn staart kwispelde. ‘Misschien hebben andere dorpsbewoners dat vreemde onrustige gevoel ook wel eens in hun lijf gevoeld als ze hier in het donker langs kwamen lopen. En misschien is dat wellicht de reden dat ik hier ˈs avonds niemand meer tegenkom als ik jou uitlaat, jongen.’

   Fikkie gromde even en ging op zijn rug liggen met de pootjes omhoog gevouwen.

   Frank haalde zijn hond even aan maar kon zich toch uiteindelijk niet langer inhouden. Zijn gevoel dwong hem als het ware om actie te ondernemen.

   Hij zette het gas onder de pan soep uit, pakte zijn mobieltje en belde Jacob van Dam, de bejaarde voormalige koster van de kerk. De man die thans de door de stichting aangestelde beheerder van het kerkhof was.

   Jacob van Dam was een in goede conditie verkerende man van twee en zestig jaar. Buiten zijn werkzaamheden als beheerder van het kerkhof, een functie die vooral het onderhoud van het kerkhof betrof,  was hij sinds enkele jaren ook terrein chef van het plaatselijke sportterrein en houtvester. Het laatste beroep oefende hij als kleine zelfstandige uit.

   Jacob had het niet erg breed, zodat hij van alles aannam om maar een paar centen bij te verdienen. Het was een voor zijn leeftijd, vrij stoere vent, die zich niet gemakkelijk bij moeilijkheden uit het veld liet slaan. Toen Frank hem op zijn mobieltje belde, had Jacob zich net omgekleed en zat hij voor de televisie naar een populair praatprogramma te kijken.   

   Hij zette het geluid van de televisie wat zachter toen zijn mobieltje zich liet gelden, nam vervolgens op en meldde zich. ‘Verrek, Frank, hoe gaat het met jou. Ik heb je al een tijd niet gezien. Was je soms ziek?’

   ‘Nou nee, dat niet. Maar ik heb het wel erg druk gehad de afgelopen weken.’

   ‘Ik neem aan dat je het druk had met je werk, Frank. Maar dat is een goed teken, toch…’

   ‘Ja, dat is het zeker.’

   ‘Maar ik vermoed dat je me daar op dit tijdstip niet voor belt, tenzij je even een praatje pot wil maken.’

   ‘Nee, je hebt gelijk met die opmerking, Jacob. Ik bel je voor iets heel anders. Eigenlijk weet ik voor me zelf nog niet zeker of ik je wel met mijn vraag moet lastigvallen.’

    ‘Nou, hallo zeg, je maakt het wel spannend. Kom op met je vraag zou ik zeggen.’ 

    ‘Wat ik van je wil weten is, of het toegangshek van kerkhof, tegenwoordig met een ketting en een hangslot wordt afgesloten’

    Jacob van Dam antwoordde verbaasd en wat lacherig dat het zeker niet het geval was. ‘Goh, Frank, wat een vreemde vraag. Voel jij je eigen wel goed of heb je reeds een stevige borrel op?’

  ‘Nee man,’ antwoordde Frank wat kregelig. ‘Ik bel je niet voor de flauwekul. Ik heb geen druppel gedronken. Maar toen ik zojuist met de hond langs het hek liep zag ik dat een ketting met een vrij nieuw ogend hangslot op het hek zitten.’

   ‘Ach ga weg…’

   ‘Ja, zonder dollen. Het is echt waar…, mijn ogen bedriegen me echt niet’

   Het was even stil aan de telefoon voordat Jacob hem antwoord gaf. ‘Nou, ik vind het een vreemd verhaal, Frank. Maar ik zal voor de zekerheid straks nog wel even gaan kijken wat er aan de hand is, maar ik kan je nu al zeggen dat ik in elk geval, absoluut geen ketting met een slot op het hek heb geplaatst.’

   ‘Nou, jij zegt het…’

   ‘Ja inderdaad. Dat zeg ik. Maar goed, misschien is het gewoon weer een geintje van een van die baldadige tienerjongeren. Ik bel je straks voor elf uur nog wel even terug als ik daar langs ben geweest. En bedank voor de informatie, Frank!’ 

  

Rond halfelf werd Frank opgebeld door een verontruste Jacob van Dam die hem mededeelde dat het hek inderdaad op slot was toen hij het een kwartier geleden controleerde, maar dat hij tot zijn verbazing het slot gewoon kon openen.

  ‘Weet je; het dikke zwarte hangslot was wel dichtgedrukt maar het functioneerde niet correct. ‘Wie doet zoiets nou, een paar weken voor kerstavond vraag ik me af,’ zei hij tegen Frank. ‘Wat bezield mensen om zoiets te doen.’

   ‘Wat dat laatste betreft wat je zei  Wat bedoelde je met je opmerking dat het slot niet goed functioneerde, Jacob.’

   ‘Nou, precies wat ik zei.'

   'Ik kan het niet raden, Jacob.’

   ‘Weet je. Ik kreeg eigenlijk de indruk dat het slot met de ring bewust kapot was gemaakt en dat het er alleen op dat hek zat om de indruk te wekken dat het kerkhof was afgesloten.’

   ‘Maar…, wie heeft daar dan belang bij?’

   ‘Ik heb geen idee, Frank. Maar een andere verklaring kan ik er niet voor vinden.’

   ‘Vreemd, wie komt er in hemelsnaam op het idee om zoiets te doen?’

   ‘Dat vroeg ik me ook af toen ik bij dat hek stond. Maar er is nog iets bijzonders wat ik je wil vertellen.’

   ‘O ja?’

   ‘Ja…, maar ik hoop alleen, dat je me niet uitlacht.’

   ‘Nou, dat doe ik niet, Jacob. Maar vertel op, wat voor bijzonders heb je daar waargenomen?’ 

   ‘Ja, hoe zal ik het zeggen… Ik kreeg gewoon een wat merkwaardig onrustig gevoel in mijn lijf, toen ik daar met mijn fiets aankwam en dat slot controleerde. Een gevoel dat ik niet kan beschrijven, doch dat ik nog nooit heb ervaren zolang ik op dat kerkhof mijn werkzaamheden uitvoer.’

   ‘Je meent het.’

   ‘Zonder dollen, Frank. Het was een heel raar, wat onrustig vreemd gevoel. Het maakte me wat nerveus. Overigens vreemd dat ik dat nooit eerder heb ondervonden gedurende mijn werk op het kerkhof. Maar goed, ik wijt het maar aan de spanning van het moment.’

   ‘Nou, je bent niet de enige die dat gevoel heeft ervaren. Ik voelde me ook niet op mijn gemak toen ik het kerkhof aan de oostelijke muur passeerde.’

   ‘Verrek, dus jij voelde dat ook.’

   ‘Inderdaad’

   ‘Dan is dat dus geen hallucinatie geweest.’

   ‘Nee, zeker niet. Frank rilde onwillekeurig even. ‘Ik had een zelfde ervaring. Daarbij komt dat ook mijn hond erg vreemd ging doen en rap bij dat kerkhof vandaan wilde.’

   ‘Dat is merkwaardig, Frank. Ik vraag me dan ook af wat het is dat ons zo’n onbehaaglijk gevoel kan geven. Misschien dat ik morgen toch eens even met onze politionele dorpscowboy hierover ga spreken.’ 

   ‘Ja, dat kan geen kwaad lijkt mij. Maar wat ik me tevens afvraag. Was verder naar jouw idee wel alles normaal op dat kerkhof, of heb je misschien toch iets bijzonders gezien dat het gevoel kan verklaren dat je me zojuist beschreef.’

   Het duurde even voordat Jacob hem antwoordde, maar toen hij uiteindelijk sprak kwam ook bij Frank weer een onrustig gevoel in zijn lijf opzetten.

   ‘Weet je Frank. Ik wilde dit eigenlijk niet vertellen. Maar omdat jij er nu over begint vertel ik het je nu uiteindelijk toch maar, alhoewel...’

   ‘Maar wat is het dan dat je kennelijk zo bevreemde dat je het mij eigenlijk niet wilde vertellen?’

   ‘Nou ja… Ik wil me eigen niet belachelijk maken. Maar ik dacht daar straks werkelijk even een lichtje te hebben zien branden op het kerkhof. Maar toen ik mijn zaklantaarn aanstak en over die zerken scheen was er niets bijzonders te ontdekken. Het zal dan ook wel verbeelding van me zijn geweest denk ik nu ik er wat verder over nadenk’

   ‘Nou ja, we kunnen ons allemaal vergissen, niet waar. Maar in elk geval fijn dat je even polshoogte bent gaan nemen, Jacob. Ik wens je verder een prettige avond.’

   ‘Dat wens ik jou ook, Frank. Trouwens; wanneer zien we je weer eens in het café?’

   ‘De komende week laat ik me weer eens zien. Maar de eerst volgende dagen heb ik het gewoon te druk en wil ik ’s avonds op tijd mijn bed in.’

   ‘Nou ik zie je wel weer eens opduiken, Frank. Maar voor het geval dat je me straks na dit telefoon gesprek voor een fantast uitmaakt, wil ik nogmaals benadrukken dat ik echt een lichtje heb zien branden op dat kerkhof. Ik vergis me niet en ben nog niet seniel!’

   ‘Ik geloof je, Jacob. Welterusten.’

 

Of het nu kwam door de laatste woorden van Jacob van Dam, of slechts gewoon gedreven door het weer opkomende vreemde gevoel van onrust dat zich na dit telefoongesprek weer van hem meester had gemaakt, was hem niet duidelijk. Maar Frank werd, naarmate de avond vorderde, alsmaar onrustiger.

   Het was buiten inmiddels wat gaan regenen en waaien. Druppels, tikten af en toe tegen zijn keukenramen. Schuin tegenover zijn woning  hadden buren die middag een grote zilverspar in de tuin als kerstboom opgetuigd. De lampjes zetten de tuin en een deel van de straat een feeëriek licht. Alleen was het jammer dat het nu zo hard waaide en regende. Dat deed wat afbreuk aan de gezellige kerstsfeer.

   Inmiddels was het bijna half twaalf geworden toen Frank het niet langer in huis uithield. Iets in hem waarschuwde hem als het ware dat hij terug moest. Terug naar die kerk en naar dat kerkhof. Gewoon om te onderzoeken wat nu precies de reden was van zijn plotseling opgestoken onrust. Want dat het iets met dat kerkhof te maken had, was voor hem inmiddels wel duidelijk.

   Hij draalde nog even en gaf toen toe aan zijn innerlijke gevoelens. Vervolgens schoot hij zijn werkschoenen aan, stak zich daarna in een dik jack met capuchon, pakte een kleine zaklantaarn en verdween naar buiten in de wind en regen.

   Zijn hond liet hij nu thuis. Eigenlijk alleen maar omdat zijn gevoel hem dat als het ware influisterde. Alsmede vanwege het feit dat de hond daarstraks nogal onrustig was bij de muur van het kerkhof en wellicht zou kunnen aanslaan, hetgeen zijn aanwezigheid gelijk zou verraden. Want een ding was hem intussen wel duidelijk. Als hij wilde weten wat zich daar in het stikdonker op dat kerkhof afspeelde, dan was het zaak om daar volledig ongezien aan te komen. Zonder blaffende en jankende hond.

   Het was buiten inmiddels stikdonker.

   Hier en daar was er een brandende straatlantaarn. In een tot kerstboom opgetuigde, half verdorde dennenboom voor het huis van zijn overburen, waren lichtjes gehangen. Net als bij twee andere bomen in de doodstille straat. Op de plekken waar de kerstboomverlichting brandde zag het er vriendelijk uit. Maar verder was het in de straat gewoon donker, winters, rotweer.

   De kerkklok gaf met één slag aan dat het half twaalf was toen hij de pas er in zette en op het kerkhof afstevende. De straatlantaarn op het plein voor het kerkhof brandde nog. Die zal nu wel direct uitgaan, dacht Frank, hetgeen ook inderdaad gebeurde. Hij wachtte even een minuut tussen een haag van coniferen die de tuin van oude boerderij omzoomden. 

   Nog zo’n honderdvijfentwintig meter tot het hek van het kerkhof, schoot het door zijn gedachten. Slechts heel vaag kon hij in de donker van de nacht iets onderscheiden toen hij zich, op zijn tenen lopend, weer in beweging zette. 

   Naarmate hij de kerk en het kerkhof dichter naderde, werd ook zijn onrust geleidelijk aan weer groter. Maar Frank was niet meer te houden. Iets in hem dreef hem als het ware naar dat oude donkere kerkhof toe. Toen hij bij de vervallen muur met het toegangshek aankwam voelde hij met zijn handen aan de ketting met het slot en bemerkte dat het hek weliswaar gesloten was, maar dat het inderdaad gewoon kon worden geopend. Voorzichtig maakte hij de ketting los, waarna hij uiterst behoedzaam het hek opende en vervolgens het kerkhof betrad.

   Na drie stappen op het grind bleef hij staan om te luisteren. Het was eigenlijk gekkenwerk bedacht hij. Hier stond hij nu midden in de nacht op het kerkhof. En waarom eigenlijk dacht hij.

   Zijn ogen wenden inmiddels aan het donker. Hij keek om zich heen en stapte toen gewapend met een in der haast opgeraapte dikke stok in zijn rechterhand en de zaklantaarn in zijn linkerhand, als het ware op zijn tenen lopend, over het grind naar het midden van het kerkhof. De plek waar hij eerde die avond dat lichtje had zien branden. Nadat hij bij een grote oude, scheefstaande, donkere zerk was aangekomen, bleef hij weer gespannen staan luisteren. Doch slechts de geluiden van de wind, het kraken van boomtakken en de neervallende regen bereikten zijn oren. Even meende hij vlak voor hem in het donker iets te zien bewegen. Maar het kon ook gewoon een tak van een struik zijn die door de wind werd bewogen, dacht hij vervolgens.

   Maar het was geen tak van een boom.

   Er bewoog wel degelijk iets voor hem. Hij zag niets doch toch voelde als het ware dat hij hier niet langer alleen was. Zijn spieren waren opeens extra gespannen, terwijl zijn tranende ogen zich over de rand van de grafzerk in het donker boorden.

   Het had inmiddels opgehouden te regenen, terwijl de maan zich even vaag tussen de uit elkaar drijvende wolken liet zien. Frank bukte zich snel omdat een wolk vrij rap voorbij de maan dreef, waardoor de maneschijn het grondoppervlak kon bereiken en hem vanachter die zerk zichtbaar kon maken voor spiedende ogen. En dat die ogen er waren, daar was hij op dat moment zeker van.  

   Boven zijn hoofd kraakten enkele takken van een boom in de aantrekkende wind. 

   Plotseling dacht hij een ander geluid te horen. Het geluid scheen rechts van hem vandaan te komen. Het leek op het geluid van een voetstap op het grind, of eigenlijk, meerdere voetstappen op het grind. De voetstappen naderden reeds vlak bij hem. Frank spande zijn spieren, gereed om van zich af te bijten als hij zou worden aangevallen, maar gelijktijdig nam een onbestendig gevoel van naderend gevaar bezit van hem.  Voorzichtig hief hij de stok wat op om gelijk toe te slaan als hij werd aangevallen, maar zover kwam het helemaal niet. In het maanlicht nam hij slechts in een flits de in het zwart geklede figuur waar die opeens naast hem stond. Hij voelde wel de klap, terwijl hij zich tevens in een fractie van een seconde realiseerde dat hij een schreeuw gaf, maar daarna werd het slechts donker om hem heen.

   De vreemde, in het zwart geklede gedaante bukte zich en voelde even aan de hals van zijn slachtoffer. Het was een groot en fors gebouwd persoon. Hij mompelde een paar verwensingen, richtte zich vervolgens op en liep samen met een andere persoon weg, richting de kerk. Zijn slachtoffer liet hij in regen en wind achter.

   ‘Die zal ondanks de regen nog wel even doorslapen, en morgenvroeg een knetterende koppijn hebben,’ mompelde de vreemde persoon zacht tegen een kleinere andere persoon die met hem meeliep. Samen liepen ze vrijwel geruisloos over het grind naar een in het midden van het kerkhof opdoemde beeldengroep, waarachter ze plotseling verdwenen.

   ‘Ja, vervelend dat we een eerbaar burger hebben moeten uitschakelen. Maar dat was uiteindelijk wel zijn eigen schuld,’ redeneerde de andere kleinere persoon. ‘Dan had die vent zijn nieuwsgierigheid maar moeten beteugelen.’

   ‘Dat vind ik ook.’

   ‘Precies. Waarom was die vent hier dan ook. Hij had gewoon moeten wegblijven.’

 

Vervolg kunt u  lezen in 5: http://tallsay.com/page/4295000858/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-5
©  Leonardo

 

17/09/2019 22:52

Reacties (8) 

1
18/09/2019 14:43
Inderdaad gekkenwerk ´s nachts op pad, nieuwsgierig, kijken wat zich daar afspeelt op dat kerkhof, moet er niet aan denken, spannend.
19/09/2019 00:12
Ja..., er gebeuren soms vreemde dingen in een mensenleven.
1
18/09/2019 08:05
middernacht .. kerkhof .. donkere gedaanten .. alle elementen zijn aanwezig voor een Edgar Allen Poe verhaal
1
19/09/2019 00:12
Daar lijkt het in eerste instantie misschien wel wat op!
1
18/09/2019 00:14
Ziezo. Het zijn dus geen spoken, maar kennelijk een stel schatzoekers.???
Ben natuurlijk weer erg benieuwd naar het vervolg.
Mooi opgebouwd, de spanning!
1
19/09/2019 00:11
Schatzoekers zijn het beslist niet.
1
17/09/2019 23:41
Pfff...spannend! Een bijeenkomst van een sekte?
19/09/2019 00:11
Nee, een sekte is het niet!
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert