De wil van Allah 11.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 10:  http://tallsay.com/page/4294998820/de-wil-van-allah-10

            7f2df81eac11e75624c315b53d1fdc74_medium.

 

                                                                11.

 

Een grauwe ochtend...

Het was die ochtend toen ik naar de universiteit wilde vertrekken bewolkt weer. De lucht kende een grauwe hemel waaruit wat motregen viel. De temperatuur was rondom ons tegen een heuvelrug aangelegen huis, reeds tot net boven het vriespunt gedaald. Er zou misschien zelfs een spatje sneeuw kunnen vallen in de hogere delen van de Cevennen had de meteo de vorige avond gemeld. Af en toe waaide een scherpe windvlaag rond de torens, waarna de oude windwijzers op de torenspitsen zich piepend en krakend lieten horen.

Ik had slecht geslapen. Met een zeurende hoofdpijn stond ik naast mijn bed en vroeg me in vertwijfeling af, hoe de dagindeling er ook al weer uitzag. Nadat ik onder de douche vandaan kwam en me had afgedroogd, zette ik de radio aan op de nieuwszender. Om even later, toen ik beneden was, uit automatisme gelijk de televisie aan te zetten. Zowel de radio als de televisie stonden bol van de berichten met informatie over de terroristische aanslag in de kerstpassage van de stad van de afgelopen avond. Er waren bruikbare videobeelden van bewakingscamera’s die de aanslag hadden gefilmd, beweerde de televisie verslaggeefster. ‘Politie, gendarmerie en andere hulpverleners waren allemaal snel massaal ter plaatse,’ orakelde de knappe blonde verslaggeefster voor de televisie. ‘Maar voor een tweetal mensen is hulp te laat geweest,’ oordeelde de vrouw terwijl ze met de microfoon voor zich naar de vele mensen keek die achter de rood met witte linten aan het werk waren.  Er waren vele gewonden zei men op de televisie. Sommige slachtoffers waren zeer ernstig gewond. Andere slachtoffers kwamen er met minder ernstige verwondingen van af. Vooral het door de ontploffing van explosieven, exploderen van de grote glazen winkelruiten, had veel slachtoffers als gevolg van rondschietende stukken glas gemaakt.

  ‘Vuile laffe, tering extremisten’ schreeuwde ik opeens luid door de salonruimte toen ik de televisie uit zette. ‘Godverdomme wat een schorem.’ Vervolgens stond ik even te trillen op mijn benen. Moeder Maria…, wat was ik gruwelijk boos op dat moment. En dan te denken dat vrijwel al dat tuig uit de zelfde wijk, met de naam - La Castellane, in het noorden van Marseille afkomstig is. Een criminele achterstandswijk die een paar kilometer van de universiteit is gelegen en bol staat van de drugsdealers en andere criminelen. Vrijwel allemaal jonge gasten van zogenaamde Frans-Algerijnse of overige Noord-Afrikaanse afkomst. Aangevuld met dito jongeren van Arabische afkomst die vanuit asielzoekerscentra, uiteindelijk in die wijk in een flatje terecht waren gekomen. Een autochtone Fransman durfde daar allang niet meer te komen. Want de kans dat je bestolen werd, je auto werd gejat of dat je een mes in je lijf kreeg was daar meer dan vijftig procent. Overal stonden al jaren traditioneel, drugsjongens op hoeken van straten te posten. Gewoon om te waarschuwen als een politieauto zich in de straat zou wagen. Maar vooral ook om eventuele drugsklanten naar een handelaar te leiden. Vroeger waren die handelaars vooral mannen uit de onderwereld van Sicilië of Corsica. Maar die tijd is al enige tijd voorbij. Tegenwoordig zijn het vooral Algerijnen en Marokkanen die zich deze rol hebben toebedeeld. De echte grote mannen, de zogenaamde traditionele capo’s, mannen die men hier 'parrains' noemt, houden zich tegenwoordig slechts bezig met het importeren van grote hoeveelheden drugs uit Colombia en Turkije. Alsmede met prostitutie, illegale casino's, afpersing van vooral ondernemers, makelaars in onroerend goed en natuurlijk politici. Al met al begint het fraaie Marseille steeds meer op een Braziliaanse stad te lijken, waar misdaad loont en de criminelen het voor het zeggen hebben. 

Chagrijnig liep ik even later naar buiten, naar de auto toe. Die had ik aan de noordkant van het huis geparkeerd. Toen ik bij de auto aankwam en de portier ontsloot, hoorde ik in de verte, zo’n beetje schuin boven mij, plotseling geschreeuw van mannenstemmen en gemekker in koor van honderden geiten. Ondanks mijn klote humeur moest ik er even om lachen. Pierre Giraud, onze bejaarde ongetrouwde buurman, de man die een goede vierhonderdvijftig meter verder bergopwaarts zijn boerderij had liggen, was kennelijk met enige hulpkrachten bezig zijn enorme kudde geiten binnen de grote kraal achter de boerderij te drijven. Buiten het gemekker van de geiten was af en toe ook het diepe zware bassende geblaf, van zijn vijf grote witte Pyreneese herdershonden te horen. Die honden waren de dagelijkse bewakers en drijvers van de kudde geiten, welke normaal de rest van het jaar op de hoogvlakten van de Cevennen rondzwierven.

   Het geluid van de beesten leidde mijn gedachten even van de verschrikkingen van die bomaanslag af. In mijn gedachten zag ik opeens de beesten voor me, die ik vanaf mijn plek bij het huis niet kon waarnemen. Fraaie bruine 'Raves' vleesgeiten waren het. Hij boerde de laatste jaren goed, onze buurman Pierre, bedacht ik mij in een flits. Zijn geiten werden goed verkocht en de vraag naar geitenvlees steeg elk jaar. Dat was vooral te danken aan de toename van Afrikaanse en Aziatische asielzoekers beweerde Pierre een keer tegen mij. ‘Weet u, meneer de baron,’ zei Pierre toen. ‘Die tulbandlieden komen tegenwoordig naar hier en velen blijven hier. Over dat immigratieprobleem wil ik verder niet discussiëren, al heb ik daar wel mijn mening over. Maar als ze hier blijven, dan willen ze hier het zelfde kunnen eten als wat ze in die droge stinkende klote landen, waar ze vandaan komen, ook te eten kregen. Want laten we wel zijn. Wat zijn die soepjurken nu, wat eten betreft gewend… En dat is wat vlees betreft, uiteraard voornamelijk geitenvlees. Een koe kan daar uiteindelijk, in zo’n droog savannen landschap beslist niet overleven… En dat geldt ook vaak voor schapen. Maar geiten kunnen dat klimaat kennelijk wel aan. En, u snapt het natuurlijk al, meneer de baron. De toenemende vraag naar geitenvlees drukt jaarlijks voorzichtig de prijs van geitenvlees omhoog. En daar zijn wij als Franse geitenboeren uiteraard zeer gelukkig mee.’

Er werd geclaxonneerd bij het grote toegangshek. Een buitenmodel tankauto, voorzien van een soort grote metalen hevel met daaraan verbonden een flexibele metalen slang, stond schuin voor het hek. S.P.R. riolering reiniging stond op een bordje op het cabine dak. Als een flits schoot het door me heen dat we inderdaad vandaag bezoek zouden krijgen van een schoonmaakbedrijf die onze septic tank zou schoonzuigen en de afvoerleidingen zou reinigen. Eigenlijk was ik dat helemaal vergeten. François liep naar me toe en vroeg me even te wachten met wegrijden, totdat die grote tankwagen bij de naast ons huis gelegen septic tank was aangekomen.

  ‘Laat ze wel rustig over het grind rijden, François,’ zei ik misschien op een iets te scherpe toon. ‘Ik wil geen diepe bandensporen in het grind van het pad hebben. En laat ze ook goed uitkijken dat ze bij het achteruitrijden niet onze borders met rozen platrijden.’

  François keek me even aan en knikte. Vervolgens liep hij op zijn gemak naar het hek toe om de chauffeur van de vrachtauto te instrueren, waarna de grote vrachtauto langzaam over het pad naar de oostelijke kant van ons huis reed. Toen ik even later wegreed zag ik dat er twee mannen in de cabine zaten. Een wat oudere chauffeur en een jongere vent van hooguit vijfentwintig jaar. Een knul met donker opgeschoren haar wat net niet onder zijn rode baseballpetje uitkwam. Een knul met een onverschillige trek op het gezicht, vond ik. Ze stapten net uit de cabine toen ik langs hen heen reed. Die jongere vent is vermoedelijk een buitenlander. Waarschijnlijk afkomstig van de andere kant van de Middellandse Zee dacht ik, toen ik langs hen heen reed en even een blik op de mannen wierp. Het was een knaap met duidelijk Noord-Afrikaanse gelaatstrekken. Vermoedelijk ook zo weer zo’n tering moslim dacht ik onwillekeurig, terwijl de televisiebeelden opnieuw in mijn gedachten kwamen bovendrijven. Het krioelt hier tegenwoordig van die buitenlanders met een moslimachtergrond. Het lijkt soms verdomme wel alsof ons land door dit soort lieden dreigt te worden overgenomen. Zo veel zie je er tegenwoordig in de stad en op straat. Ze komen hier in groepen aan en zwermen vervolgens als Afrikaanse steekmuggen over het land uit, lijkt het wel. De twee mannen zeiden me overigens wel netjes goedendag, wat ik uiteraard beantwoordde, waarna ik met een absoluut klote humeur, in een kalm vaartje naar het grote toegangshek reed.

Na mijn ochtendcollege spoedde ik me naar de 'mensa academica'. Kortweg onder studenten en hoogleraren 'mensa' genoemd. Om met een viertal andere hoogleraren te samen van een warme maaltijd te genieten. Het gezellige van de mensa is dat je in een relatief ontspannen sfeer soms interessante gesprekken kunt voeren over onderwerpen die nogal eens gevoelig liggen. Zo kwam het gesprek aan onze tafel al rap op de aanslag terecht welke afgelopen avond in de grote winkelpassage had plaatsgevonden.

  ‘Het is werkelijk een schande,’ begon hoogleraar fysica, Chantal Dubonnet, een goede collega en vriendin van mij, die tegenover me aan tafel zat, met het aansnijden van het beladen onderwerp. ‘Twee doden, negen zwaar gewonden en veertien gewonden hoorde ik zojuist op de radio.’ Ze nam een hap van haar kipsalade en keek mij met half dichtgeknepen ogen aan. ‘Het gesodemieter met die fanatieke geradicaliseerde moslims neemt eerder toe dan dat het afneemt lijkt het wel. Het lijkt thans  gewoon een kwestie van wachten op de volgende aanslag te zijn.’ Ze verslikte zich even in een stukje kip na het uiten van haar ongenoegen. Toen ze was uitgehoest, schoten de tranen in haar ogen. Vermoedelijk van; zowel ergernis, als emoties. Ik knikte slechts even en vroeg haar of ik een nieuw flesje water voor haar moest halen. ‘Nee, dat is niet nodig, Jean. Ze hoestte nog eens en nam toen weer het woord. ‘Maar als ik tegelijk eet en me erg kwaad maak, dan gebeurt het wel eens dat ik me verslik,’ antwoordde ze zwak glimlachend.

We schakelden over op een wat meer algemeen onderwerp om de sfeer wat te ontlasten. Toen we waren uitgegeten en we onze borden bij de bar inleverden, sprak Chantal me even kort persoonlijk aan. ‘Pas maar op met hoe je je eigen uitlaat tegenover die moslims die bij jou college lopen. Want het gevaar sluimert ook hier binnen. Gewoon hier binnen de gebouwen van dit instituut. Daar ben ik steeds meer van overtuigd.’  

  ‘Nu ga je wel wat erg ver, Chantal,’ gaf ik haar ten antwoord. ‘Zover ik het kan bekijken heb ik, noch iemand anders, hier enig gevaar te duchten.’ Maar Chantal glimlachte slechts even tegen mij. Gaf me een kneepje in mijn arm en liep vervolgens bij me vandaan, de mensa uit. Mij verbaasd over haar plotselinge waarschuwende uitlating, in gedachten achterlatend.

Vervolg kunt ulezen in: http://tallsay.com/page/4294998883/de-wil-van-allah-12

 

©  Leonardo

08/01/2019 22:28

Reacties (6) 

1
12/01/2019 12:27
Volgens mij gaat het verhaal die kant op die ik al voor de geest had... ;-)
12/01/2019 12:51
Wacht maar af, Edwin. Er staan onverwachte gebeurtenissen aan te komen.
2
09/01/2019 06:47
alles gaat goed ..tot het ophoudt goed te gaan... en daar mijn literatuur minnende vrienden zijn wij aangeland.. wij zitten in de transitie, van onze cultuur naar een verwatering van wat onze beschaving is geweest..God helpe ons de brug over
09/01/2019 23:19
Er is geen brug. Het is zwemmen of verzuipen.
1
09/01/2019 00:47
Heel knap. De dreiging loopt op en er lijkt geen ontkomen aan. Net een griekse tragedie, maar hopelijk met een goede afloop.
ik blijf het volgen.
1
08/01/2019 23:12
Beeldend geschreven en de spanning stijgt.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert