Hellevuur - een Fantasyverhaal

Door Edwin Bruinooge gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Een Fantasyverhaal, een bewerking van een mislukt verhaal uit  2010. Onderdeel van een "wereld in wording" waar ik al vaker over geschreven heb.

 

Hellevuur

Ik heb net mijn aangezicht gewassen. Vanuit het water van de waskom kijkt mijn beeltenis me aan. Mijn diepliggende ogen met hun donkere pupillen zijn rooddoorlopen en zien er vermoeid uit. De groeven langs mijn mondhoeken en mijn grote haviksneus lijken als uit graniet gehouwen. Mijn lippen zijn  klein en verstijfd. Ze lijken me te beschuldigen. De druppels die van mijn gelaat in het water vallen, vervormen mijn weerspiegeling. Het beweegt tussen menselijk en de gruwelbeelden die als gargouillles langs elke kerktoren te zien zijn. Als ik me concentreer, zie ik het monster dat ik ben. Het monster waar ik nu definitief voor gekozen heb. Het monster dat ondanks alles geen monster wil zijn. Tussen de druppels valt een enkele traan. 

a8e138056a0f369188ada8c9b13ef110_1405367

Ik ga zitten op het schamele bed waar stro uit een versleten matras steekt. Ik sluit mijn ogen en neem mijn hoofd in mijn handen. De stank van verschroeid vlees is in mijn habijt getrokken, het zit in mijn huid en ik weet dat ik het voortaan altijd bij me zal dragen. Een deel van mij zal altijd blijven leven in dat moment, toen ik mijn defintieve keuze maakte en het monster in me omarmde. Vervloekt, tot in lengte der dagen, ik kon niet anders. Ik voel een spottende, maar ook uitdagende lach om mijn mond, ondanks de tranen. Als ik uit het raam blik, zie ik een stad die langzamerhand weer tot rust is gekomen. Kooplieden smeren hun waar weer luidkeels aan, kinderen rennen kirrend voorbij en drie jonge vrouwen bekijken giechelend hoe twee jongemannen met veel bravoure een duel naspelen. Alleen de groepjes soldaten, die duidelijk nog zoeken, maken duidelijk dat dit geen gewone middag was.

Tranen kruipen stil langs de groeven in mijn gelaat als ik haar weer voor me zie. Haar doodsstrijd, die een paar uur geleden mijn leven voorgoed veranderde. Ze schreeuwt zoals ik nog nooit iemand heb horen schreeuwen. Een langgerekte, bijna niet meer menselijke schreeuw van panische doodsangst en ondraaglijke pijn. Wild kijkt ze om zich heen; ontsnappen is niet meer mogelijk. Toch blijft ze woest spartelen, misschien hopend dat haar ijzeren ketenen mee zullen geven. Tevergeefs, dit is haar eindbestemming; ze kan alleen nog maar ondergaan. 
De pijn die ze op dit moment voelt is allesoverheersend. Alle pijn uit haar hele leven, opgeteld en samengebald in één enkel moment. En ze beseft dat wat ze nu voelt – en wat op dit moment al niet te dragen is – pas het begin is. Dit gaat minutenlang duren, elk moment een eeuwigdurend moment van allesverzengende pijn, elk moment een genadeloze marteling en elke hulpeloze schreeuw een voorbode van nog veel meer. 

8a2d0ce6909be3ed46c218cf89678fb0_1405367

En ik voel haar pijn, haar angst. Ik wil het buitensluiten, maar kan het niet. Ook nu niet. Ik ben weer terug in het moment van mijn keuze, die ik zolang als ik leef al aan het uitstellen was. Was het mijn angst? Mijn twijfel, mijn lafheid? Of de hoogmoed die me voorloog dat ik te redden was zolang ik mijn aangeboren doodzonde wist te onderdrukken? Als in een reflex vouw ik mijn handen, sluit ik mijn ogen en buig ik deemoedig het hoofd. Maar resoluut wijs ik mijn beginnende gebed af. Ik heb het recht om te mogen bidden verspeeld. Ook dat hoort bij mijn keuze. Maar het voelt alsof ik een arm of een been kwijt ben geraakt.
Om me heen klinkt weer het gejoel en gelach van een paar uur geleden. Ik ben omringd door honderden mensen die allen vol fascinatie toekijken hoe opnieuw een dienaar van de Boze haar terechte lot ontvangt. Ik voel hun platvloerse genieten van het lijden van een medemens. Hun vieze, dampende warmte en hun stinkende stemmen die haar kreten van pijn uitjouwen en uit pure wreedheid lachen omdat het nog véél erger gaat worden. Hun wellustige leedvermaak slaat als vuistslagen in mijn gezicht. En ook al sluit ik mijn ogen, ik zie ze.  Kinderen op de schouders van hun vaders, kirrend wijzend naar het afgrijselijke schouwspel. Moeders met van haat vervulde ogen en verwrongen gelaten. 

Onbeweeglijk kijk ik toe, alle haat en wrede genoegens voel ik, alsof ze ook op mij gericht zijn. Ik, die eigenlijk naast haar had moeten staan.
 
“De heks zal branden”, hoor ik een bekende en welluidende stem roepen. “Nu op deze wereld, straks voor eeuwig in het Hellevuur. Heksen, ketters, tovenaars, waarzeggers, Voelers en alchemisten, niemand ontsnapt aan zijn Goddelijke straf.” De stem komt van het podium, waar de notabelen van Gent verzameld zijn. Uit de wind, zodat ze de stank van verschroeid vlees niet hoeven te ruiken. En daar staat hij, Geoffrey de Villefort, Groot-Inquisiteur, trots en genietend van zijn almacht. Al twintig jaar de voornaamste vijand van alles wat des Duivels is. Hooghartig kijkt hij neer op de verzamelde meute die zijn woorden toejuicht. Hooghartig, maar ook speurend naar medestanders of soortgenoten van deze dienaar van Satan.

Speurend naar mensen zoals ik.

Want ook ik heb de Gave. De Gave, of dodelijke Vloek die ik van mijn moeder geërfd heb. De Gave die ik mijn hele leven probeer te onderdrukken, maar die ik altijd in me voel. Zelfs na jarenlange dienstbaarheid aan God, in de Orde der Franciscanen. Ik was er bij toen mijn moeder zichzelf het leven benam om te ontkomen aan de verbrandingsdood. Want ook zij was een heks, net als die jonge vrouw die kronkelend van pijn voelt hoe de vlammen langs de binnenkant van haar benen omhoog kruipen, op zoek naar jong vlees om te martelen, te verzengen, te vernietigen.

22323cab33cd3d1a1173f757f8d0321d_1405367

Ik vervloek mezelf om mijn lafheid. Ik had mijn verdorvenheid moeten opbiechten, maar ik ben bang. Ik had ook moeten branden, nu en in alle eeuwigheid. Ik, geboren als mens, maar ook als heks. En daarom een dienaar van de aartsvijand van God, de God aan wie ik mijn leven heb toegewijd. Een toewijding die als ik sterf geen enkele waarde zal hebben, hoeveel goeds ik ook op deze wereld gedaan heb en hoe vroom ik de Heer ook gediend mag hebben. En hoezeer ik het ook zou willen. Want ik kan niet als verloren zoon terugkeren en vergiffenis ontvangen. Satan en alle gevallen Engelen zijn voor eeuwig verdoemd. Ook hun dienaren wacht datzelfde lot. Alleen normale mensen kunnen vergiffenis voor hun zonden krijgen. Zoals de bakker die naast me staat en die kwijlt van genot nu hij ziet dat de vlammen haar heupen bereikt hebben. Hij, die een walgelijke opmerking maakt over haar “geroosterde poes”, hij wel, ik niet. 

Het van pijn schreeuwende gelaat van de jonge heks verandert voor mijn ogen in dat van mijn moeder. Ik bedwing mijn tranen, uit angst voor de mensen om me heen. Mijn moeder brandt op dit moment voor eeuwig in het Hellevuur. Haar zelfmoord heeft niets opgeleverd, behalve ontsnapping aan het tijdelijke wereldlijke vuur van een heksenverbranding. En ook ik probeer in mijn lafheid mijn ware aard voor me te houden, terwijl ik, als dienaar van God, tot in het diepst van mijn wezen weet dat ook ik voorbestemd ben om eeuwig te branden. Juist ik. En zo moet het ook zijn. Moet ik dan niet meejuichen en meelachen met de meute? Me verheugen dat in ieder geval vandaag het Goede zegeviert?

506902b09a8bc19e8df900e8a64a4db2_1405367

Maar waarom voel ik dan toch erbarmen? Is zij niet ook een mens, die mededogen verdient? Mag ik als christen wel mededogen hebben met een heks? Ik ben de enige die voelt dat zij niet onschuldig is. Haar Gave is voor mij overduidelijk. Ik zou haar eigenlijk moeten vervloeken, ik heb geen keuze, maar toch kan ik het niet. Ik hoor haar gedachten, die vervuld van de allerergste pijn alleen nog maar kunnen schreeuwen om verlossing en hulp. De ijzeren kettingen, gloeiend heet geworden, branden in haar huid, de vlammen likken aan haar armen en borsten en haar vreselijke kreten om hulp blijven onbeantwoord. En zij bidt! Zij bidt tot God om verlossing van de pijn, om vergiffenis voor haar zonden, een snelle dood en eeuwige rust. 

Hoe kan een dienaar van Satan bidden tot God? Ineens zie ik haar diepste wezen. Een mens, in opperste wanhoop, die zich richt tot de Enige die hulp kan bieden. Een mens die weet dat ze voor eeuwig verdoemd is, maar toch hoopt op vergeving. Omdat ze niet anders kan. Doe ik dat zelf niet, elke dag? En zou dat tevergeefs zijn?

bfe6945015683a6c8e3c145463e44e42_1405368

Ik kan dit niet langer aanzien. Niemand verdient het om zo te lijden. Ik voel de verbeten blik in mijn ogen, hoe ik me opricht en haar recht aankijk. Het besef overmeestert me: ik ben de enige die haar hier kan helpen. Mijn Gave, zolang onderdrukt, barst open en ik voel die vervloekte macht in mijn handen, mijn ogen, mijn hart. Het is alsof ik ontwaak en alles om me heen kan vormen zoals ik wil. Met mijn gedachten probeer ik het vuur weg te duwen, haar pijn weg te nemen, haar troostend te strelen. De menigte om me heen lijkt te vervagen. Alleen ik besta. Alleen ik en zij, lijdend in de vlammen.

Zij ziet het en met een kleine vonk van hoop kijkt ze me smekend aan. Ik laat mijn kracht stromen. Alsof ik onzichtbare handen heb, streel ik de vlammen en voel een overweldigende pijn. Haar pijn. Zacht dringen mijn handen door in haar lichaam. Liefdevol neem ik haar hart in mijn handen. En verscheur het. Met haar stervende ogen zendt ze me een laatste blik van dankbaarheid. Haar laatste gedachten zijn een gebed tot God waarin ze vraagt om bescherming en mededogen. Niet voor haar, maar voor mij.

7b575e8fec8b76bf58be790bdec180a8_1405368

Op het moment dat zij voor het laatst de ogen sluit, springen mijn nekharen overeind en breekt het zweet me uit, over mijn hele lichaam. Want zij was niet de enige die mijn Gave had gevoeld. Het besef raakt me als een stomp in de maag en onwillekeurig buig ik dubbel. Snel kijk ik richting het podium. Het is De Villefort, gealarmeerd, die een paar korte bevelen schreeuwt. Soldaten rennen naar alle toegangswegen tot het plein en versperren de weg voor iedereen. Niemand kan ontkomen.
De menigte raakt in paniek, iedereen vraagt zich af wat er aan de hand is. Geroezemoes en angstige blikken en ik sta onbeweeglijk. Heimelijk kijk ik naar de Groot-Inquisiteur die verwoed de menigte afspeurt, op zoek naar mij. Maar dat is onmogelijk, tenzij – en dat besef is ineens kristalhelder – ook hij de Gave bezit. Het kan niet anders. Even kruisen onze blikken elkaar, maar hij herkent mij niet voor wat ik ben. 

Ik baan me een weg door de menigte en loop rustig naar de soldaten. Even houden ze me staande, maar meteen stappen ze opzij. Een Franciscaner monnik staat boven elke verdenking. Glimlachend zegen ik hen. Ik heb dat recht niet, ik heb het nooit gehad en het voelt ook als de smerigste vorm van verraad. Het is mijn doodsangst en mijn drang tot zelfbehoud die me dit laat doen. Zij knikken en mompelen hun dankbaarheid. Ik werp een laatste blik achterom. Het dode lichaam van de heks is bijna vernietigd. Waar haar ziel nu is, ik weet het niet en durf er ook niet aan te denken. Ik zie De Villefort, schuimbekkend van woede. Ik herken hem voor wat hij is: mijn aartsvijand. Maar vandaag ben ik aan hem ontsnapt.

5fb760e17b9737dfccdb8e98ca99cbf7_1405368

Het harde stro van de matras prikt in mijn zitvlak. Het haalt me uit mijn mijmeringen, de beelden van een paar uur geleden vervagen. Ik zie de zon langzaam ondergaan, boven de daken van Gent. En voor het eerst in mijn leven voel ik iets van vrede. Ik heb mijn keuze gemaakt; het had geen andere kunnen zijn. Ik ben wie ik ben. Als onvolkomen mens geboren als zondaar, maar met hoop op redding door het offer van Mijn Heer. Als heks voorgoed afgesneden van alle hoop. Verdoemd tot in lengte der dagen. Een dienaar van God én een Creatuur van de Duisternis. Een persoon in tegenspraak met zichzelf, een onbestaanbare tegenstelling. Maar ik voel en hoop dat die tegenstelling een paradox is. Als dienaar van God en Zijn Zoon moet ik erbarmen hebben met mijn medemens. Alle medemensen. En als heks kan ik niet anders dan mijn Gave gebruiken. Ik kan mezelf niet ontkennen. Ik kan alleen hopen op genade. Misschien is mijn hoop ijdel, maar ik kan niet anders. De tweespalt van mijn ware aard zal mijn verdere leven bepalen. Waar mijn weg naartoe leidt, ik weet het nog niet. Ineens durf ik het weer. Ik bid tot God om vergiffenis. Niet voor mij, dat kan ik nog niet, maar voor haar, die ik uit haar tijdelijke lijden heb verlost. En voor mijn moeder.

47a61d9a4573e0db1d41f83b3c6203c4_1405368

Nawoord

Dit verhaal speelt zich af in fictieve Middeleeuwen, waar al het middeleeuws bijgeloof op waarheid berust. Ik schreef al eerder in deze "wereld":

In dat voorlaatste verhaal komt een monnik voor. Hij is de hoofdpersoon van dit verhaal en de hoofdpersoon van verhalen die nog moeten komen. 
Dit verhaal schreef ik in een geheel andere vorm in 2011. Ik was er nooit tevreden over. Ik vond het tijd worden om het helemaal om te gooien.

 

24/04/2018 14:44

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert