1248 Het gaat mis met Piep en pap

Door Ate Vegter Dzn gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Nu Piep zo begon te huilen wist ik me ook even geen raad. Had ik er wel goed aan gedaan haar mee te nemen naar New York? Maar het was haar idee. Ik was juist met haar meegegaan. Ik wilde veel liever naar huis. En nog, alhoewel, nu ik zo dicht bij mijn eigen verleden was, wilde ik het ook wel even aanraken. Maar het bleef natuurlijk mijn verantwoordelijkheid dat zij hier was. 

Terwijl ik zo stond te delibereren snikte kleine Piep nog in mijn armen en ik troostte haar met kusjes op haar haar, maar het was de professor die haar weer stil kreeg door uit te leggen dat mama haar niet miste omdat alles in een flits gebeurde en er geen tijd bestond en dat ze bovendien als enige van ons drieën nu in een tijdskromme was waarin ze nog niet bestond en dat ze daarmee wereldrecordhouder tijdreizen was. Ze keek hem met open mond aan en was op slag haar verdriet vergeten. Ze trok aan mijn arm en zei:
‘Kom pap, we gaan. Jij hebt hier toch gewerkt? Dat wil ik zien! En daarna wil ik naar huis.’ 

Ik protesteerde nog wat dat ik hier niet gewerkt had, maar dat er alleen maar het hoofdkantoor stond waar ik wel eens geweest was, maar dat deed er volgens haar niks toe.
En zo zochten we onze weg door de stad van de Twin Towers naar de 43ste  Straat, waar AFS zat. We konden het gemakkelijk vinden en toen ze de letters op de gevel zag, riep ze enthousiast:
‘Kijk papa, daar is het! We zijn er. Wat is dat hoge gebouw verderop?’
‘Dat is het gebouw van de Verenigde Naties, waar alle landen bespreken hoe lang ze nog ruziemaken.’
‘O, daar hoef ik niet heen. Ze moeten gewoon stoppen. Maar ik ga ook niet met jou mee naar binnen hoor. Ik besta nog niet.’ Ze keek trots naar de professor alsof er niemand was die haar dat na zou kunnen zeggen, wat feitelijk ook het geval was en de professor knikte haar bevestigend toe.

‘Oké schatje, dat is prima, blijf jij dan hier wachten met professor Paf of loop samen even een blokje om. Dat kan heel goed hier in New York. Ik hoef alleen maar even te kijken of een paar mensen er nog zijn. Ik gaf haar een kus en de professor een knipoog en rende de brede trappen op naar de hoofdingang. Nu moest ik wel even opletten want ik kon natuurlijk niet mijn eigen naam gebruiken. Ze kenden mij en dan zou ik in hun ogen wel ernstig verouderd zijn, dus ik stelde mij bij de portier voor als een vrijwilliger uit Nederland die graag wilde kennismaken met Nico Beerman en Sally Michaels, waarvan ik zeker wist dat ze er in die tijd werkten, omdat zij onze contactpersonen, onze area reps, waren. Het ging allemaal moeiteloos en vanzelfsprekend en ik vond het enig te merken dat ze nog steeds (maar wat is nog steeds) trots waren op al hun vrijwilligers en even later zat ik met Nico en Sally gezellig te kletsen. Ze vroegen mij van alles over de situatie in Nederland, die ik heel goed kende omdat ik jaren op de Nederlandse vestiging had gewerkt, maar ik moest ook erg opletten dat ik geen dingen vertelde die in 1983 nog niet gebeurd waren. Zo realiseerde ik mij dat ik in het kantoor geen enkele computer zag, alleen een telex en een enkel kopieerapparaat. Wel stonden er heel veel IBM-schrijfmachines, met die bolletjes, die ik uit die tijd nog goed kende. En het viel mij op dat er om ons heen volop gerookt werd. Dat was bizar om te zien en ik had bijna een sigaret opgestoken want ik vond het heerlijk! Eindelijk een goede reden om de tijd echt terug te draaien!

Na een kwartiertje vond ik het wel weer genoeg en we namen hartelijk afscheid, zoals alleen de Amerikanen dat doen, alsof ik een ver familielid was wat ze voorlopig niet meer zouden zien, wat zeker het geval was, maar ze hadden natuurlijk geen idee wie ik echt was. Ik haastte mij terug naar de ingang, waar de professor stond te wachten. Piep zag ik nergens.

‘Was het een fijne ontmoeting, heer Pap?’ vroeg hij direct, maar ik gaf hem geen antwoord: ‘Waar is Piep, professor?’
‘Die is hier, mijn goede Pap.’ 
Hij draaide zich om en wees in de leegte.
‘O, mijne goedheid! Ze is niet daar. Ze is verdwenen. Wek! Ze liep zojuist nog neven mij. Ze kan niet verre zijn. Weest gerust, heer Pap. Raakt u niet in paniek, weest u toch niet heetgebakerd, als ik u bidden mag.’
Ik was nog helemaal niet in paniek, laat staan heet gedingesd, maar wel geschrokken en alert en boos. Pittig boos. Waar kon ze zijn? Ik zag haar nergens. Ik draaide mij om en op dat moment kwam er resoluut een agent op mij af die onmiddellijk van wal stak:
‘Sir, are you looking for something? Hold your head up. I can help. I guess you are tourists lost in the big Apple. Well, don’t you worry ‘bout a thing. You are not the first and you won’t be the last. What is the name of your hotel? I call you a cab, sir. Please?’

The agent praatte meer dan ik kon verdragen en wat korzelig maakte ik toen de stomste opmerking die ik op dat moment had kunnen maken.
No, officer, we are certainly not lost. My daughter is lost. She is only ten years old, you know, so I hope you really can help us out.’
Dat had ik beter niet kunnen zeggen, realiseerde ik mij te laat, want terwijl professor Paf zijn hand als in vertraging voor de mond sloeg en zich van ons afwendde, tastte de agent in zijn zakken en toverde hij een serieus ogend notitieboekje tevoorschijn.

Ate Vegter, 3 december 2018

Een avond met Fleppyie Auwurs:
www.atevegter.wordpress.com/48
 

03/12/2018 06:26

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert