Het einde van de rit

Door Jules Grandgagnage gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

120px-Uk_tram_icon.png

De tram zit natuurlijk vol. Vol met grimmig kijkende forenzen die het liefst de deur voor mijn doorweekte hersens zouden willen toesmijten. Vanuit hun dominante positie kijken ze koel op me neer. Ik zet aarzelend een voet op de onderste trede. De tramman gunt me geen blik. Wat doe ik hier? Ik aarzel. Deze wezens hebben niets menselijks meer. Moet ik vluchten, nu het nog kan? 'Doorschuiven!' Ja, ja, ik schuif al. Ik heb een hekel aan kiezen. Links of rechts, ja of nee, wit of zwart, op de tram, af de tram. Wij zijn verdoemd om te denken. Misschien had ik wat minder moeten studeren, dan zou ik nu meer vertrouwen hebben in mijn weten. Ik denk, dus ik twijfel. Wat benijd ik die tramman. Hij weet wie hij is. Hij kent zijn taak. Met vaste hand voert hij langs hetzelfde spoor duizenden zielen naar de andere kant van de stad. En ik, ik versnipper mezelf langs de wegen van mijn twijfel. Een hardnekkig gevoerde strijd tegen verstarring, maar ik betaal het duur met schaamte en vrees. Ik wrijf mijn brilglazen schoon, maar het is vergeefs, want ze dampen terug aan. Het betert wel, denk ik. Als een blinde tast ik naar de automaat en introduceer mijn slaphangende kaart. Na de geruststellende perforatie wring ik me tussen twee natte lijven door. Het ene lijf behoort toe aan een vrouw die enige gelijkenis vertoont met een door zware herfstregens gezwollen peer. 'Doorschuiven!' Zoals het een heer betaamt draai ik mijn rug naar haar toe en reduceer zo veel mogelijk de frictie tussen onze achterwerken. Mijn voorkant pers ik schaamteloos tegen het dijbeen van een niet onaardige juffrouw. Als ik na enig stuwen erin slaag me uit hun omknelling te bevrijden, kom ik terecht in een groep giechelende schoolmeisjes. Ik blijf niet staan om me af te vragen waarom ze lachen. Ze weten het waarschijnlijk zelf niet. 

Hubert had ook zo'n zus. Ik voel me niet op mijn gemak en baan me zwemmend tussen flarden gesprekken een weg. Toch hou ik van het geluid van hun zingende stemmen. Van de zon in hun ogen. Hun reclamehuid en het flitsend wit van hun tanden. Maar ze maken me onrustig. Als een schim glijd ik tussen hen door. Ze hebben gelukkig meer oog voor een paar knapen die pronkerig sigaretjes staan te roken. Ach, baltsgedrag. Ik wuif de wolk rook weg en duik onder hun armen door. De jongens ruiken nog lekkerder dan de meisjes. Maar ze praten zonder melodie. Paukenwerk. Droge, hortende blafjes. De natuur is wijs. Zij weet dat opposities elkaar aantrekken. De meisjes ontwikkelen in de puberteit de sirenenzang van de giechelantropus. De jongens stellen daar in hun onmacht de botheid van de Neanderthaler tegenover. 'Doorschuiven!' De stoere jongens zwijgen even. Ik weet het zeker nu: trammannen worden geselecteerd op het aantal decibels dat ze kunnen produceren. Scherpte en doordringendheid worden geapprecieerd. Eindproef: wie de pet past krijgt de tram. 'Doorschuiven!' 

In het midden van de tram is het rustiger. Gek. Hangt er hier ergens een bordje met "Alleen veertigers" erop? "Geen deodorant meer vanaf hier"? Hier wordt niet meer gebaltst of gegiecheld. Hier ben ik op vertrouwd terrein. Dit is het gebied van de mensbomen. De mannen en vrouwen die wortel schieten, zodra hun haren grijzer worden en hun ogen de horizon kwijt geraken. Ze zijn nog moeilijk te bewegen. Wijken in wantrouwen. Zuigen zich vast in de ruimte die hun lichaam inneemt. Voorzichtig dring ik door in die ruimte, tot ze onwillig toegeven. Ik weet dat de geringste fout me fataal kan worden. Giftige blikken en ongewassen oksels houden me op afstand. De ongeschreven tramcode luidt dat wie deze subtiele boodschappen negeert en toch het territorium van een ander binnendringt genadeloos wordt verstikt of vertrappeld. De mensbomen transformeren dan in dodelijke insecten. 

'O Pardon, was dat uw voet die ik vermorzelde? Wat moet u? Lucht? Buiten vindt u genoeg van het goedje. Onder mijn oksels moet u het niet zoeken. Kan er iemand alsjeblieft dit lijk onder mijn bankje verwijderen, tramman? Ik haal mijn schoenzolen open aan zijn gebit. 

Ik kijk even achterom als een soldaat me de weg verspert. De juffrouw met het dijbeen is mee opgeschoven. Ze staat nu achter de stoere jongens en rookt ook een sigaret. Door de rook kan ik haar gezicht niet goed zien. Maar ze heeft blond haar en verft haar lippen bloedrood. Ze wil gezien worden. Goed, ik zal naar haar zien. Ik knijp mijn ogen halfdicht, maar krijg haar niet scherp op mijn netvliezen. Ik moet een sterkere bril. Al dat moois dat aan mij voorbij gaat. Met spijt draai ik me terug om. De soldaat lijkt bevroren op zijn plaats. Twee strepen, registreer ik. Buikje. Correctie: ton. Een door jaren zwelgen in troosteloze kantines gekweekte bierton. Een anatomische monstruositeit. Een in schel neonlicht en verschaalde schetenlucht gezwollen riemverdelger. Een blok. Een reus. Een brok Vlaamse eigenheid. Hoe kom ik daar voorbij? Ik taxeer de situatie. Ondanks de tijdsdruk voel ik me rustig. Vraag: hoe verzet je in je eentje een menselijke vleesberg? 

Hercules zou de Schelde omleiden en de obstakels uit de tram spoelen. Maar ik ben geen halfgod. En bovendien ziet het er niet naar uit dat een dergelijk ouderwets middel als een rivier verleggen in dit geval veel zou helpen. Hoe moet je zo'n man imponeren? Als ik een uitgespoeld Nestlé-blik en een eindje stevig naaigaren had zou ik nu om versterking roepen: 'Hallo, hier victor alfa bravo tango, vraag dringend pantserondersteuning, luchtafweer, the works. Over and out.' En dan zou ik me bukken en hopen dat ik niet word geraakt door de aanzoevende gedroogde koevijgen. Hubert, mijn beste vriend, was daar een kei in. Een mager scharminkel, bleek en astmatisch, maar als het op gooien aankwam was hij de beste. Ik hoop voor hem dat er in de hemel ook iets te gooien valt. Gooi maar wat naar beneden, Hubert, laat me voor de laatste keer nog eens je kunst zien. Een flinke schep rijstpap tussen zijn ogen zou al helpen. 

Ik sta werkelijk even ademloos te wachten tot er wat gebeurt, idioot die ik ben. Je moet het alleen doen, heb je dat nu nog niet begrepen? Kijk naar de soldaat. Zoek zijn zwakke plekken. Iedereen heeft een zwakke plek. Als je maar lang genoeg zoekt vind je wel wat. Nee, ik heb geen tijd om te zoeken. Ik zou moeten vertrouwen op mijn instinct. Dat werkt veel sneller dan mijn verstand. Maar ik blijf denken, luk er niet in om mijn analyseerreflex te verschalken. De soldaat ziet eruit als een soldaat. Als hij ook denkt zoals een soldaat ziet het er niet mooi uit voor mij. Soldaten worden afgericht om dingen te veroveren en niet meer te lossen tot nader order. Hij omklemt de spijl alsof zijn leven ervan afhangt: zijn kneukels zien wit. Zijn andere arm houdt hij op de rug. In reserve, denk ik. Soldaten bewaren altijd dingen voor tijden van schaarste. Mijn grootvader, die ook een snor had, maar voor legerdienst werd geweigerd wegens platvoeten, stockeerde tijdens de Cubacrisis zoveel meel en suiker dat we nog jaren pannenkoeken moesten eten. Deze man doet me wat aan hem denken. De manier waarop hij in de verte staart. De wijze waarop zijn neusharen trillen bij elke ademhaling. Ja, vooral dat laatste roept bij mij onweerstaanbaar het beeld op van mijn grootvader, snuivend achter een stapel pannenkoeken. Ik schuifel wat dichterbij, voorzichtig. Zijn snor beweegt. Is dat een slecht teken? Hubert had vroeger een hond, een bruine met zwarte vlekken, en die liet ook zijn lip trillen voor hij me aanviel. Ik aarzel, want ik hecht erg aan mijn neus en oorlellen. Waarom ben ik toch zo laf? Zou het iets te maken hebben met een onevenwichtige voeding? Zit mijn koolhydratenverslaving daar voor iets tussen? Misschien moet ik wat meer rood vlees beginnen eten. 

De woede over mijn eigen lafheid richt ik op de soldaat. Had ik maar een pen, ik zou dat kereltje afmaken! Met vlijmscherpe hekel en flitsende citaten. Met eruditie en dialectisch venijn. Vijfduizend jaar beschaving zou ik op hem loslaten tot hij bezweek. Ik, Gilgamesh, gij Enkidu. Me Jane, you Tarzan. 

Ik schraap mijn keel, om hem te verzoeken mij passage te verlenen. Maar in plaats van een sonoor mannelijk schraapgeluid, produceert mijn keel slechts een iel piepje. Hij merkt het gelukkig niet op. Ik draai mijn hoofd weg en begin wat te zoemen. Ik heb ergens gelezen dat dit, en af en toe een lepel honing, heel heilzaam is voor je stem. Zoem, zoem, zoem, zoemmmmm. Verdorie, we zitten al ondergronds, en ik ben nog niet half. Snel mijn bril nog even oppoetsen. Zoem, zoem, zoem. Ik moet het nu wagen! Nu! ZOEMMMMM Mijn stem klinkt dieper nu, zoals het hoort. Dat vindt de juffrouw met het dijbeen ook, want ze bekijkt me nogal giftig. Kort, maar giftig. Ik wou dat ik zo giftig kon kijken, dan zou die ijzervreter nogal springen. Ze staat op nog geen meter afstand van mij. Dat profiel. Wat ik niet zou geven voor een meisje als zij. Maar nu is mijn kans weer verkeken. Haast, haast, altijd haast. Er rust een vloek op mijn geslacht. Ik weet het zeker. Wij moeten altijd ergens zijn. Vader had het. Zijn broer ook. En nu ik. Rush, rush, honderd dingen tegelijk, niets afgewerkt. Halve zaken, halve huwelijken, halve kinderen. Dag, juffrouw met het dijbeen, ik moet nu verder. Had we but world enough and time..., maar ik schat dat me nog maar enkele minuten resten. 

Even diep ademhalen. Hij staat nog altijd in dezelfde houding, hand op de rug, blik op oneindig. Zijn snor is nu in rust, wat me moed geeft. Ik steek mijn rechterhand in de zak van mijn regenjas. Als die man een greintje fantasie heeft, vermoedt hij daar misschien wel een mes, een pistool, of een granaat. Ik ril. Waarom is het plotseling zo koud? Iets van de kilte van het flitsend neonlicht dringt door tot in mijn gebeente. Ik hou niet van de metro. Ik wil zo vlug mogelijk terug in de open lucht. Mijn doorweekte kleren kleven tegen mijn lichaam aan. Nee, ik kijk niet in de ruit. In dit licht zie ik er waarschijnlijk uit als Nosferatu, maar dan met regenjas. Ik ben iemand die angstvallig vermijdt naar zichzelf te kijken. Thuis heb ik alle spiegels zo hoog gehangen dat ik alleen mijn kop nog kan zien. Mijn kop is het meest imposante deel van mijn lichaam, vooral als ik mijn haar recht omhoog föhn. Maar nu kleeft mijn haar op mijn schedel. Misschien moet ik toch wat op mijn tenen lopen, en mijn adem inhouden. Misschien lacht hij me zelfs dan nog uit. 'Doorschuiven!' Ik schuif door, tot bij de roerloze krijger. 'Excuseer, meneer... mag ik even?' Op dat ogenblik vertrekt de tram bruusk. Ik val voorover met mijn hoofd tegen zijn ton. 

Fysiek stelt het niets voor. Maar de geestelijke schade is aanzienlijk. Mijn door contactvrees verstoorde psyche balanceert op de rand van de razernij. Ik word helemaal schizo en slaag er nauwelijks in iets zinnigs te zeggen. 'Meneer,' zeg ik met ingehouden woede, 'meneer...', maar verder kom ik niet, want ik zink weg in een woordenloze afgrond, waar ik me slechts met moeite kan ontworstelen aan de impulsen van mijn primitieve reptielenbrein. Ik wil doden, vernietigen, verscheuren in blinde haat. Ten slotte bonst mijn hart zo pijnlijk in mijn borstkas, dat ik me bezorgd begin te maken. Rustig, rustig. Denk aan je kransslagader. Je bent niet meer van de jongsten. Diep en traag ademhalen. Beheers je. Het werkt, maar ik voel me uitgeput. Ik sta te trillen op mijn benen. Om niet helemaal voor lul te staan tracht ik door mijn scheef gezakt montuur een imponerende blik op de samoerai te werpen. Hij likt over zijn vlezige lippen. Vraagt hij zich af of ik iets eetbaars ben? Twijfelt hij tussen dooddrukken of uithongeren? Aan welk wreed scenario geeft zijn lethargische brein de voorkeur? Elk ogenblik verwacht ik dat zijn opgerolde tong naar me toeschiet maar er gebeurt niets. Zijn buik deint rustig op en neer en ik wordt ritmisch samengedrukt tussen mijn ruggengraat en zijn pens. Dit is mijn ergste nachtmerrie. Zo moet het voelen om verkracht te worden. Wie mijn aangeboren huiver voor fysieke intimiteiten met beroepsmilitairen op de tram deelt, zal weten wat ik bedoel. Wat haat ik die man. Wat zou ik hem graag ter plekke afmaken met een genadeloze Oneliner à la Bogart. 

Maar mijn haat en huiver verdwijnen. Ze verdwijnen doordat de soldaat naar pannenkoeken ruikt. En ik weet plots wat hij in die andere hand achter zijn rug verbergt. 

Het was een spelletje dat grootvader tot op zijn sterfdag speelde. Elke zondag was pannenkoekendag (zoals maandag wafeldag, woensdag olieboldag en vrijdag brooddag was). Dan voerden we, voor we begonnen te eten, telkens hetzelfde ritueel op. Ik speelde daar een belangrijke rol in. Grootmoeder bakte, moeder zette de tafel, vader deed niks, en ik hielp grootvader bij zijn act. Kies een hand, monkelde hij, en toen moest ik kiezen, links of rechts. In een van de handen verborg hij het potje suiker. Meestal raadde ik juist, maar soms faalde ik en werd de suikerpot terug in de kast gezet. Met de jaren vergrootte mijn trefzekerheid. Daarom weet ik nu, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, welke kant ik moet kiezen. De soldaat merkt mijn plotse bezieling, want hij ademt minder diep uit. De druk op mijn ruggengraat vermindert. Ik beheers me om niet triomfantelijk 'Links!' uit te roepen en beperk me tot het tellen van de sproeten op zijn gezicht. Als de tram begint af te remmen overvalt me plots met elektriserende helderheid de reddende gedachte. Als een gek begin ik te wuiven en te roepen naar een imaginaire vriend achter op de tram. 

'Hubert! Hubert!' gil ik. Dan, met een gezicht dat opensplijt van geacteerde blijdschap, scheur ik me los en begin door te schuifelen. 'Hubert!' Met rollende ogen en uitgestoken handen baan ik me een weg. De truc werkt, iedereen drukt zich tegen de wand om me ruimte te geven. Mensen hebben een ingeworteld ontzag voor gekken. Ik kijk niet om maar loop door tot bij de middendeur, waar een man met zwarte jas uitstapt. 

'Hubert!' roep ik hem na. 'Hubert! Hé, ouwe rakker!' Hubert draait zich op straat verbaasd om. Misschien heet hij werkelijk Hubert, of denkt hij dat ik mijn eigen naam schreeuw. Enthousiast wuif ik hem na. Hubert groet aarzelend terug. 

Ontspannen kijk ik nu hoe de huizen voorbijglijden. Luister naar het gezoem van de tram over de sporen. Ineens verlang ik ernaar om te gaan zitten, op de achterste banken. Maar ik heb geen tijd meer. Jammer. Op de achterste banken zit je veilig. Oudjes weten dat. Ze zijn voorzichtig. Hopen dat de dood hen vergeet. But at my back I always hear Time's winged chariot hurrying near... 

Aan de volgende halte stap ik af. Het regent niet meer. Het is nog een eind stappen tot aan mijn huis, maar ik zit er niet mee in. De beweging doet me goed, ik geniet van de ruimte en van mijn heldere brilglazen. Aan mijn deur wacht een man in zwarte jas. Hij tikt bij wijze van groet zijn hoge hoed aan en grijnst. Hij heeft een stevig gebit, het soort dat je alleen maar tegenkomt in dure dokterskabinetten, maar dan in een glazen kast en zonder vlees waar normaal vlees moet zitten.

'Knap van u dat u me hebt gevonden', grijnst hij. 'Weinig mensen kennen mijn naam, voor het hun tijd is.' Ik knik gelaten en open de deur. 

'Ja, ik ben nogal haastig. Het zit in de familie, weet je. Kom. De gang door. Zet je hoed maar op het rekje. Ik mag toch je zeggen? We zijn toch echt vrienden? Kom maar mee. Ik haal de suikerpot even uit de kast. Ik heb hem nooit kunnen wegdoen. Sta je mij dit laatste spelletje toe? Dank je wel, Hubert, je bent echt een goede vriend. Ga zitten. Je hebt toch tijd? Ja, natuurlijk heb je tijd. Ik trouwens ook. Ik heb al de tijd. Je houdt toch van een gokje? Wat zetten we in? Mijn leven? Jouw hoed? Of de suikerpot zelf?' 

 

(eerder gepubliceerd in de Brakke Hond onder de titel "Hubert", in de tijd toen er nog mocht worden gerookt in de tram!)

 

 

28/05/2018 12:50

Reacties (1) 

1
28/05/2018 18:11
Schitterend.
Wat heeft een mens ook in een tram te zoeken?
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert