Het mysterie der zwarte gestalten 1.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

             

              7aa727c7b84b10345725ef90f7c06406_medium.

 

                                 Het mysterie der zwarte gestalten

 

Dit verhaal is fictie. Situatieschetsen, namen van personen alsmede aanduidingen van plaatsen, gebouwen, en beschreven situaties in of nabij steden of dorpen, berusten nadrukkelijk op toeval en zijn slechts ontsproten aan de fantasie van de schrijver.

 

 

                                    La vie est comme une pipe à la canelle.

                                           Celui qui craint reçoit sa part

 

                                                             

                                                                1.

 

Maandag 27 november

De avond van 27 november 2017 viel snel, onder een dichtgetrokken grijze hemel. De temperatuur daalde overeenkomstig de weersverwachting al rond vijf uur ˈs middags tot net onder het vriespunt. De straatverlichting floepte aan en gaf de vrijwel kale bomen in de straat wat meer silhouet, terwijl de vochtige stammen glinsterden in het licht van de lantaarns. Alleen de eiken en beukebomen hadden nog wat bruine bladeren, welke afstaken tegen de nagenoeg bladerloze omgeving.

   Bij de oude middeleeuwse kerk welke iets vanaf de rand van het dorpje in een voormalig kasteelpark was gelegen, omgeven door hoge oude bomen en struikgewas, bogen de takken van de platanen en eiken in de tochtige wind, kromgetrokken door de restanten van hun jaarlijkse bladerlast en de vastgevroren damp op de takken.   

   De plotseling opgestoken oostenwind verdreef heel langzaam de reeds aanwezige grondmist welke glimmende bevroren sporen op de takken van de bomen had getrokken. Rondom de westelijke zijkant, alsmede rond de achterkant van oude vervallen kerk, was een reeds jaren geleden in onbruik geraakt, oud kerkhof gelegen. Het vormde net als de kerk een restant van het vroegere kasteel Groenestein dat in de 18e eeuw reeds was verlaten en tot ruïne vervalen, alsmede vervolgens door roofzucht van dorpsbewoners en sloop door een latere eigenaar, uiteindelijk vrijwel geheel was verdwenen. Evenals de relatief kleine kerk welke uit het begin van de vijftiende eeuw dateerde, was ook het omliggende kerkhof de laatste veertig jaar in verval geraakt.

   In de kerk werd zondags al bijna tien jaar lang geen dienst meer gehouden, terwijl het vrijwel net zolang geleden was dat er voor het laatst iemand op dat kerkhof was begraven. De kerk was sinds een aantal jaren eigendom van een nogal mysterieuze projectontwikkelaar die het in verval geraakte godshuis van het bisdom had gekocht, maar er verder kennelijk niets mee deed. Het al iets scheefgezakte kerkje stond ongebruikt al een aantal jaren weg te dromen in de nostalgische omlijsting van hoge oude bomen.    

   Met het kerkhof lag dat anders. Dat berustte onder een stichting waarin de Rooms Katholieke kerk participeerde. Helaas schoot er jaarlijks weinig geld over voor onderhoud en restauratie van de eeuwen oude muren die het kerkhof omringde, terwijl slechts enkele zerken er nog redelijk onderhouden bij lagen. Veel van de overige, soms zeer oude zerken en ornamenten, waren in de loop der vele tientallen jaren geërodeerd of scheefgezakt in het met gras en mos overdekte terrein.  Dat was meestal het uiteindelijke gevolg van jarenlange erosie, in combinatie met nalatig onderhoud. Sommige grafstenen waren reeds met onkruiden overwoekerd.  

   De ruim een meter tachtig hoge gemetselde bakstenenmuur, bestaande uit oude kloostermoppen die het achter de kerk gelegen kerkhof omsloot, was reeds op enkele plaatsen flink gescheurd. Waarschijnlijk als gevolg van verzakking.

   Kerk en kerkhof vormden een achterste deel van een groot kasteelpark. Hier en daar had de voormalige dorpsgemeente er een, thans door vocht kromgetrokken, houtenbank langs het wandelpad laten plaatsen ten gerieve van een eenzame toerist of wandelaar, terwijl er langs het door struikgewas en onder hoge oude bomen doorslingerende voetpad, enkele lantaarnpalen waren geplaatst.  

   Iets verderop, in het aansluitende weiland nabij de rivierdijk, waren in het land nog resten van het laatmiddeleeuwse kasteel waarneembaar dat ooit in het einde der veertiende eeuw was gebouwd door een van de ridders, later heren, van Groenestein. Een deel van een oud muurfragment van wel een meter dik, stond nog fier overeind, terwijl eveneens het noordelijke deel van de vroegere kasteelgracht nog aanwezig was. Voor de rest was er geen spoor van het oude kasteel meer te ontwaren.

   Op twee plaatsen rondom de grondveste van deze voormalige feodale vesting waren, net als in het park, ook een tweetal bankjes geplaatst. Die banken waren ooit een leuke geste van de voormalige dorpsgemeenteraad geweest, doch nog daterend uit de tijd dat het thans met 120 inwoners zowat uitgestorven dorpje, nog zelfstandig was en een levendige dorpsgemeenschap kende. Dat was de tijd dat het dorp nog een eigen burgemeester en gemeenteraad had, en nog geen deel uitmaakte van de huidige grotere stadsgemeente.   

Het was inmiddels zes uur geworden toen Frank Bonte met zijn kleine zwart met wit getekende Jack Russel terriër aan de lijn, diep in gedachten verzonken, het donkere wandelpad dat door het park voerde betrad. In de verte was af en toe het ronkende geluid van de zware dieselmotor te horen van een binnenvaartschip dat over de rivier, richting de Rotterdam voer, terwijl enkele overvliegende ganzen luidt gakkende uit de uiterwaarden opstegen en richting het zuiden vlogen. Onze wandelaar keek in het schemerdonker even op, terwijl zijn ogen de grote luidruchtige groep vogels die vlak over zijn hoofd  schoten, een moment volgden. 

   Frank, een veertigjarige, ongetrouwde zelfstandige timmerman/metselaar, woonde in een rijtjeshuis in een doodlopende straat welke op een goede tweehonderd meter van het kerkhof en het voormalige kasteelpark was gelegen. Hij bewoonde het laatste hoekhuis in de straat. Een woning die onderdeel vormde van enkele rijen eengezinswoningen daterend uit de zeventiger jaren van de vorige eeuw.

   Zijn woning bevond zich precies tegenover het sportveldje dat de voormalige dorpsgemeente ooit had laten aanleggen voor de opgroeiende jeugd, maar de laatste jaren nog maar weinig werd gebruikt. Goed; er werd eens in de zes weken gras gemaaid en er stonden een tweetal zwaar verroeste metalen doelpalen, maar echt gezellig zag het er voor de nog aanwezige jeugd niet uit.

   Ach…, onderhoud kost geld en er waren eenvoudigweg tegenwoordig te weinig gezinnen met kinderen in het dorp. Zodat de gemeente zich niet meer zo erg inzette voor onderhoud van het terrein. Eigenlijk wel logisch als je er over nadacht, vooral omdat de dorpsbevolking nog elk jaar afnam.

   Dat alles was het resultaat van het ontbreken van werk in het dorp en de directe omgeving. De stad met een haven en surplus aan industrie, lag op zo’n tien kilometer afstand van het dorp. Als je op de rivierdijk stond, dan kon je met goed weer, de contouren van de stad in de verte zien liggen.

   Mensen gingen uiteindelijk niet meer kilometers ver van hun werk wonen. Die situatie werkte al jarenlang een zekere leegloop in de hand. Het idyllische dorpje was daardoor niet meer in trek bij jonge gezinnen die in de stad hun werk hadden.  

   Het was ook de reden dat het basisschooltje al enkele jaren geleden was gesloten.  De schoolgaande jeugd die het dorpje thans nog kende moest nu op de fiets naar een in de  stad gelegen school rijden. En dat was al snel, twee maal per dag, tien kilometer fietsen. Of  ze werden door hun ouders die dat konden betalen, dagelijks met de auto gebracht en gehaald…

   Tijden veranderen, ten goede en te kwade…

   Dat gold ook voor de eigenaars van enkele woningen die hun woonstee al geruime tijd te koop hadden staan maar deze nu, wegens het ontbreken van kopers voor hun woning, uiteindelijk noodgedwongen, aan buitenlandse woningzoekenden verhuurden.  Want door de schaarste aan – vakkundig - personeel was er de afgelopen jaren een grote toeloop van  arbeidsimmigranten ontstaan. Vooral – zogenaamde - bouwvakkers en metaalbewerkers. En die mensen moesten uiteindelijk ook ergens worden gehuisvest. Het betroffen vooral mensen uit de voormalige Oostbloklanden die zich als vaste of tijdelijke werknemers bij de vele industriële regio als werknemers aanmeldden. Vandaar dat de meeste, vaak moeilijk verkoopbare woningen, thans door de eigenaars aan buitenlandse gastarbeiders werden verhuurd, hetgeen het bevolkingsaantal van het dorp tijdelijk opzienbarend deed stijgen en de vaak zwaar op de woningeigenaars drukkende dubbele financiële woninglasten, in elk geval tijdelijk substantieel deed afnemen.

Het waren juist die gedachten, met betrekking tot het relatief grote aantal buitenlanders in het dorp, welke die avond bij Frank Bonte door het hoofd speelden. Frank was een nogal in zichzelf gekeerde man die niet snel zijn mening ten aanzien van politiek of maatschappelijke zaken openbaarde. Hij had niet veel op met die bij elkaar samenklittende, nauwelijks Nederlands of Engels sprekende Polen, Bulgaren en Roemenen die het land thans dreigden te overspoelen. Trouwens; een echte ouderwetse vakman zat er immers niet bij, althans dat vond hij zelf. Je moest sommige van die mannen, verdomme zelfs nog leren hoe ze fatsoenlijk een hamer in de hand moesten houden orakelde hij vaak tegen mensen die aan hem vroegen hoe het was om met zo’n Pool of Roemeen samen te moeten werken.

   ‘Klote is dat,’ mompelde Frank terwijl hij toekeek hoe zijn hondje zijn poot tegen een boompje oplichtte. ‘Die gasten verstaan je niet en ik wordt gestoord van het allemaal steeds opnieuw te moeten uitleggen.’

   Hij liep al mopperend langzaam verder het donker pad op waar in de verte een eenzame straatlantaarn wat licht tussen de bomen op het pad liet neerdalen.

  ‘Terwijl we naast al de Oost-Europeanen, tegenwoordig ook nog eens overspoeld worden door die scheepsladingen vol nutteloze, luie, zwarte medemensen uit die zogenaamde zielige zwarte Afrikaanse landen,’ mopperde Frank op luide toon. ‘Flikker op met dat buitenlandse klote volk,’ orakelde hij verder, terwijl hij van ergernis in een hoop hondenpoep stapte die zijn eigen Fikkie - net vers geperst - voor hem op het voetpad in het donker had neergelegd…    

Frank was een echte autochtone bewoner van dit kleine dorp, wiens familie hier al generaties lang woonde. Hij was een harde werker, daar niet van, maar niet een type man dat gemakkelijk vrienden maakt. Daarvoor leende zijn karakter zich niet echt voor. Frank was meer een man met het karakter van; niet lullen maar werken. Kortom: een nogal ruwe, onbehouwen vent, die door sommige dorpsbewoners die hem niet echt kenden, soms zelfs werd gemeden als de pest.

   Er deden zich allerlei verhalen over hem de ronde: Dat hij in het weekeinde seks orgieën thuis hield, dat hij zoop als een ketter en dat geen vrouw op straat voor hem veilig zou zijn. Maar niets van die beschuldigende dorpse lasterverhalen was waar. Het waren daarentegen gewoon de bekende valse dorpsroddels die in een klein dorpje snel over iemand de ronde doen, zeker als die persoon niet, net de rest van de bevolking, goed met de overige bewoners socialiseerde en communiceerde, maar zich daarentegen wat afstandelijk ten opzichte van andere dorpsbewoners opstelde.    

   Praatjes ontstaan dan altijd vrij snel. Vooral in het plaatselijk café dat even buiten het dorp aan de rivierdijk was gelegen en het eigenlijk voor een groot deel van het jaar vooral moest hebben van passanten, die na een lange fietstocht over de rivierdijk, even op het caféterras onder de hoge, dikke, lindenbomen wilden uitblazen om een kop koffie met gebak te bestelden. Of soms gewoon neerstreken om een glaasje bier te nuttigen, teneinde even de keel te spoelen op een warme zomerdag.

   Het kleine dorpscafé was nog altijd, net als vroeger, in het weekeinde dé trekpleister, en dé centrale ontmoetingsplaats van de mannelijke bewoners van het dorpje aan de rivier. Er stond een fraai Wilhelmina biljart achterin de gelagkamer en er was een ruimte om te sjoelen. Een ouderwets spel, dat in dit deel van het land soms nog in horecagelegenheden wordt beoefend. Kortom: het café met zijn ouderwetse donkere interieur, vervulde een belangrijke rol in het sociale gebeuren van dit kleine dorpje aan de rivier.

   Frank liep tot aan de lantaarnpaal en keerde toen met Fikkie om, teneinde naar huis terug te keren. Hij groette met een armgebaar een andere hondenbezitter die hem bij de uitgang van het pad juist tegemoet kwam. De man groette hem niet terug. Het was een man die hij niet kende. Een figuur met een getinte huid van misschien een jaar of dertig, met een donker regenjack en dito pantalon aan, terwijl een grijs honkbalpetje, omgedraaid, op zijn hoofd prijkte. Aan een stevige metalen riem hield hij een vervaarlijk uitziende, en hevig grommende, leverkleurige pitbull terriër vast. Frank keek de man even na terwijl die in het donker verdween. ‘Geen idee wie dat nou weer is,’ mompelde hij zacht terwijl hij met Fikkie rap naar huis liep. Er komen de laatste tijd steeds meer lieden in het dorp wonen met een Noord-Afrikaanse signatuur. In elk geval is het niet mijn type hond welke die vent bij zich had dacht hij bij zichzelf.   

©  Leonardo
3 september 2019
Vervolg kunt u lezen in deel twee:     http://tallsay.com/page/4295000708/het-mysterie-der-zwarte-gestalten-2

 

 

03/09/2019 22:54

Reacties (11) 

1
10/09/2019 20:59
Dat begin... wow. Wat een sfeer zet je daar neer - hoe je het beschrijft, dat kan alleen uit de vingers van een 'buitenmens' komen. Ik volg mee.
1
04/09/2019 19:12
Dit gaat vast weer een spannend verhaal worden...ik wacht geduldig op het volgende deel.
04/09/2019 19:43
Heel goed, Willemijntje. Volgende deel duurt echter nog wel een paar dagen.
1
04/09/2019 16:11
Het is de setting van wat een mooi verhaal beloofd te worden.. ik ben benieuwd amigo mio
04/09/2019 19:42
Ik hoop dat de lezers mijn verhaal zullen waarderen, maar dat merk ik wel na enkel afleveringen aan de reacties...
1
04/09/2019 03:05
Sluit me gewoon helemaal aan bij Zevenblad.
Zij heeft alles gezegd - in hele mooie bewoordingen - wat er te zeggen valt.
1
04/09/2019 13:02
Dankjewel, Candice.
2
03/09/2019 23:48
Wat kun je ook geweldig een sfeer neerzetten - van een kille herfstavond in een haast uitgestorven dorp. Een recht toe recht aan vent die er geboren en getogen is en zijn dorp langzaam ziet sterven. Je ziet het vóór je, als in een film.
Het mooist geschreven is de eerste helft: de ruïnes, de bomen, de muren en het oude kerkhof. Een beetje spookachtig ook, en daar zal (hopelijk!) nog een vervolg op komen.
Mij heb je alvast lekker gemaakt...;-)
2
04/09/2019 00:10
Beste Zevenblad. Ook ik heb de leeftijd van vijfenzeventig jaar bereikt, met het gevolg dat ik niet zo snel meer kan terugkoppelen in een verhaal dat ik schrijf. Maar als je het geduld kunt opbrengen dan probeer ik elke week een vervolg te schrijven. Dit verhaal is nog lang niet af...
2
04/09/2019 00:27
Dat eerste vermoedde ik al - vanwege het rijbewijs.
Geduld heb ik wel, en nog steeds een prima geheugen. Het verhaal zal ik dus zeker volgen.
Leuk, nu het weer vroeger donker wordt. Was net buiten met de kip: meteen omringd door spinnende katten en snurkende egels. Ze hebben me door, de jongelui. Als straks de vossen ook nog kopjes geven...
1
04/09/2019 16:10
daar kijken we dan naar uit
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert