1282 Radiologie op zaterdag

Door Ate Vegter Dzn gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

‘Ik ga even een scannetje laten maken,’ zeg ik. Zo begint het boek van Warner Prevoo, dat ik momenteel lees. Prevoo is interventieradioloog op de afdeling Radiologie van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis. Hij heeft nu zelf longkanker en hij heeft daarover een boek geschreven: Echte dokters huilen niet. Ik heb het van mijn zus Ria gekregen. Mooi boek. Ik kom er later nog op terug.

‘Ik ga even een scannetje maken,’ zeg ik tegen Lief en ik loop naar buiten. Kennelijk had ik het beginzinnetje toch niet helemaal letterlijk in mijn hoofd. Buiten loop ik Johan Hielkema tegen het lijf en we praten over Reve en de feesten in Huize Het Gras. We lopen weer naar binnen en ik geef hem Op weg naar het Einde mee om te lezen. Eén van de mooiste klassiekers. Dan ben ik op weg naar de Grote Kerk. Bij het kerkhof merk ik dat ik mijn tasje met alles heb vergeten. Op dat moment gaat mijn telefoon, Lief: ‘Je hebt je tasje met alles vergeten.’ Ik keer om en rij terug.

Even later ben ik echt op weg. Ik moet om 11.20 een halve liter water drinken, mij om 11.30 melden bij de afdeling Radiologie van het AVL, waar ze echt alle soorten griep behandelen, dan kunnen ze me om 11.50 het scanapparaat inschuiven. Het voordeel van een dergelijke afspraak op zaterdag is dat het om en nabij en in het ziekenhuis akelig rustig is. Ik ben mooi op tijd en lees verder in het boek van Prevoo. Ik drink en ik meld mijzelf en wacht in Wachtruimte 1. Even voor tien voor twaalf word ik door een laborante opgehaald alsof alles zo afgesproken is. Ik klap het boek dicht, midden in een scene over een pijnlijk gezet infuus.

‘Lees je het boek van Warner Prevoo?’ vraagt ze wanneer ze ziet welk boek ik in mijn tasje doe. 
‘Ja, een prachtig boek.’
Ze knikt: ‘Ik herkende het omslag.’
‘Hij werkt hier op de afdeling, hè,’ meld ik wat schaapachtig, alsof zij dat niet weet.
‘Nee, hij is weggegaan. Hij werkt nu in het OLVG.’
‘O, hij is weg…’
Misschien dat het arbeidsconflict toch weer opspeelde, denk ik. Ik weet het niet. Hij leeft nog in ieder geval, en is nog aan het werk. We lopen de scanruimte binnen.
‘Hangt u hier u jasje op…’
‘Schoenen uit?’
‘Nee, dat hoeft niet.’ Ze glimlacht om mijn vrolijke schoenen. 
Ik loop naar het scanapparaat.
‘Als u hier gaat liggen met uw hoofd hier en de broek wat laat zakken, dan brengen we eerst wat contrastvloeistof in.’
Ik geef de andere laborante ook een hand en ga liggen. Ik krijg rechts een infuus in mijn elleboog. Het werkt niet goed. Er komt wel bloed uit maar ze kan niks inspuiten.
‘Het spijt me, het gaat niet goed. Ik moet hem eruit halen.’
‘Ik heb hier nog een arm.’
‘Ja, laten we die doen.’ Ze loopt om mij heen en brengt het tweede infuus aan op links. Het is even pijnlijk maar niet erg. 
‘Kun je even flushen, Sas,’ vraagt de andere laborante.
Even is het stil.

‘Ik ga zo de contrastvloeistof inspuiten. Dat kan een beetje warm aanvoelen.’
‘Waar gaan we eigenlijk naar kijken?’ vraag ik, want dat ben ik vergeten.
‘We kijken naar de urinewegen van de nieren naar de blaas. Of dat goed loopt.’
Lijkt mij een goed plan, want je weet maar nooit. Even later voel ik de warmte in mijn arm stromen en mijn lippen worden opeens droog. Ik krijg water in een bekertje met een krom rietje. Heel handig. Dan word ik naar binnen geschoven. Mooi stilliggen. Siemens Healthineering staat er op de ring waar ik nu in lig. Aan de binnenkant is de ring stoffig. Ik schrijf mijn naam in het stof. Ik hou mijn adem in en schuif een stukje verder. Adem loslaten. Dan moet ik zes minuten wachten en herhaalt het proces zich. Dan is het klaar.

‘De scan is in één keer goed gelukt.’
‘Dat is mooi.’
Ik blijf liggen.
‘Voelt u zich wel goed, vraagt Sas, ‘anders hou ik u een kwartiertje in observatie.
‘Een kwartier?! Ik voel me uitstekend!’
‘Komt u dan maar aan deze kant overeind.’
Dat gaat wat langzaam en de beide jongedames helpen mij overeind alsof ik een oude man ben.
‘Mag ik een foto maken van het scanapparaat?’
‘Eh, nee dat mag eigenlijk niet, dus laten we maar nee zeggen. Misschien kun je op internet iets vinden?’
‘Nee, dat is niet nodig. Het is oké zo.’
Ik sta rustig op en loop naar de deur, waar mijn jasje hangt. We groeten elkaar vriendelijk en ik ga naar de gang, waar ik verdwaal en voor een deur kom te staan die niet automatisch opengaat, zoals alle techniek belooft. Verbouwing. Ik keer op mijn schreden terug, maak een foto van de gang en loop nu precies zoals ik gekomen ben naar buiten.

Ik heb honger en ga een sateetje eten bij mijn favoriete Toko Bandung. Ze schrikken ervan, want ik kom daar nooit op zaterdag.
‘Ik was in de buurt,’ zeg ik ter geruststelling.
De staté is lekker als altijd. Ik rij even later naar huis en pak de post: Feyenoord, Rabobank en Schoonenberg, of ik mijn gehoor wil laten testen, want dat moet elk jaar, als je ouder dan vijftig bent. Ik flikker alles weg. Waar is mijn boek? ‘Door mijn vak te blijven uitoefenen, houd ik grip op mijn situatie,’ lees ik. Dat begrijp ik.

Ate Vegter, 6 januari 2019

www.atevegter.wordpress.com/82

 

06/01/2019 07:13

Reacties (1) 

06/01/2019 13:27
''Echte dokters huilen niet'' Wij kennen ook een geval van een oncoloog die zelf op twee en vijftig jarige leeftijd de ''kanker'' ziekte kreeg waar ze notabene haar patienten voor behandelde. Artsen zijn uiteindelijk ook maar gewone mensen...
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert