Gruwelijke rit naar het zuiden 35.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 34: http://tallsay.com/page/4294995886/gruwelijke-rit-naar-het-zuiden-34

             cba7232390ec273180fedc14b5a4b217_medium.

 

Gruwelijke rit naar het zuiden 35

Deel 35

Intussen in Nederland.

Antal zat wat nerveus, onderuitgezakt, in een grote leren fauteuil in de woonkamer van zijn Haarlemse appartement naar een filmpje op de televisie te kijken.

   Hij oogde nerveus.

   Elke minuut ging zijn blik even van het televisiescherm naar de grote staande klok en weer terug. ‘Waarom bellen ze nu verdomme niet meer,’ waren zijn al enkele malen geuite woorden. Woorden welke het gevolg waren van zijn aanzwellende gramschap. Want uiteindelijk hadden ze met elkaar afgesproken om steeds met een tussenpose van twee uur even te bellen en de positie alsmede de actuele stand van zaken door te geven. Er is iets gebeurd dacht hij. ‘Ik voel het verdomme. Ik voel het gewoon in mijn lijf,’ mopperde hij  terwijl hij uit de fauteuil oprees en naar de keuken liep om wat melk te op te warmen. Niet dat hij een melkdrinker was, doch warme melk hielp bij hem over het algemeen redelijk goed om zijn maagzuur wat te verzachten en dat knagende rot gevoel in zijn maag te laten afnemen.  Dat gevoel was zondermeer het gevolg van de steeds sterker wordende nervositeit die zijn lijf thans leekte beheersen en ook steeds  meer bezit van zijn maag leek te gaan nemen. Toen hij het glas melk op had en constateerde dat het inmiddels zeven uur in de ochtend was, belde hij uiteindelijk Janos op.

  ‘Heb jij al weer eens contact gehad met Igor en Daiço,’ was de vraag die hij zonder verdere introductie gelijk aan Janos stelde.

  ‘Nee. Nog niet. Ik hoopte eigenlijk dat jij me wat positief nieuws zou kunnen geven.’

  ‘Verdomme…, er is vast onderweg iets gebeurd in dat kankerland. Het is met voor Igor niets om zijn afspraken te vergeten.’

  ‘Precies. Dat speelt bij mij ook door mijn gedachten. Alleen vraag ik me af wat er dan kan zijn gebeurd dat zo heftig van omvang is dat ze ook niet eens even de telefoon kunnen vatten.’

  ‘Ja daar heb je gelijk in. Maar weet jij nog wel waar ze zich bevonden toen jij ze voor de laatste maal aan de telefoon had?’

  ‘Ja. Dat weet ik precies. Ik heb het met een groene  markeerstift op de kaart aangegeven. Ik zal even naar het grote bord lopen waar de kaart hangt om precies te zien waar dat was.’

   Toen Janos zich even later weer meldde, verzekerde hij Antal dat het laatste telefoontje dat hij van de twee volgers had ontvangen vanuit de omgeving van de stad Beaune afkomstig was…

 ‘Waar ik aan zat te denken, Janos. Hebben die Corso’s zich overigens nog niet gemeld. Want dat bevreemd me eigenlijk net zo. Uiteindelijk hangt die eikel van een Antonio gelijk aan de telefoon als we ook maar en half uur te laat zijn met afleveren. Terwijl dat nu onderwijl zowat een halve dag is. En dat geeft bij mij ook een naar gevoel in de maagstreek.’

   Janos gaf niet direct antwoord, maar dacht kennelijk even over de woorden van zijn partner na.

  ‘Ja daar heb je een punt mee. Met die opmerking bedoel ik. Ik heb daar de afgelopen uren ook voorzichtig aan gedacht. Maar vooralsnog ga ik er nog steeds vanuit dat die Antonio een vent is die zich aan zijn afspraken houdt. Alhoewel ik geen enkele grond heb om mijn mening te kunnen staven. Ik ga wat dat betreft slechts op mijn gevoel en ervaring af.’

  ‘Ik hoop dat je gelijk hebt, Janos. Maar ergens in mijn lijf broeit een steeds groter wordend wantrouwen jegens die Corsokliek in Lyon. Ik durf het nog amper te zeggen doch:  Zou het soms kunnen zijn dat Antonio zijn eed heeft gebroken en zich zonder te betalen van de handel meester heeft gemaakt?’

   Nu duurde het ruim een minuut voordat Janos antwoord gaf. ‘Het is nogal wat dat jij mij nu ter overweging geeft. Jij suggereert nu kennelijk dat er sprake zou kunnen zijn van een  ripdeal.’

  ‘Inderdaad.’

  ‘Het zou natuurlijk kunnen dat hij zo onverstandig is geweest om onze handel in te pikken zonder daarvoor te betalen. Hij is er inderdaad toe instaat. Maar ik ga daar voorlopig nog maar niet vanuit. Onze vorige leveringen zijn immers ook vlekkeloos verlopen.’

  ‘Ja dat wel. Maar ik vertrouw de zaak niet.’

  ‘Wat denk jij er trouwens van, als ik Antonio eens opbel. En hem vraag of de lading goed is aangekomen. En hem vervolgens vraag of ik even een van onze mannen aan de telefoon kan krijgen. Want misschien zijn Igor en Daiço nog niet bij hem vertrokken ook al hebben ze de aflevering al achter de rug. Ben eigenlijk wel benieuwd hoe hij op mijn verzoek zou reageren.’

  ‘Lijkt me een nogal naïeve actie, Janos. Met zo’n vraag laat je je eigen gelijk van je zwakste kant zien. Laten we nog maar even afwachten of er toch zo direct een melding van onze mannen komt. En zo niet: Dan overleggen we straks wel even met elkaar wat voor eventuele actie die we dan zullen gaan ondernemen.’

  ‘Ja dat is prima. Doch waar ik ook aan zit te denken. Zou het kunnen zijn dat die Corso’s een andere, in hun ogen betere, leverancier hebben gevonden. En dat ze in dat kader hebben besloten onze handel in te pikken, wetende dat ze toch bevoorrading zullen krijgen vanuit een andere bron.’ 

   Deze woorden waren voor Antal reden om even na te denken.

  ‘Daar sla je misschien zomaar de spijker op de kop, Janos. Al moet ik er nog maar niet aan denken dat jou woorden waarheid zouden kunnen worden. Nogmaals; laten we nog maar even afwachten hoe de situatie zich gaat ontwikkelen. Dan is er tijd om de koppen bij elkaar te steken en over een passende tegenactie na te denken.’       

     

Ongeveer twintig minuten na hun telefoongesprek belde een woedende Antonio Antal op zijn mobieltje,  met de vraag waar dat transport bleef. Ze hadden uiteindelijk allang op de ontmoetingsplaats moeten arriveren.

  ‘Hoe bedoel je dat eigenlijk,’ vroeg Antal op gepikeerde toon. ‘Daarbij heb ik begrepen dat het transport nog steeds onderweg is. Of mis ik nu iets.’

   Antonio sputterde nog wat tegen en mopperde dat hij ook verplichtingen jegens zijn klanten had, maar de overtuiging in zijn woorden ontbrak. En dat viel de scherpzinnige Antal dan ook op. Hij liet de Fransman uittieren, gaf slecht kort even wat tegengas en sloot toen het gesprek af met de woorden, dat ze de komende week maar weer eens met elkaar om de tafel moesten gaan zitten, om deze wijze van transport te evalueren. Vervolgens belde hij meteen na dit telefoongesprek Janos op. Maar helaas. Janos nam niet op. Daarop sprak hij de voicemail van zijn partner in met de vraag hem even rap terug te bellen.

    Antal leunde vervolgens achterover met zijn handen onder zijn hoofd. Zijn ogen waren gesloten terwijl hij zijn gedachten probeerde te ordenen. ‘Wat een gore klootzakken zijn die Antonio en zijn kornuiten,’ mompelde hij vervolgens terwijl hij zijn ogen weer opende. Het was hem inmiddels volkomen duidelijk wat zich onderweg in Frankrijk had afgespeeld. Die Corso’s hadden vermoedelijk een hinderlaag gelegd en zich vervolgens waarschijnlijk gewapenderhand  meester gemaakt van de handel. Dat was het beeld wat hij voor ogen kreeg toen hij even in die stoel zat na te denken. Het was ook allemaal te gemakkelijk gegaan met de afgelopen transporten. Eigenlijk was het mede hun eigen schuld dacht hij vervolgens.  Het was gewoon stom op vertrouwen af te gaan in deze handel. En twee man op pad sturen met zo’n kostbare lading kon gewoon niet meer. En daar kwam bij dat de  afleverplaats veel te ver van hun eigen domein was afgelegen.

   Antal trok zijn jack en schoenen aan en stapte de deur uit. Hij liep naar de parkeergarage waar zijn auto stond en reed even later weg, richting het zuiden. Janos zou hij zo direct nog wel vanuit de auto bellen om een actieplan te bespreken.  

 

Intussen waren de twee mannen die het transport moesten begeleiden na urenlange ondervraging  door de gendarmes weer vrijgelaten. Een grondig onderzoek van de Nederlandse politie en de Franse gendarmerie had weliswaar aangetoond dat ze beiden al eens met politie in aanraking waren geweest, doch dat ze niet als echte zware criminelen bekend stonden. Derhalve kregen ze van een gendarmes een lift naar een plaatselijk filiaal van een bekende Franse bank, om te trachtten door middel van het aantonen van hun paspoort en het tonen van een bewijs van diefstal, dat was afgegeven door de gendarmerie, wat geld op te nemen.

   Nadat dit was gelukt kregen ze de tip van de vriendelijke en behulpzame loketbediende op de bank, om een paar straten verder een garage te bezoeken, teneinde te trachtten een auto te huren.

  ‘Zal u vast wel lukken heren,’ zei de jongedame op de bank tegen hen. ‘Want dit papier dat u van de gendarmerie hebt meegekregen om uw gerezen noodsituatie te bewijzen, opent in  Frankrijk vrijwel alle deuren. Men zal u vast wel een auto willen verhuren om naar uw bestemming in het land te reizen.’

   De jongedame legde hun eveneens uit waar de winkel van France telecom zich bevond zodat ze een vervangend mobieltje konden aanschaffen.

   Toen ze in de bejaarde donkerblauwe Citroën Berlingo stapten, de enige auto die de betreffende garagehouder op dat moment in de verhuur had, en ze een tweetal mobieltjes met een telefoonkaart hadden aangeschaft, voelden de twee mannen zich alweer wat beter in hun vel zitten.

   Ze reden vervolgens naar een parkeerplaats in het centrum van de stad waarna Igor na enig nadenken over het vereiste telefoonnummer dat hij moest bellen, vervolgens zijn mobieltje pakte en Janos in Nederland opbelde.

   De telefoon op de jachtwerf werd al na drie tellen opgenomen door de receptionist die met een draagbare telefoon in de verkoophal liep.

  ‘Geef mij snel even een van de twee directeuren, vroeg Igor in het Servo-Kroatisch aan de man die hij aan de lijn kreeg. Maakt niet uit welke van de twee. Maar schiet wel op want ik bel vanuit Frankrijk met een toestel met zo’n kaart erin.’

   Enkele seconden later kwam een verontrustte Janos aan het woord. ‘Waar zitten jullie, verdomme,’ snauwde hij meteen, nog voordat zijn neef Igor een woord had uit kunnen brengen. ‘Antal en ik zitten al zowat vierentwintig uur op een bericht van jullie te wachten.’

   Maar verder kwam hij niet met zijn verwensingen.

   Igor sneed hem onmiddellijk, figuurlijk, telefonisch de pas af  ‘Hou eens even op met dat geschreeuw en getier, oom Janos. Er heeft zich hier in Frankrijk een klote situatie voorgedaan. We zijn een uur geleden uit de gendarmeriekazerne in Beaune losgelaten. Daar zijn we heengebracht omdat we het slachtoffer zijn geworden van een gewapende overval. We zijn ook beiden enigszins gewond geraakt, doch de details vertellen we later wel. Maar ik wil je wel zeggen dat het transport helaas uit onze handen is geglipt. We zijn net voorbij de stad Beaune in een hinderlaag gereden. Er is geschoten terwijl onze auto is flink beschadigd. Zelf zijn wij een vrij lange tijd buiten westen zijn geweest. Het was een hinderlaag waarin we geen enkele kans kregen om ons goed te verdedigen. Er zijn geweren gebruikt om onze banden door te schieten. Zelfs de motor is door een geweerkogel beschadigd. De beschadigde auto staat nu op het terrein van de gendarmerie in de stad Beaune.’

   Het was even stil na deze woorden.

   Igor hoorde dat zijn oom een paar keer flink moest slikken. Vermoedelijk van woede en opwinding. Maar plotseling nam Janos weer het woord.

  ‘Waar zijn jullie nu ergens?’

  ‘We staan op een parking tegenover een heel groot voormalig ziekenhuis in het centrum van de stad Beaune. We hebben wat geld op kunnen nemen en een oude bestelauto gehuurd.’

  ‘Juist. Wat ik me gelijk afvraag is dit. Hebben jullie nog wel genoeg geld om het een en ander te kunnen aanschaffen?’

  ‘Jawel. dat hebben we zojuist als eerste geregeld op de plaatselijke bank. Al moet ik zeggen dat onze portemonnees en bankpasjes zijn gestolen. Die pasjes moet je even proberen te blokkeren. Dat lukt ons wat moeilijk vanuit Frankrijk. Vermoedelijk is een en ander gejat door die overvallers. Net als onze wapens trouwens.

  ‘Goed. Dat laatste is in jullie geval thans alleen maar een gelukkige bijkomstigheid geweest. Want anders had de politie die wapens gevonden en hadden jullie nu onderdak in een politiecel gekregen denk ik.’

  ‘Ja, dat ik natuurlijk ook waar. Daar had ik nog niet eens bij stilgestaan.’

  ‘Kan ik me voorstellen. Jullie hebben uiteindelijk  nogal wat meegemaakt… Maar luister nu goed Igor: Rijdt met de auto naar een hotel en boek twee kamers. Bel me dan gelijk terug als dit is gelukt en vertel me waar jullie precies uithangen. En geef het telefoonnummer van het hotel aan me door. Binnen drie uur na je belletje staan er hier in Nederland hulptroepen gereed om jullie daar in Frankrijk te gaan assisteren. Wie er komen helpen, alsmede hoe ze naar jullie toekomen, hoor je straks nog wel van mij. Maar je kunt natuurlijk wel begrijpen dat ik even wat moet regelen binnen onze organisatie. Blijf ondertussen waar jullie nu zijn en zorg er voor dat je een bruikbare telefoon bij de hand houdt.  Ik zal zorgen dat er samen met de hulptroepen, ook voldoende geld meekomt. Bel me niet meer, tenzij dat strikt noodzakelijk is. Als wij jullie nodig hebben dan bellen wij jullie wel op. Het nummer van je huidige telefoon heb ik reeds in het systeem opgeslagen. Geef me alleen ook even het nummer van het huidige mobieltje van Daiço door dan schrijf ik dat even op.’ 

   Nadat het andere telefoonnummer was doorgegeven brak Janos het gesprek af.

  ‘Nou, je hebt het gehoord. We moeten nu eerst een hotel zoeken.’

  ‘Ja dat begreep ik al,’ antwoordde Daiço terwijl hij om zich heen keek om te zien of er rond de parkeerplaats waar ze stonden een hotel te vinden was. Maar dat bleek niet het geval te zijn.

  ‘Ik begreep uit het gesprek dat er hulptroepen uit Nederland komen,’ vroeg Daiço aan zijn maat.

  ‘Ja. Tenminste, dat zei Janos. Alleen vraag ik me af wie hij daarvoor wil strikken.’

  ‘Duçan, denk ik.’

  ‘Dat lijkt mij ook. Of zou Janos misschien wat externe hulp inroepen? Hij heeft uiteindelijk erg goede contacten. Niet alleen in Nederland en Servië, maar ook in Frankrijk en Italië.’

  ‘Nou. Ik heb geen idee. Laten we het maar gewoon even afwachten. Overigens zie ik hier nergens een hotel om ons heen.’

  ‘O maar er zijn hier hotels genoeg. Neem dat maar van mij aan. We vragen wel even aan een van die plaatselijke inboorlingen waar we een hotel kunnen vinden,’ opperde Igor. ‘Dit is uiteindelijk een toeristenplaatsje. Het moet toch wel heel gek zijn als we hier niet heel rap een slaapplaats kunnen vinden.’

  ‘Ja dat is waar. Dat lijkt mij ook.’   

   Ze vonden uiteindelijk een hotel aan de rand van de stad. Een wat minder fraai uitziende accommodatie welke kennelijk door toeristen werd genegeerd. Na informatie bleek dat  dit hotel nog twee kamers vrij had. De receptionist keek slechts alleen even verbaasd op omdat ze geen bagage bij zich hadden. Doch na hun uitleg dat het niet bij zich hebben van bagage het gevolg was van een auto ongeluk alsmede het tonen van het papier dat ze op de gendarmerie hadden meegekregen,  maakte de man daar verder geen opmerking over.

   De kamers waren klein, doch proper.

   Nadat ze zich hadden geïnstalleerd en een douche hadden genomen, liepen ze naar het hotelterras om gezeten op het terras, in de zon even met elkaar de afgelopen stressvolle uren door te nemen. Alsmede om het thuisfront te laten weten waar en in welk hotel ze zich bevonden.  Doch voor beiden stond het inmiddels als een paal bovenwater dat die, in het noodweer van de vorige avond gepleegde overval,  beslist het werk was geweest van die Corso’s aan wie ze de lading hadden moeten overdragen. Daarbij speelde eveneens de vraag door hun hoofden of die transporteur ook het slachtoffer van die bende was geworden. Of dat die man met zijn auto en aangekoppelde boottrailer aan de bandieten van die Antonio had weten te ontsnappen…

   Er viel zo en zo heel veel te bespreken als de hulptroepen in de loop van de volgende dag zouden arriveren. Maar een ding stond voor de twee Servische zwaargewichten vast. Ze zouden dit beslist niet zomaar als een domme pech afdoen. Daarvoor was het bedrag van de gestolen handel veel te hoog. Die smerige roofzuchtige Corso’s, die in hun eigen gedachten weldegelijk als daders van deze aanslag moesten worden gezien, waren met hen voorlopig nog niet klaar. Sterker nog: Ze zouden er nog wel achter komen hoe ver de hand van hun kleine criminele cel reikte…         

Vervolg kunt u lezen in:http://tallsay.com/page/4294995983/gruwelijke-rit-naar-het-zuiden-36

© Leonardo

12/03/2018 00:29
Wil jij ook artikelen publiceren op Tallsay.com?

Tallsay is een leuke en makkelijke manier om verhalen, artikelen en recepten te publiceren. Publiceer vandaag nog jouw eerste artikel!

Aanmelden Over ons

Reacties (2) 

1
12/03/2018 11:52
Akkoord met Zevenblad; 'het blijft spannend!'
1
12/03/2018 10:27
Ja, ook bij criminelen kan het noodlot toeslaan. Goed zo.
Het blijft spannend.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert