De nachtvlinder van Montpellier

Door Edwin Bruinooge gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Ooit geschreven als strafwerkopdracht op Plazilla. Fantasy in een middeleeuwse setting en onderdeel van een wereld in wording.

 

De nachtvlinder van Montpellier

 

afd74c90ea2aa199565fc6a6051e638f_1402594
 

Ik huil zonder tranen. Ik kan niet anders. Zo lang ik me kan herinneren doe ik het al zo. Mijn gezicht laat alle pijn, verdriet en smart zien die ik voel, mijn lichaam schokt, maar er is geen geluid en mijn ogen blijven droog. Mijn bronnen lijken al eeuwen opgedroogd. Toch voel ik ze ineens weer, sinds vandaag. Golvend beuken ze tegen mijn eigen opgeworpen dijken. Ik kan ze nog tegenhouden, maar voor hoe lang?

Ik staar in het kampvuur. We bivakkeren in een bos, ver van de weg. De dichtstbijzijnde herberg is nog een halve dag hier vandaan. Het is zomer, dus het gevaar van wolven is niet groot. Het vuur zal ze op afstand houden. Rondtrekkende roversbendes zijn gevaarlijker. Maar wat kunnen zij met me doen dat al niet zo vaak gedaan is? Ik voel geen angst. Dan nemen ze me maar, dan vermoorden ze me maar. Het kan me eigenlijk niet zoveel meer schelen.

9f3a42aedd982a6d777138120752579d_1402594

Heel stil zit hij tegenover me. Hij kijkt me aan met zijn indringende donkere ogen. Anders dan andere mannen. Zijn stem is zacht, rustig en ondanks mijn verdriet moet ik even glimlachen als ik denk aan deze ochtend, toen hij me zag baden in de beek. Ik zie hem nog schrikken en zich afwenden. Zijn schuldgevoel, zijn bijna kinderlijke schaamte. Heel anders dan ik gewend ben, zelfs van mannen zoals hij. Mannen in habijt, in priestergewaden. En natuurlijk de bisschop. Hun woorden veroordelen mij, hun verlekkerde blikken vertellen een heel ander verhaal. En als hun trillende handen over mijn lichaam gaan, zie ik ze in hun ware gedaante. Maar hij is anders. Ik kan het bijna voelen, dat hij een vreselijk geheim met zich draagt. Net zoals mijn geliefde.

aa14d84e2828160450dc87c03fc471de_1402594

De woorden komen met veel moeite. Ik kijk in zijn ogen en voel dat ik hem kan vertrouwen. Ik wil het ook. De angst om te spreken, de angst die me al zo lang in haar greep houdt, brokkelt af. Ik weet niet waarom. Ik begrijp niet wat deze man, deze monnik met me doet. Ik heb mijn verhaal slechts één keer verteld en de gedachte aan wat hem is aangedaan vervult me met een immens verdriet waaraan ik geen uiting kan geven. Telkens als ik aan hem denk, is het alsof hij naast me zit en mijn angst weg probeert te strelen. Nu ook weer. Ik voel zijn aanwezigheid, ik ruik het zweet in mijn kleren, het stof van dagenlang reizen, de geur van het zachte mos waarop ik zit. Ik hoor het zachte ruisen van de wind en het ritselen van bladeren, het knetteren van het hout in ons kampvuur, een uil in de verte. De handen van mijn dode minnaar betasten me vol liefde, of is het de blik van mijn metgezel?

cf4e7e15fb479ed8e51d57a7de4658ea_1402595

   “Ik was een jaar of twaalf, in Toulouse”, begin ik weifelend. De herinnering aan het jonge meisje dat ik zo lang geleden was, wordt levend. Ik zie haar en mijn woorden komen los.
   “Mijn moeder werd vermoord en ik bleef achter, met mijn jonge broertje.” Ik zie zijn wenkbrauwen omhoog gaan. Het vraagt om een uitleg, ik wil het niet, maar ik moet het vertellen.
   “Ze is verbrand als ketter”, zeg ik en ik voel mijn stem haperen. Ik vecht ertegen en probeer zijn blik te ontwijken, omdat ik voel dat de onvermijdelijke afwijzing op de loer ligt. Iedereen in deze streek kent het lot van de Albigenzen. Maar het komt niet. Ik zie hem zijn ogen sluiten en zachtjes knikken. Als hij zijn ogen opent zie ik alleen diep mededogen.
   “Je vader?”, vraagt hij heel zacht.
   “Heb ik nooit gekend.” Ik slik een paar keer, haal diep adem en ga verder.
   “We kwamen terecht in de huishouding van Jacques de Beziers, de bisschop van Carcasonne.” Ik ril bij de gedachte aan zijn grotesk vette lijf en zijn stinkende adem.
   “Daar gebeurde het voor het eerst. Ik had geen keuze; het was of ik, of mijn broertje. Twee jaar deed hij alles met me wat zijn perverse geest kon verzinnen.” Ik kijk hem gespannen aan en probeer in zijn ogen zijn reactie te lezen, nu ik een van zijn kerkvorsten heb beschuldigd. Weer zie ik alleen mededogen.

f07a912e6c66a1726ea40e0c970b4fe9_1402595

   “Ik was pas vrij toen zijn hart het begaf”, zeg ik afgemeten. Onwillekeurig sla ik een kruisteken, omdat je nou eenmaal geen kwaad spreekt over de doden. Maar hij doet het niet. Ik zie een flauwe glimlach, alsof hij deze speling van het lot goedkeurt.
   “Mijn broertje ben ik kwijtgeraakt, ik weet niet waar hij is en of hij nog leeft.” Weer breekt mijn stem.
   “Zelf kwam ik terecht in Montpellier. Zonder een sou op zak had ik geen andere keus dan het enige te doen waar ik goed voor ben. In een stad met een haven en een universiteit is het niet zo moeilijk om als nachtvlinder te leven.” Mijn handen vegen fel de tranen weg die ik niet heb.
   “Tien jaar...duizenden mannen”, fluister ik. Ik durf hem niet aan te kijken, hij moet me wel veroordelen, het kan niet anders. Een leven in doodzonde, tussen het uitschot, waar ik deel van uitmaak. Harder dan ik wil roep ik: “En ik heb geen berouw, ik heb geen spijt!” Nu durf ik het wel, hem aankijken. Maar de reactie die ik verwacht blijft uit. Mijn keel knijpt samen als ik zijn tedere glimlach zie. Voor het eerst sinds jaren beginnen mijn ogen te branden.
   “Maria Magdalena”, fluistert hij. “Ken je haar verhaal?” Ik schud nee. De naam is me vaag bekend.
   “Een vrouw zoals jij. En onze Heer ontfermde zich over haar. Hij zag in haar wat ik zo duidelijk in jou zie.” Ik kijk hem stomverbaasd aan.
   “Pure schoonheid, Isabeau”, zegt hij resoluut. “Hoe zou ik anders kunnen handelen dan Hij?”
Ik voel mijn lippen trillen en zonder tranen huil ik. Zijn blik laat niet los, hij laat me niet ontsnappen.
   “Vertel het me. Vertel over hem om wie je zo treurt.”
Mijn hart klopt in mijn keel. Een golf van angst overspoelt me, omdat ik het niet begrijp. Ik begrijp niet hoe hij dat kan weten. En dan zie ik het, dat hij niet naar mij kijkt als hij die woorden uitspreekt. Hij kijkt naar de plek naast me. Daar waar ik de aanwezigheid voel van mijn dode minnaar. Met de ogen dicht, om mezelf te beschermen begin ik.
   “Ik stond onder bescherming van een herbergier in de haven.” Ik glimlach even bij de herinnering.
   “Gaston heet hij. Uitschot, een bedrieger, een oplichter, maar voor mij was hij goed. Hij zorgde er voor dat ik alleen klanten kreeg die hij veilig vond. Zelf heeft hij nooit iets bij me geprobeerd.” Ik probeer uit alle macht zijn vieze en vrolijke gelaat te zien, om maar niet te denken aan wat ik zojuist zag.
   “Gaston stelde me aan hem voor. Zijn naam heb ik nooit uit kunnen spreken. Bastardo noemde iedereen hem. Hij was een beer van een kerel. Niemand wist wat hij deed, maar ik voelde dat hij een vreselijk geheim meetorste.” Ik huil in stilte bij de gedachte aan hem. Aan de afschuwelijke dingen die ze met hem deden.
   “Zijn ogen leken al het leed en verdriet van de wereld uit te stralen. Nog nooit was een man zo teder met me. Bij hem was ik veilig. Voor het eerst was daar een man die mij nodig had. Meer dan alleen maar voor één nacht. Ik voelde dat hij van me hield, maar ik durfde er niet over te praten.” Mijn stem breekt opnieuw en ik kan niet verder.

df0186f6412943abd72dad92ba54c2c5_1402595

   “Wat was het, dat alles voor je veranderde?”
   “Twee weken geleden hebben ze hem vermoord. Ik heb er niet naar kunnen kijken, maar ik heb zijn doodskreten gehoord. Urenlang.” Ineens zie ik mijn metgezel knikken. Hij weet het.
   “De beul van Montpellier. Ik begrijp het. De beul met genade, de Voeler! En jij hield van hem.” Ik knik, het duurt een tijd voordat ik verder kan.
   “Ik moest wel vluchten. Het liefje van een beul, het liefje van een Voeler. Ik was mijn leven niet meer zeker. Elk moment verwachtte ik dat ze mij zouden oppakken. Een nachtvlinder, een gevallen vrouw en waarschijnlijk een heks, hoe mooi kan je het krijgen?” Ik spuug de woorden uit. “Gaston heeft me de stad uit gesmokkeld.”
   “Ik snap het. Zo denken ze inderdaad. En hij zeker!” Hij sist de woorden fel tussen zijn tanden.
   “Hij?”
   “Geoffrey de Villefort. De inquisiteur. Ik ken hem, helaas. Onze paden hebben elkaar eerder gekruist.” Ik verbaas me om de haat die uit zijn woorden spreekt. Hij lacht me even toe, het vertelt me dat hij me nooit zal verraden. Dat ik bij hem veilig ben. Ik wil het zo graag van hem horen, maar ik durf de woorden niet uit te spreken. Hij lijkt het te zien. Hij glimlacht naar me, maar dan verandert zijn blik. Donker, ernstig, dreigend, bijna.
   “Je hield dus van een Voeler. En je draagt zijn kind, Isabeau.”

40a7b1b6ccf27cdb448382114c7cef84_1402595

Ik kan geen woorden uitbrengen. Ik staar angstig naar zijn strenge gezicht, dat langzaam heel zachtaardig wordt. “Ik voel het”, fluistert hij me toe. Ik ril over mijn hele lichaam. Ik begrijp het, wat het geheim is dat mijn metgezel met zich draagt. Het valt me nu pas op, dat zijn donkere ogen zo lijken op die van mijn dode minnaar. Hij knikt, als teken dat hij snapt dat ik het door heb en dat hij zijn verhaal aan mij toe zal vertrouwen. Maar nu nog niet; hij richt zijn blik op de plek naast me.
   “Ik neem haar onder mijn hoede. Bij mij is ze veilig. Ik zal haar beschermen. Vade retro! Requiescas in pacem!” Een liefdevolle glimlach, als een heiligenbeeld. En hij maakt een kruisteken. Ik voel het. Mijn dode minnaar is verdwenen. Hij heeft vrede gevonden. Eindelijk gebeurt het. Het overspoelt me, mijn dijken breken door en mijn tranen laat ik vloeien. Sussend neemt mijn metgezel me in zijn armen.

7ee378c7a685ac1f0d0f26c99e959e42_1402596

De volgende ochtend loop ik naar de beek. De zon schijnt, het wordt een mooie warme dag. Ik kijk naar mijn spiegelbeeld in het water. Ik zie het meisje dat ik ooit was. Haar blik is veranderd. Niet meer droevig, zonder hoop. Boven het wateroppervlak zwermen vlinders. Dagvlinders, in schitterende kleuren. Mijn metgezel steekt zijn hand uit en ze komen op hem toe en nestelen zich in zijn handpalm. Het verbaast me niet eens dat hij dit kan. Hij lacht en knipoogt naar me en laat ze vliegen.
   “Je broertje leeft”, zegt hij zacht.
   “Jij voelt het?”, vraag ik. Hij knikt bevestigend. Hij steekt zijn hand naar me uit. “Kom, Isabeau, we hebben een lange weg te gaan.”
Ik voel de zon op mijn gezicht, ik zie de vlinders verdwijnen in de verte. Ik wrijf zachtjes over mijn buik en weet dat mijn nieuwe leven is begonnen.

cace92ca4c4014f8e4f093c95a4e44fe_1402597

Nawoord

Dit verhaal speelt zich af in fictieve Middeleeuwen, waarin al het Middeleeuws bijgeloof waar is. Er zijn daar inderdaad heksen en demonen. Onze wereld, maar toch niet helemaal. Ik schreef al meerdere verhalen in dit "universum". Wil je het lezen? Dat mag, graag zelfs! Hou er wel rekening mee dat de Bastaard van Byzantium niet geschikt is voor tere zieltjes. Het is wel het verhaal dat hier chronologisch aan vooraf gaat.
Een andere verhaallijn schreef ik ook als strafwerkopdracht. De oorsprong van de "Voelers", met de titel Schimmige liefde
Het bovenstaande verhaal is slechts een uittreksel van wat het moet worden. Als los verhaal voldoet het niet, ik vind het te kort, het mist beschrijvingen en er mag wat meer drama en opbouw in. Maar ik wilde het niet te lang maken.

23/04/2018 19:19

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert