Gruwelijke rit naar het zuiden 34.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 33:  http://tallsay.com/page/4294995858/gruwelijke-rit-naar-het-zuiden-33

       cba7232390ec273180fedc14b5a4b217_medium.

 

Gruwelijk rit naar het zuiden 34   

 

Deel 34

Intussen in Centraal Frankrijk.

Intussen waren de twee Servische drugsdealers een goed uur na de overval weer een beetje bij kennis. Het regende nog steeds in onverminderde kracht door. Het was nog schemerdonker buiten. De man die op de bestuurderstoel zat bewoog wat onrustig. Het regenwater sloeg inmiddels met kracht op het dak van de auto wat een flink kabaal binnen in de auto maakte. Beide mannen hadden verwondingen aan het hoofd opgelopen en kenden gruwelijke hoofdpijn als gevolg van de klappen met die houten knuppels die ze hadden moeten incasseren. Versuft hingen ze als het ware enige tijd in de auto zonder iets tegen elkaar te willen of zelfs te kunnen zeggen.

   Af en toe kwam er een voertuig langsrijden.

   Meestal was dat een vrachtwagen.

   Maar geen enkele chauffeur schonk aandacht aan de zwarte Audi met de Nederlandse kentekenplaten die op zo’n vreemde wijze, met de neus van de auto naar beneden,  in de naar beneden aflopende wegberm was geparkeerd. Ze werden meer dan anderhalf uur na de overval pas opgemerkt door een toevallige passerende boer met een tractor. De man zette zijn tractor aan de andere kant van de weg neer en liep in de stromende regen naar de auto toe. Toen hij zag dat er inzittenden in de auto aanwezig waren die versuft in de stoelen hingen, waarbij hij tevens constateerde dat er tenminste een persoon duidelijke verwondingen had, liep hij rap naar de tractor terug. De man stapte zijn cabine in en belde de Gendarmerie en de Secours op.

   De gendarmes waren met een klein kwartier aanwezig te samen met een ziekenauto van de Secours. De twee mannen werden door een arts gecontroleerd. Vervolgens werden de twee volledig versufte personen voorzichtig uit de auto getrokken en meegenomen naar de ziekenauto.   Hun paspoorten en rijbewijzen werden bekeken, terwijl een gendarme hun overige kleding onderzocht. Het viel de gendarme op dat er totaal geen betaalmiddelen zoals geld, credit cart of bankpasjes werden gevonden.

  ‘Hoe is het mogelijk dat men hier heen komt zonder een cent op zak,’ was de eerste opmerking van de gendarme tegen de verpleegkundige, die hem even bijstond bij het leegmaken van de zakken van de pantalon van een der mannen die reeds in de ambulance lag.

  ‘Misschien toch niet alleen een ongeluk tijdens dat ongelooflijke rot weer, doch misschien is er ook sprake geweest van een beroving.’

  ‘Ja, wie zal het zeggen.’

  ‘Maar het blijft wel vreemd vind je ook niet?’

  Absoluut. Maar dat mogen de collegae straks uitzoeken als die mannen wat meer bij kennis zijn.’

  ‘Nou, vooruit. Ik ga de deuren sluiten zodat we naar het hospitaal kunnen rijden. Want die ene man heeft een flinke hoofdwond. Daar moet eerst eens even door onze polyarts naar worden gekeken.’

  ‘Brengen jullie hen naar Dijon?’

  ‘Ja.’

  ‘Dan rijden wij daar straks ook heen om een praatje met die heren te maken als ze weer aanspreekbaar zijn.

  ‘Prima.’

  ‘Ja, maar we arriveren pas nadat we hier ter plekke eerst ons onderzoek hebben afgesloten en die auto hebben laten wegslepen. Want die ligt op een gevaarlijke berm. Maar een tweetal collegae staan straks bij het hospitaal gereed om deze mannen op te vangen. Want de adjudant wil vast en zeker nog even met ze praten alvorens ze weer verdwijnen.’

  ‘Ja dat lijkt mij ook. Maar goed, dat is jullie probleem. Wij rijden nu weg. We zien jullie collegae straks wel op de eerste hulp poly…’

   Terwijl de ziekenauto naar Dijon reed  overlegde een andere gendarme, gewapend met een fototoestel, even met hun chef die inmiddels de gemaakte foto’s die van de auto waren gemaakt in een voertuig van de gendarmerie bekeek.

  ‘Ze zijn goed gelukt ondanks dat regenachtige rotweer,’ vond de chef. ‘Heb je ook een opname gemaakt van die patroonhuls die daar in het gras lag?’

  ‘Jazeker inspecteur. Hier, bekijkt u deze foto maar eens. Die huls staat er duidelijk op. Daar komt bij dat de rechtervoorband totaal aan flarden is. Zo iets is naar mijn mening wel heel opmerkelijk en het werpt gelijk een ander licht op de schuiver die deze twee mannen hebben gemaakt. Maar goed: Ik zal er verder nog geen veronderstellingen aan verbinden.’

  ‘Ja dat geeft inderdaad te denken. Net als die vondst van die patroonhuls. Ik denk dat we straks maar eens goed met die heren moeten praten want dit lijkt niet direct op een ongeluk als gevolg van gladheid of een stuurfout op een natte weg.’

  ‘Precies inspecteur. Dit zou wel eens een karwij kunnen worden voor onze recherche afdeling als je het mij vraagt.’     

 

Nadat een drie kwartier later de twee slachtoffers van de overval in het ziekenhuis van Dijon waren nagekeken door een vriendelijke vrouwelijke poly arts die met een tweetal krammen de hoofdwond van de ene man dicht maakte, waren ze zo ver in orde dat ze eventueel, medisch gezien, weer konden vertrekken. Maar zover kwam het niet. De gendarme die al de tijd dat de arts met de man met de hoofdwond bezig was geweest daarbij aanwezig was, kreeg plotseling een melding om zijn portofoon.

  ‘Ben jij nog bij die twee in het ziekenhuis, Richard,’ vroeg zijn meerdere in het apparaat.

  ‘Ja, inspecteur.’

  ‘Blijf dan bij hen en verlies ze niet uit het oog. Ik ben met een vijftien minuten bij je.’

  ‘Is er iets bijzonders gebeurd?’

  ‘Ja. We hebben iets ontdekt dat enige uitleg van de heren verdient. Tot zo direct.’

   Richard, de gendarme die werd aangesproken, fronste zijn wenkbrauwen en haakte gelijktijdig de portofoon aan zijn gordel. Opvallend hoe opgewonden de nspecteur door de telefoon deed. Wat zou de oorzaak zijn van de opwinding van zijn chef vroeg hij zich af terwijl hij een der mannen bij de arm nam en hem naar een klein kantoortje aan het eind van een gang begeleidde. De man was nog wat versuft maar wel goed aanspreekbaar. Richard bekeek de persoon die hij naar een stoel verwees vervolgens eens goed. Een gewone vent was zijn eerste indruk. Wel een flink postuur. En harde jongen zo te zien, dacht hij. Beetje ongure kop. Vast geen keurig kantoormannetje schoot het vervolgens gelijk door hem heen. De vent straalde iets uit wat hij als politieman met jarenlange ervaring goed kende. Misschien zelfs wel iemand uit het milieu schoot het vervolgens door zijn gedachten. Want uiteindelijk was de chef niet voor niets zo opgewonden, al vroeg hij zich wel af wat men zou kunnen hebben gevonden dat kennelijk zo belangrijk was dat het de inspecteur in zo een opgewonden staat had kunnen brengen.

   Toen even later ook de tweede man, met zijn hoofd in het verband, in het kamertje was gearriveerd en ze beiden een bekertje koffie hadden gekregen, arriveerde inspecteur Durfort met twee andere gendarmes. De chef stelde zich voor en begon een voorzichtige ondervraging waarbij een andere gendarme alles opnam.

  ‘Spreekt u eigenlijk Frans heren,’ begon inspecteur Durfort terwijl hij zich sterk bewust was van het feit dat hij zelf geen enkele andere Europese taal, dan alleen het Frans machtig was. Doch hij had geluk. De twee mannen uit die gecrashte auto bleken de Franse taal redelijk machtig te zijn.

  ‘Goed heren,’ begon hij vervolgens zijn gesprek, terwijl zijn gelaatsuitdrukking niets te raden overliet. ‘U bent beiden nog redelijk goed van die vreemde crash afgekomen. Dat had, gezien de wegomstandigheden ter plekke, ook anders kunnen aflopen. Maar u heeft erg veel geluk gehad.  De auto is tijdens het wegglijden op het gras naast het wegdek gelukkig door enkele kleinere dennenboompjes opgevangen voordat het voertuig door kon schieten en vervolgens op het twee meter lager gelegen akkerland kon neervallen.’

   Slechts een even met de ogen knipperen gaf aan dat deze boodschap bij de twee Serviërs duidelijk was overgekomen.

   ‘De artsen in dit hospitaal hebben u reeds behandeld zie ik,’ vervolgde inspecteur Durfort zijn uitleg. ‘En u bent beiden weer enigszins aanspreekbaar heb ik begrepen.’

   Ook op deze opmerking reageerden de twee mannen niet echt zichtbaar. Ze keken elkaar slechts heel even zijdelings aan maar hielden verder de mond, terwijl de inspecteur hen scherp aankeek.

  ‘Goed heren. Om een lang verhaal kort te maken. Het gaat ons om het volgende. Tijdens ons onderzoek ter plekke hebben wij enkele verdachte zaken aangetroffen die wij graag met u willen bespreken. Daar is echter het hospitaal niet de juiste plaats voor. Vandaar dat wij dit gesprek met elkaar zullen voortzetten op onze kazerne in Beaune. Uw auto zal daar, na afronding van het onderzoek ter plaatse, ook naartoe worden gebracht voor nader specialistisch onderzoek door de technici van onze technische afdeling.’

   De twee slachtoffers van de crash keken elkaar na het aanhoren van die woorden niet aan doch knikten beiden slechts gelaten. Uiteindelijk hadden ze deze gang van zaken allang zien aankomen. Maar aan de andere kant bekeken, konden ze zich niet voorstellen dat er belastende zaken in de auto zouden zijn gevonden. Met andere woorden: De gendarmes zouden in de auto niets vinden dat tegen hen kon worden gebruikt. Vandaar dat ze er in gedachten vanuit gingen dat ze straks wel weer met een goede anderhalf uur op straat zouden staan.

   Geen van beiden had dan ook maar het geringste vermoeden waar het nu eigenlijk om draaide. Noch hadden ze enig vermoeden over de vragen die hen gesteld zouden gaan worden. Toen ze even later met de gendarmerieauto bij de kazerne waren aangekomen had geen van hen ook maar enig benul van het feit dat men misschien bij de auto iets zou kunnen hebben gevonden dat aanleiding voor een gesprek zou zijn.

   Aangekomen op de gendarmeriekazerne werden ze een kamertje in geleid waarna hen koffie werd aangeboden. De gendarme die de koffie bracht bleef in de ruimte bij de deur staan, hetgeen er op duidde dat ze niet uit hun eigen konden vertrekken.

   Inspecteur Durfort kwam even later met een map met papieren, hun paspoorten en rijbewijzen in de hand binnen. Hij ging tegenover hen aan de tafel zitten en gaf hen hun identiteitsbewijzen en rijbewijzen terug. Vervolgens bladerde hij even door de paparassen die in de map lagen.

   Wat de twee mannen niet wisten was dat er intussen enkele foto’s van henzelf en van hun paspoorten en rijbewijzen waren gemaakt. Vervolgens had Durfort opdracht gegeven om de foto’s per email naar Interpol-France en naar het hoofdbureau van de Amsterdamse politie te verzenden met de vraag of deze twee mannen bij een van deze politieorganisaties bekend waren. Uit Amsterdam was een opmerkelijk bericht terug gekomen. Dat bericht luidde:  Beide personen zijn bekenden van justitie. Mannen hebben een drugsverleden. Allebei staan ze geregistreerd als drugshandelaren.  De man met de voornaam Igor heeft ook een strafblad voor geweldsdelicten. Andere persoon niet. Er zijn geen recentelijke strafbare feiten op te noemen waarvoor ze gezocht worden.  

   Inspecteur Durfort zat even over de tekst op het faxpapier gebogen.

   De twee Serviërs hadden rustig en beleefd gereageerd op het terug ontvangen van hun papieren. Een andere houding zou overigens ook gelijk verdacht zijn moeten ze vermoedelijk hebben gedacht bij het in ontvangst nemen van de papieren. Ook al kon hen, in hun beleving, uiteindelijk niets worden verweten dachten ze waarschijnlijk nog steeds. Ze waren toch uiteindelijk slechts slachtoffers van een overval nietwaar… Daar kwam bij, dat hun wapens kennelijk door de overvallers waren meegenomen. Dat hadden ze reeds geconstateerd toen ze uit hun onvrijwillige slaap in de auto wakker waren geworden. Eigenlijk een geluk bij een ongeluk zou je nu kunnen zeggen.  Het was trouwens het eerste geweest waar ze naar hadden gezocht voordat die boer hen vond. Datzelfde was vermoedelijk gebeurd met hun geld en met de kleine ontvanger die onder het dasboard was aangebracht. Ook dat waren ze kwijt. En dat laatste was wel heel merkwaardig. Want wie wil er nu bij een eventuele roofoverval, zo’n transponder of ontvanger stelen…

    Igor, de man met de hoofdwond, wreef even voorzichtig over zijn voorhoofd. Er zat een flinke bult net boven zijn oog. Dat was niet het gevolg van de houten knuppel die de overvaller  welke zijn portier openrukte had gehanteerd, doch vermoedelijk als gevolg van de aanraking van zijn hoofd met het stuur toen de auto voorover dook...

    Gelijktijdig gingen zijn gedachten als vanzelf naar de stad Lyon. Naar een straat in de binnenstad. Een straat met veel nachtclubs en bars. De stad waar hun afnemer, Antonio zijn bedrijf had. En tevens de stad waar ze uiteindelijk de handel hadden moeten overslaan en waar de betaling had moeten plaatsvinden...

  ‘Vuile stink Corso’s,’ mompelde hij heel zacht in het Servo-Kroatisch.

    De Franse aanwezigen keken hem slechts aan, maar zwegen. Alleen zijn neef Daiço knikte even heel onopvallend.

   Toen na een goede drie kwartier praten in die kleine ruimte op die gendarmeriekazerne hun gedachten weer wat meer helder werden, kwamen ze er ook langzaam maar zeker achter dat die overval toch inderdaad wel heel erg duidelijk gepland was geweest.

   Er was vermoedelijk geschoten had die inspecteur gezegd. Alleen was het vreemd dat ze er werkelijk geen van beiden iets van konden herinneren.

  ‘Het was heel erg slecht weer,’ vertelde Igor. We reden niet al te snel. Vooral ook omdat de weg daar wat afloopt. En het was glad, met al dat water op de weg. Maar opeens was ik de macht over het stuur kwijt en schoten we links van de weg af. Ik sloeg vermoedelijk met mijn hoofd tegen het stuur toen de auto voorover dook. Maar verder weet ik me echt niets te herinneren.’

   Ook zijn maat Daiço had een gelijkluidend verhaal afgestoken. Het gaf dan ook voor de ondervragers geen duidelijkheid ten aanzien van de gevonden patroonhuls. Temeer daar er zowel op de inzittenden van de auto, als in de auto zelf, geen vuurwapens waren aangetroffen.

   Daiço zat tijdens de ondervraging van zijn neef Igor in een andere ruimte zich suf te denken met betrekking tot die overval. Het konden alleen die Corso’s zijn geweest dacht hij. Mede ook omdat ook die kleine ontvanger uit de auto was meegenomen. Want wie had nou kunnen weten dat zo’n apparaatje in de auto aanwezig was. Daardoor schoten zijn gedachten, wat de daders betreft, opnieuw  voorzichtig richting hun Franse afnemer. Want uiteindelijk was er maar een partij in dit sinistere spel die wist dat ze eraan zouden komen en die belang had bij die ontvanger. En toeval was in hun branche, zeker met betrekking tot dit soort ongevallen, volledig uitgesloten.

Vervolg kunt u lezen in: http://tallsay.com/page/4294995922/gruwelijke-rit-naar-het-zuiden-35

© Leonardo

 

09/03/2018 00:34
Wil jij ook artikelen publiceren op Tallsay.com?

Tallsay is een leuke en makkelijke manier om verhalen, artikelen en recepten te publiceren. Publiceer vandaag nog jouw eerste artikel!

Aanmelden Over ons

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert