De wil van Allah 7.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 6:  http://tallsay.com/page/4294998646/de-wil-van-allah-6

              7f2df81eac11e75624c315b53d1fdc74_medium.

                                                               7.

 

De twee mannen zaten een goede week na de vechtpartij op het terras van Café l'Hirondelle, in een koffiehuis in de stad Marseille met elkaar aan een tafeltje zaten te praten. Ze vielen hier niet echt op. Sterker nog. Ze leken op zo veel in de stad wonende Noord-Afrikaanse, Aziatische en Arabische inwoners die in de loop der jaren in het zuiden van Frankrijk waren neergestreken. Maar deze twee mannen waren toch anders. Heel anders zou je bij nadere beschouwing wel kunnen zeggen. Er stond een tweetal bekers dikke zwarte koffie op het tafeltje bij het raam. De mannen zaten wat achteraf in het lokaal. Vermoedelijk was die plaats bewust door hen gekozen met het doel vrijuit met elkaar te kunnen spreken, zonder te worden afgeluisterd.   

  ‘Ben je clean, of heb je gesnoven,’ vroeg de oudste van de twee aan zijn jongere gesprekspartner die een wat verwarde indruk maakte.

  ‘Wat een vraag zeg. Natuurlijk ben ik nog clean… Het is uiteindelijk nog geen zaterdagavond.’

  ‘Nou…,’ grijnsde de andere man. ‘Ik vraag het slechts omdat je zo wazig uit je ogen kijkt en zo strompelend binnen kwam lopen.’

  ‘Klopt… Dat lopen gaat nog wat moeizaam. Dat is waarschijnlijk het gevolg van die kleine vechtpartij die ik een goede week geleden heb gehad met die gluiperige Fransman. Ik heb ook nog flink wat last van mijn neus. Pijnscheuten schieten af en toe door mijn hoofd. Vandaar dat ik misschien af en toe wat minder helder kijk, denk ik.’ 

  ‘Ja die vechtpartij, daar weet ik uiteraard alles van. Daar was ik uiteindelijk zelf bij. Het is mede de reden van ons plotseling ingelaste rendez-vous. Heb je wel even tijd, want ik heb een interessant nieuwtje dat ik even met je wil bespreken en ik heb een belangrijke opdracht voor je,’ zei de oudste van de twee, een man met een kale kop en een zwarte snor van rond de veertig jaar, gekleed in een jeanspantalon en een kort zwart lederen jack, tegen zijn wat jongere gesprekspartner. Amed zuchtte even. ‘Een klein kwartiertje heb ik, Ali. Echt niet meer. Dan moet ik terug zijn. Mijn vriendin wacht buiten op me in de auto. En ik ben uiteindelijk met een rotsmoes hier naar toe gekomen.’

  ‘Goed dan zal ik niet dralen, maar daarentegen je gelijk mijn nieuwtje vertellen.’

  ‘Prima.’

  ‘Je wilde toch graag weten wie die vent was die jou een twee weken geleden zo deskundig in elkaar schopte op dat caféterras.’

  ‘Ja, en…?’

  ‘Nou, ik weet zo goed als zeker wie die vent is.’

  ‘Ach ga weg...’

  ‘Ja, het is geen geintje maar echt waar.’

  ‘Nou ik zou zeggen, kom maar op met je verhaal. Ik ben benieuwd.’

   Er kwamen nog twee in Arabische kleding gestoken mannen het lokaal binnen. De man die met Ali werd aangesproken wachtte even tot de twee nieuw binnengekomen mannen, gekleed in witte djalaba’s een paar meter achter hen in het lokaal waren gaan zitten. Vervolgens ging het gesprek op fluistertoon verder. ‘Weet je… Om te beginnen is die vent helemaal geen directeur van een bedrijf, zoals jij in eerste instantie dacht en tegen mij vertelde. En ook is het geen ambtenaar. Maar daarentegen is het een hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Montpellier.’

  ‘Verrek, je vergist je niet?’

  ‘Nee hoor. Mijn informant is heel zeker.’

  ‘Daar kijk ik echt van op.’

  ‘Dat geloof ik meteen. Komt bij dat ik vernam dat die kerel, jarenlang een goede rugbyspeler en judoka geweest. Dat heb ik me tenminste laten vertellen door de zoon van een kennis die bij hem studeert.’

  ‘Nou daar kijk ik niet van op. Dat die kerel kan vechten heeft hij mij reeds bewezen.’

  ‘Ja, dat neem ik aan. Maar het meest interessante komt nog. Hij schijnt in zo een oud tering kasteel, ergens in of nabij die bergen met de naam Cevennen te wonen.’

   Na die laatste woorden was het even stil en keken de mannen zonder iets tegen elkaar te zeggen een ogenblik voor zich uit.

  ‘Hoe weet je dit eigenlijk allemaal, Ali. En hoe betrouwbaar zijn deze inlichtingen?’

  ‘Ik moet zeggen, het is eigenlijk heel erg toevallig dat ik er achter kwam. De zoon van die kennis van mij herkende die vent aan de hand van de foto die ik toen op dat terras met mijn mobieltje van die man heb gemaakt. Die foto heb ik toen gemaakt, nadat die man jou in elkaar had geschopt. Ik kwam toen vanuit het café, op het geschreeuw op het terras af. Bij toeval kwam van de week, toen ik mijn kennis bezocht, het gesprek op dat voorval. Ik heb de familieleden toen mijn foto laten zien. Die foto werd vervolgens gelijk door die knul herkend.’

  ‘Verrek, dat is even geluk hebben. Weet je ook hoe hij heet?’

  ‘Nee helaas niet meer… Zijn naam is overigens wel genoemd. Maar ik ben vergeten zijn naam op te schrijven. Maar daar kun je uiteraard zo achter komen via de universiteit. Ik meen overigens van dat joch, van die kennis van mij te hebben begrepen, dat die kerel een bloedhekel heeft aan moslims. En helemaal aan geradicaliseerde moslims. Die noemt hij - tuig van de richel…’

  ‘O ja?’

  ‘Ja… Dat heb ik van de knul begrepen. Die gaat nog al eens met die vent in debat na een college. Misschien verklaart dat tevens zijn onverwacht heftige uitval op dat caféterras.’

  ‘Goeie genade. Prima dat je me dit vertelt. Goed dat ik dat weet.’

  ‘Nou, je doet er maar mee wat je wilt.’

  ‘Dankjewel, Ali. Fijn dat je mij dit hebt verteld. Ik ga eens nadenken hoe ik op passende wijze wraak kan nemen op die klootzak.’ 

  ‘Ja, maar pas jij maar op. Met dat soort verhalen moet je thans niet bij mij  aankomen. Daar ga ik me niet mee bemoeien. Dat is jouw privé probleem.’

  ‘Dat is waar. Maar ik heb aan Allah gezworen dat ik hem zal vermoorden, voor wat hij me heeft aangedaan.’

  ‘Er zijn thans belangrijker zaken te doen dan persoonlijk wraak nemen op zo’n stuk leraar die je eerst zelf heb zitten uitdagen, denk je ook niet?’

  ‘Nou ja, dan denk ik er nog wel even over na hoe ik dit kan aanpakken voordat ik over een paar maanden naar het Midden-Oosten vertrek.’

  ‘Precies. Dat lijkt mij heel verstandig. Hou je wat die vent betreft nog even in. De chef wil overigens dat wij ons hier in Zuid-Frankrijk wat meer gaan onderscheiden. Dat gaan we wellicht doen door hier en daar wat paniek en angst te zaaien onder de bevolking. Onze kleine cel heeft gisteren opdracht gekregen dat in het zuiden van het land te gaan organiseren. Het liefste in de grotere steden. Je hoort nog van mij hoe we dat gaan aanpakken en wanneer onze eerste actie precies zal gaan plaatsvinden. Maar misschien is het wel aardig om niet te lang te wachten en onze acties te combineren met de aanhoudende demonstraties van die gestoorde lieden met die gele hesjes, die thans overal plaatsvinden. Dan wijst de vinger van de Franse overheid niet direct in onze richting… En over vier of vijf maanden zijn wij uiteindelijk toch hier weg.’ 

  ‘Inderdaad, als Allah het wil.’

  ‘Het is de wil van Allah, Amed. Vergeet dat niet. Wij zijn slechts zijn uitverkoren werktuigen op deze planeet.’

  ‘Dat is waar, Ali,’ antwoordde Amed deemoedig fluisterend. Maar luister, ik moet nu echt gaan. Als ik nog langer weg blijf gaat mijn vriendin vragen stellen.’

  ‘Prima jongen. Maar ik heb nog wel één belangrijk punt dat ik nog even met je moet doornemen. Onze leider, heeft weer een auto voor een actie nodig. Ditmaal wil hij een zwarte of donker grijze Mercedes saloon uit de C klasse hebben. Geen diesel, maar benzine uitvoering. En wel een voertuig van een recent bouwjaar. Die auto moet komende week zaterdag geleverd worden. Gewoon op de bekende afleveringsplek in de stad.’

  ‘Nee hè, dat meen je toch niet echt hè, Ali,’ kreunde Amed geschrokken.

  ‘Niet zo luidt praten, jongen. Natuurlijk meen ik dat echt. Dit is een officiële opdracht van onze hoogste chef.’

  ‘Maar dat is reuze link… Het is uiteindelijk geen Renault of Peugeot die ik moet jatten. Dit is veel moeilijker. Trouwens, wat staat er deze keer voor mij tegenover?’

  ‘Een klein zakje met dat witte poeder dat die vriendin van je en jij zelf kennelijk ook, zo graag snuiven.’

  ‘Goed…, maar jeetje, Ali… Het risico is al zo groot met al die politie welke nu overal in de straten patrouilleert. En helemaal door het typeauto dat jij nu wilt hebben. Die rijden hier niet met honderden tegelijk rond. Als het nu nog een BMW was, maar een Mercedes is heel moeilijk.  En dan ook nog in zo een korte tijd. En daarbij moet ik overdag ook nog werken weet je.’

  ‘Nu niet gaan jammeren en bezwaren gaan maken, Amed. Het is uiteindelijk een opdracht die jou heel goed ligt. Dat heb je al eerder bewezen. Zorg dat je vrijdag zo’n auto te pakken hebt. We hebben die auto nodig voor een actie die we de week daarop hebben gepland.’

  ‘Mag het echt geen ander merk auto zijn?’

  ‘Nee!  De chef wil alleen zo’n auto, zoals ik je zojuist mededeelde gebruiken.’

  ‘Nou, ik zal mijn best doen. Maar ik weet niet of het me zal lukken.’

  ‘Natuurlijk lukt je dat wel. Amed… Daarbij moet het lukken. Maar ik heb er  alle vertrouwen in dat je deze opdracht succesvol uitvoert.’ Ali gaf de flink van slag zijnde Amed een vriendschappelijk klapje op zijn linkerwang toen de jongeman opstond en afscheid nam. ‘Doe je best jongen. Het is voor de goede zaak. En…, het is de wil van Allah. Dat weet je. Komende week zaterdag zien we elkaar weer, Amed. Maar dan samen met Yusuf in 'La Petite Étoile, om precies dezelfde tijd.' 

  Na die woorden haastte Amed het koffiehuis uit, terwijl zijn gesprekspartner nog  een tweede kop koffie bestelde en vervolgens nog enige tijd naar buiten starend, bleef zitten nadenken.

Toen Amed in de auto zat belde hij met Nashir. Een vreemde vogel die ooit, jaren geleden, vanuit Afghanistan naar Frankrijk was gekomen. Een man die snel naam had gemaakt als handelaar in het grijze circuit. Echt werken deed hij volgens velen amper. Maar hij beschikte wel over een fraaie grote BMW en een luxe chalet in de Provençaalse heuvels. De man verdiende officieel zijn geld als handelsagent/makelaar van alle mogelijke partijen bulkgoederen. Natuurlijk hielden de Franse overheidsdiensten hem in de gaten en was er wel degelijk een vermoeden van illegale nevenhandel. Een nevenhandel die volgens sommige opsporingsdiensten vermoedelijk bestond uit wapens. Maar de controlerende overheidsdiensten hadden wel vermoedens, doch men was er nog steeds niet in geslaagd bewijzen van zijn illegale nevenhandel te vinden. Want ondanks enkele plotselinge invallen in zijn woning, had men nooit iets onreglementair bij hem kunnen vinden. Niet in zijn woning, noch in zijn boekhouding.  Zijn administratie werd dooreen gerenoveerde externe accountant behandeld en klopte altijd tot op de letter. Nashir, de voormalige Afghaanse geitenhoeder, was gewoon een uiterst slimme zakenman. Als handelsagent kon men hem ook moeilijk ergens visueel op betrappen. Uiteindelijk bemiddelde hij slechts tussen twee partijen, zonder ooit een blik op de handelswaar te werpen. Hij streek slechts de commissie op die aan de betreffende verkoopdeal kleefde. 

Nashir leefde inmiddels een relatief luxe leventje in zijn nieuwe vaderland. Opgenomen in de kleine gemeenschap van Zuid-Franse welgestelden van Arabische afkomst, viel hij tussen de met dure voertuigen rondrijdende bewoners van de Côte d'Azur niet op. Hij nam het  geloof al enige tijd niet meer zo serieus, en lachte tevens in stilte al die domoren uit, die gedreven door hun ingebeelde religieuze drang, zich zo nodig in dat klote Midden-Oosten voor hun donder lieten schieten. Nashir was populair onder zijn landgenoten in Zuid-Frankrijk. Ook al had hij regelmatig last met zijn Iman, vanwege zijn zogenaamde voorgewende zakelijke tijdgebrek, om regelmatig de moskee te bezoeken. Iets dat hem door de geestelijke Afghaanse tulbanden soms zeer kwalijk werd genomen. Maar Nashir was een beminnelijk en gul mens geworden, sinds hij in relatieve weelde in het zuiden van Frankrijk leefde. Dat merkte zijn Iman en de geloofsgemeenschap ook, gezien de giften waarmee hij soms strooide. Dat dit allemaal comedy was en louter bedoeld was om de door hem gecreëerde eigen werkelijkheid te camoufleren, viel bij zowel zijn geloofsgenoten, als bij de regionale overheidsinstanties nog steeds niet op. Ze zagen hem slechts als het typische voorbeeld van een eenvoudige Afghaanse man die het met keihard werken had gemaakt… Tevens was Nashir een man die goede contacten onderhield met personen binnen de studentenwereld. Die contacten hadden volgens sommige kwaadsprekende mensen eveneens een vermoedelijke relatie met zijn zogenaamde onzichtbare nevenhandel. Wat dat dan ook mocht zijn…

  ‘Nashir, met Amed. Heb je even een moment tijd?’

  ‘Amed, dat is even geleden dat ik jou aan de telefoon had. Gaat het goed met je, jongen?’

  ‘Gaat wel. Heb me alleen wat geblesseerd. Ben wat hard gevallen, maar dat is van de week wel weer over. Ik bel je overigens met een primitief mobieltje met een oplaadkaart. Dus ik kan niet te lang aan de telefoon hangen.’

  ‘O.k, maar dan bel je zeker voor iets bijzonders.’

  ‘Ja inderdaad. Dat heb je goed geraden.’

  ‘Nou…,wat moet je hebben. Zeg het maar. Veel, weinig, groen, wit, grijs, zwart, dik of dun, zeg het, en ik lever het aan je,’ lachte Nashir. ‘Je kent me, Amed. Wat het ook is, en waar het ook vandaan moet komen, ik kan alles leveren. Tenminste, zolang het maar binnen de wet blijft…’

  ‘Ha ha, nee, daarvoor bel ik niet. Ik bel niet voor handel. Ik wil je slechts om een kleine gunst vragen.’

  ‘O, ja… Dat is andere koek. En gunsten kosten ook geld. dat weet je. Trouwens, om wat voor gunst gaat het dan wel niet?’

  ‘Het gaat om iets dat jij met al je relaties vermoedelijk zo boven water hebt.’

  ‘Zo, zo, je streelt nu wel mijn ego met die opmerking. Maar vertel op, wat moet je weten.’

  ‘Ik zoek de adresgegevens en de naam van een Franse hoogleraar die geschiedenis op de universiteit in Montpellier doceert.’

  Het was even stil aan de telefoon na die woorden. ‘Maar daar heb je mij toch niet voor nodig. Gewoon even bij de universiteitsadministratie langs gaan en je krijgt die gegevens vermoedelijk zo, gratis en voor niets, van hen voorgeschoven.’

  ‘Natuurlijk heb ik daar ook aan gedacht, maar de universiteit is nu gesloten. En ik heb die gegevens vanavond nodig. Trouwens, om misverstanden te voorkomen: ik bedoel dus die vent die vroeger rugby heeft gespeeld bij Montpellier HR. Hij schijnt zich ook een tijdje met judo te hebben beziggehouden, heb ik vernomen.’

  ‘Ik denk dat ik al weet wie je bedoeld, maar ik ken de naam van die man niet. Ik heb hem geloof ik ooit eens, maanden geleden, op een bijeenkomst ontmoet. Leek me een sympathieke man. Maar…,wat moet je eigenlijk met die gegevens.’

  ‘Ach, dat is niet zo belangrijk, Nashir. Ik heb die vent vorige week gesproken en een kaartje van hem gehad. Ik zou namelijk een afspraak met hem maken. Op dat kaartje stonden zijn gegevens en zijn telefoonnummer. Maar ik ben door onverklaarbare oorzaak het kaartje kwijt geraakt. Ik heb overal gezocht maar ik kan het niet meer vinden.’

  ‘Juist, ik snap het. Wel een beetje wazig verhaal, naar mijn idee. Maar goed, omdat jij het bent zal ik even navraag voor je doen. Maar dat gaat je wel een rondje koffie kosten bij koffiehuis Musthafa aan de oude haven in Marseille.’

  ‘Dat heb ik er graag voor over, Nashir.’

  ‘Nou dat staat dan genoteerd,’ lachte Nashir. ‘Maar even serieus. Ik  zal kijken of ik je kan helpen. Maar je hebt die eventuele gegevens nooit van mij betrokken. Is dat duidelijk? Ik wil niet bij illegale operaties betrokken raken.’

  ‘Uiteraard. Dat begrijp ik heel goed. Maar het heeft niets met illegale operaties te maken.’

  ‘Goed. Dan bel ik je wel op het nummer terug wat op mijn schermpje staat.’

  ‘Lukt je dat vandaag nog?’

  ‘Ja hoor. Ik denk dat ik daar in de loop van de avond wel achter ben gekomen. Tot straks…’

   Een goede vier uur later, zo rond half elf, belde Nashir terug. Amed bedankte hem voor zijn service en bedacht dat hij het beste de volgende dag eens even een blik kon werpen op het opstalletje van die klote hoogleraar die hem zo gruwelijk had vernederd, geschopt en geslagen. Dat was een ritje dat hij het beste even met Mahilla kon maken. Dat zou wellicht minder opvallen… Hij haalde de simkaart uit zijn mobieltje en verbrandde die in de asbak. Beter een ander telefoonnummer gebruiken dan voor een tweede maal met de zelfde simkaart en het zelfde telefoonnummer te bellen dacht hij…

Vervolg kunt u lezen in: http://tallsay.com/page/4294998675/de-wil-van-allah-8

©  Leonardo

 

 

16/12/2018 22:14

Reacties (4) 

1
17/12/2018 06:35
Net als de twee aardige mensen onder mij, blijf ik het ook trouw volgen.
1
17/12/2018 00:33
Jakkes, precies zo'n auto staat hier bij mij voor de deur....zal hem zo toch maar in de garage zetten ;-) .
Ik blijf het ook volgen natuurlijk.
2
17/12/2018 08:28
zou ik doen.. tu nunca sabes..
1
16/12/2018 23:12
Take your time, ik blijf het volgen.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert