Het mysterie der zwarte gestalten 3.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 2:  http://tallsay.com/page/4295000708/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-2            

             ebfbaef75ffc487b40aa633ea9d6e86b_medium.

 

 

                                                                  3.

 

Die zelfde avond.

 

Frank liep met Fikkie verder over het bospad naar de rivierdijk en wierp af en toe een blik richting het dorp, waar de straatverlichting tussen de bomen aangaf in welke richting hij moest lopen om zijn woning te bereiken. Niet dat hij dat herkenningspunt nodig had om thuis te komen. Het was daarentegen slechts een automatische reactie van hem om een blik te werpen op het verlichte dorpje.

   De bewolkte hemel boven hem brak opeens heel langzaam een beetje open, zodat af en toe een vriendelijke halvemaan tussen de wolkenmassa zichtbaar werd. Slierten van laaghangende bewolking dreven als spookachtige gedaanten in het maanlicht boven zijn hoofd aan de hemel weg.

   Vanuit het dorp drong het geluid van dreunende hiphop tot zijn oren door, terwijl een vrouwenstem tegen een vermoedelijk opstandige puber krijste, dat hij die klote  radio zachter moest zetten.

   Wat verder bij hem vandaan hoorde hij het monotone gestamp van een zware scheepsdieselmotor langzaam naderbij komen. Het geluid was waarschijnlijk afkomstig van een moeizaam, stroomopwaarts door het rivierwater ploeterend vrachtschip.

   Op de rivierdijk aangekomen merkte hij pas goed hoe koud het inmiddels was geworden. De rivier lag op het punt waar hij zich op dat moment bevond, zo’n kleine vierhonderd meter van hem vandaan. De eigenlijke rivieroevers werden omsloten door omgeploegde uiterwaarden die door boeren uit de omgeving werden benut om er in het voorjaar mais en graan te verbouwen. De grond huurden de agrariërs van Rijkswaterstaat, welke overheidsinstantie uiteindelijk eigenaar van de uiterwaarden was.

   De snijdende oostenwind op de dijk trok af en toe wat aan, met het gevolg dat Frank even rilde en zijn kraag opzette. ‘Verdomme, wat is het een guur klote weer,’ mompelde hij half in zichzelf, terwijl hij Fikkie meetrok en de terugweg naar zijn behaaglijke woning aanving.

   Hij stond vervolgens na enkele stappen weer even stil toen Fikkie kennelijk een interessante plek in het gras had gevonden, waarbij hij zelf een moment naar het in de verte zichtbare groene toplichtje van het naderende vrachtschip keek. Vervolgens trok hij de kraag van zijn dikke gevoerde werkjack nog wat hoger op en liep daarna verder over de dijk, richting de afslag naar het dorp, om vervolgens na daar te zijn aangekomen, de dijk weer via een voetpad af te dalen.

   Het smalle voetpad wat hij nu betrad, daalde over een afstand van zo’n vierhonderd meter, heel langzaam iets af richting de achter het dorp liggende weilanden. Maar eerst slingerde het pad zich na een kleine vijfentwintig meter, weer door de bosstrook richting de kerk en het omringende kerkhof.

   Plotseling aanzwellende herrie kondigde een vliegtuig aan.

   Frank keek even omhoog, opgeschrikt door het brullende geluid van een relatief laag overvliegende straaljager die kennelijk op weg was naar de luchtmachtbasis Volkel.

   De maan was opeens weer verdwenen terwijl de hemel weer grotendeels bedekt was door grauwe grijswitte wolken.

   Hij trok Fikkie mee, en liep rustig richting de muur van het kerkhof waarlangs het voetpad zich naar het voor hem liggende dorp uitstrekte.

   Hoog boven hem in een boom kraste een kraai.

   Stap voor stap naderde hij de muur van het kerkhof, die als een sinister ogende barrière, plotseling in het donker voor hem opdook. Het kleine ijzeren windornamentje, een mannetje en een vrouwtje voorstellende, piepte en knarste in een plotselinge windvlaag.

   Frank rilde opnieuw en trok de hond wat van de muur terug terwijl hij om een niet te verklaren reden, plotseling doodstil op het pad bleef stilstaan. Ergens in zijn hersens vroeg een stemmetje waarom hij niet doorliep, maar iets ondefinieerbaars dwong hem als het ware om stil te gaan staan en de hond kort aan de lijn te houden.

   Wat het was dat hem toen aanspoorde om niet verder te lopen, kon hij later toen hij over deze vreemde gebeurtenis met vrienden sprak, niet verklaren. Hij voelde echter opeens een vreemde druk op zijn borst en een onbehagelijk gevoel door zijn lijf trekken. Het was eigenlijk meer een plotseling opkomende hevige angst voor iets onbekends. Iets wat hij niet kon waarnemen maar dat wel aanwezig was. Een intens gevoel van onbehagen was het, dat zich abrupt van hem meester maakte en hem zelfs even de adem benam.

   ‘Jezus Christus, wat gebeurt er met me,’ sprak hij opeens met een zachte schorre stem, terwijl zijn blik in het donker richting de muur werd getrokken.

   Frank hijgde even van opwinding. Hij wreef zich even in de ogen, wierp toen een blik op Fikkie, bukte zich en haalde het hondje even aan. Tegelijkertijd voelde hij dat de haren op de rug van de hond opeens een soort van hanenkam vormden, ten teken dat ook Fikkie kennelijk plotseling door een hevige mate van onrust of angst was getroffen.

   ‘Wat gebeurt hier, verdomme,’ mompelde hij opnieuw met schorre stem, terwijl hij in het donker om zich heen keek.

   Vanaf de plek waar hij nu stilstond kon Frank net even een blik over de muur van het kerkhof werpen dat hij inmiddels vanaf de rivierdijk, al lopende aan de achterkant had benaderd. Maar ondanks zijn speurende blik had hij eerst niets in de gaten. Het was gewoon stikdonker op dat kerkhof waar alleen vanaf de voorkant, enkele zerken door de straatlantaarns op het kerkplein iets werden verlicht.

   Opnieuw wreef hij even in zijn ogen die wat traanden, vermoedelijk als gevolg van het ingespannen turen in de duisternis. Maar toen hij opnieuw zijn blik op het kerkhof richtte, ontwaarde hij in de verte, recht voor zich, heel vaag opeens een vreemd en vooral macaber gebeuren.   

   Op het verder donkere kerkhof brandde opeens in het midden, bij een in achttiende eeuw-se stijl opgetrokken grote beeldengroep, een zwak schijnsel. Het was een vreemd lichtje dat flakkerend straalde en een spookachtig beeld gaf van de opeens in een vaag licht staande ornamenten.

   ‘Verrek, daar lijkt me een kaars te branden,’ mompelde hij verbaasd

   Frank rekte zich nog wat meer uit om te zien wat zich daar in het midden van het oude kerkhof afspeelde. Heel even meende hij een of meerdere gestalten te zien die zich in een soort van ritueel bij de bewuste beeldengroep leken te bewegen. Maar het kon ook verbeelding zijn geweest realiseerde hij zich even later.

   Fikkie gaf opeens een harde blaf, wat voor Frank aanleiding was de hond subiet tot rust te manen. Toen de terriër weer stil was rekte Frank zich weer uit om over de muur heen te kunnen kijken, maar kon toen niets bijzonders meer ontdekken, behalve dat het lichtje bleef flakkeren.

   Zijn ogen deden zeer van het intensief turen in het donker. Hij rekte zich nog wat meer uit en hield zijn blik gericht op dat zwakke schijnsel op het kerkhof. ‘Wat gebeurt daar in hemelsnaam,’ mompelde hij  zacht, terwijl hij zich opnieuw uitrekte om niets van dat vreemde verschijnsel op het kerkhof te kunnen missen. Doch wat het ook was wat hij daar zag, hij kon zich niet aan de indruk onttrekken dat daar zich iets in het donker afspeelde dat voor nieuwsgierige blikken verborgen moest blijven.

   Toch meende hij tijdens zijn intense turen in het zwakke lichtschijnsel van een vermoedelijk brandende kaars, plotseling heel even een bewegende gestalte waar te nemen. Maar zekerheid over wat hij meende te hebben gezien had hij niet. Uiteindelijk was het donker en het gebeuren speelde zich wat te ver van hem af.

   Frank liep weer een paar meter verder in de richting van het dorp. Het kon uiteindelijk ook gewoon verbeelding zijn geweest dacht hij even later. Verbeelding als gevolg van een schrikreactie ten gevolge van het plotseling oplichtende schijnsel dat overigens enkele seconden na het blaffen van zijn hond weer was verdwenen.

   Maar ook Fikkie had kennelijk iets opgemerkt of gevoeld. Want misschien als gevolg van een zekere spanning in de atmosfeer, was het dier opeens niet meer te houden. De hond wilde zo snel mogelijk bij die vreemde muur van dat kerkhof vandaan. Weg van die kennelijk onheil en dood uitstralende begraafplaats.

   Frank maande zijn hond met zachte stem tot rust, maar het beest scheurde aan de riem, terwijl het jankte en gromde, waarbij de rug en nekharen opnieuw als een hanenkam overeind gingen staan.

   Hij aaide en liefkoosde zijn trouwe maatje, doch kon de hond bijna niet meer rustig krijgen. Voorzichtig trok hij daarop de hevig tegenstribbelende Fikkie met zich mee en liep vervolgens met grote stappen het bosje uit.

   Na nog even in het donker een blik over de muur te hebben geworpen liep hij  kordaat in het licht der straatlantaarns het plein op, naar het hek van het kerkhof dat nu echter, overigens tot zijn grote verbazing, door een metalenketting met hangslot bleek te zijn afgesloten.

   Besluiteloos en verbaasd bleef hij even bij het hek staan. Hij keek door de spijlen van het hek naar het kerkhof om vervolgens een besluit te hebben genomen en zich snel naar de kerk begaf.

   Bij de kerk aangekomen probeerde hij de deur te openen, maar die bleek eveneens op slot te zijn, wat overigens niets bijzonders was nu de kerk niet meer voor het doel werd gebruikt waarvoor hij ooit was gebouwd. Al jaren kwam er immers niemand meer in dat kerkje sinds het in handen van die projectontwikkelaar was gevallen. Maar dat slot op het toegangshek van het kerkhof was wel verdomde vreemd. Dat was er volgens hem nooit geweest, althans, hij had het nooit eerder gezien. Dat hek stond immers altijd los, zowel overdag als ˈs avonds. Natuurlijk was het hek normaal wel altijd dichtgetrokken, maar je kon de metalen hek deur altijd openen om, op welk tijdstip dan ook, het graf van een dierbare te bezoeken.

   Nog even stond hij besluiteloos naar het inmiddels weer door het duister opgeslokte kerkhof te staren, waarna hij zich omdraaide en naar huis terugkeerde met zijn inmiddels wat gekalmeerde hond.  Maar na zo’n tien meter lopen stond hij opnieuw even stil, draaide zich om en keek nog eenmaal naar de ingang van het kerkhof. Zijn hond  gromde weer heftig en liet een jankende kreet uit zijn bek ontsnappen. In het licht van de weer even tevoorschijn komende maan wierpen de bomen zwarte schaduwen over de vele oude zerken, beelden en graftombes.

   Frank haalde zijn schouders op en liep vervolgens met zijn hevig trekkende hond richting zijn woning.  Een kleine minuut nadat Frank was verdwenen, leek ook de spanning uit de atmosfeer te verdwijnen die hem zo intens had geraakt.

 

Ondanks het af en toe neerdalende schijnsel van de maan lag het oude kerkhof weer – doodstil - in het donker van de winteravond. Door die duisternis van de invallende nacht, waren de uit steen gehakte hoofden van de beeldengroep op de sokkel, waar Frank het lichtje had zien branden, nauwelijks zichtbaar. Slechts heel vaag waren een tiental silhouetten van de beeldengroep in het donker herkenbaar.

   Het kerkhof oogde verder totaal verlaten.

   Maar toch was er wel degelijk iets bijzonders te zien, als je maar heel goed keek. Want enkele stenen hoofden van die beeldengroep leken plotseling iets te bewegen, terwijl een vier paar vurige ogen richting het hek leken te staren. De hoofden bewogen weer iets, waarna opeens een viertal geheimzinnige gestalten, die zich kennelijk tussen de figuren van de beeldengroep hadden opgesteld, wat afstand namen en de zich van het kerkhof verwijderende Frank Bonte nakeken.

   Het was in het donker niet te zien wat het waren; mensen of poppen, mannen of vrouwen. Of was het misschien toch gewoon een vorm van illusie?

   Maar, terwijl Frank uit het zicht verdween, ontstond er wel degelijk enige beweging bij die centrale beeldengroep op het kerkhof. Het viel de zich steeds verder van het hek verwijderende Frank echter niet meer op dat enkele gestalten zich onverwacht leken los te maken van de stenen beeldengroep, waarna de volledig in het zwart gehulde figuren zich in het donker, vrijwel onhoorbaar, richting een grote graftombe bewogen. Een graftombe die ooit, vele honderden jaren geleden, aan de oostelijke zijde van het kerkhof, een goede vijftig meter van de kerk was opgesteld en waarin ooit de stoffelijke resten van laatste heren van Groenestein ter aarde waren besteld.

   Nog heel even keken de vreemde gestalten om zich heen en verdwenen vervolgens in het donker van de koude winteravond.

Vervolg kunt u lezen in deel 4: http://tallsay.com/page/429000814/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-4
©  Leonardo
12/09/2019 16:35

Reacties (5) 

1
13/09/2019 15:22
Het wordt steeds beter...je haren gaan ervan overeind staan.
Jammer alleen dat je het niet in één keer kunt uitlezen.
1
13/09/2019 07:31
Het begint heerlijk spannend te worden.
1
13/09/2019 00:31
Spooky...waar gaat dit heen?
13/09/2019 11:35
Dat vertel ik nog niet, Willemijntje. Nog even afwachten...
1
12/09/2019 20:38
Spannend....
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert