Gruwelijke rit naar het zuiden 23.

Door Leonardo gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Vervolg op deel 22: http://tallsay.com/page/4294995015/gruwelijk-rit-naar-het-zuiden-22

             cba7232390ec273180fedc14b5a4b217_medium.

 

 

Gruwelijke rit naar het zuiden 23

 

Deel  23

Een moeilijk gesprek.

De mannen op de jachtwerf in Nederland waren nog niet op de hoogte van het drama wat zich inmiddels in Frankrijk had afgespeeld. Antal was nog niet op het bedrijf.  Hij was nog thuis in Haarlem. Doch hij zat die ochtend wel met enige spanning in zijn lijf te wachten op een belletje van de twee mannen die het transport begeleidden en die tevens voor de aflevering van de handel en de ontvangst van het geld moesten zorgdragen. Doch echt verontrustend vond het nog niet dat zijn mannen nog geen contact hadden opgenomen. Het was uiteindelijk nog vroeg in de ochtend, dus ze zouden zich zo direct wel melden dacht hij. Inmiddels nam hij een hap van zijn verse pistolet met kaas die hij een kwartier geleden bij een ochtendwinkel in de stad had gekocht. Hij rekte zich even uit en zette de televisie aan. 

  ‘Weer een nieuwe dag,’ geeuwde hij. 

Terwijl Antal thuis op een bericht van de twee volgers van het drugstransport zat te wachten, reed Duçan met zijn fraaie auto over de A2 richting Amsterdam. De handel in Eindhoven liep inmiddels als een zonnetje vond Dućan, terwijl hij zich in zijn BMW over de autoroute A2 noordwaarts spoedde. Veel beter dan in Amsterdam. Daar was de concurrentie aanmerkelijk groter besefte hij. Kwam bij dat zijn belangrijkste afnemer, een nogal vreemde man die in de Amsterdamse criminele wereld ''de schele'' werd genoemd, tien jaar moest opknappen in een gevangenis in het oosten des lands. Met gevolg dat hij naarstig op zoek was naar een nieuw afzetkanaal in de Nederlandse hoofdstad. 'Klote,' zuchtte Dućan. Wat een lul was die schele trouwens geweest. Opgepakt omdat hij het eigenlijk zelf had uitgelokt. Gewoon omdat hij steeds speelde met de grenzen van zijn mogelijkheden om onopgemerkt te blijven voor de politie en justitie. Maar ja, dacht hij. Je kon er uiteindelijk op wachten dat het verkeerd zou aflopen met die vent. Want laten we welwezen. Er is altijd wel iemand - vaak zelfs een persoon waarvan je het niet verwacht, die je er op een gegeven moment erbij lapt. Vooral als men merkt dat je in goede doen raakt met je handel.

Hij reed bij Zaltbommel de A2 af en draaide vervolgens de rivierdijk op. Hij keek even op het dashboardklokje. Die transporteur zou nu wel een aardig eind richting Lyon zijn opgeschoten  vermoedde hij. Waarschijnlijk zouden zijn twee maten de handel inmiddels al hebben overgeslagen en nu met de voorraad richting die nachtclubbaas in Lyon rijden, schoot het door hem heen. Even verscheen er een glimlach op zijn gelaat toen hij aan het lumineuze idee terug dacht om zo’n boottrailer als transportwagen voor cocaïne te gebruiken. En vooral moest hij glimlachen om het idee dat er zulke naïevelingen waren die zich als transporteur lieten misbruiken na aankoop van zo’n boottrailer. Hoe dom kun je zijn dacht hij terwijl hij de rivierdijk afdaalde en het parkeerterrein op reed dat voor de jachtwerf annex caravanbedrijf was gelegen.

   Het was druk op de werf. Druk met rond sjokkende bezoekers zag hij.  Martijn, de jonge nieuwe verkoper van de afdeling caravans, zat met een tweetal mensen in een nieuwe caravan een en ander te noteren op een verkoopformulier.

   ‘Goed zo jochie,’  mompelde Dućan terwijl hij er een blik op wierp tijdens het langslopen alvorens hij zich naar de grote botenhal spoedde. Vermoedelijk weer zo’n dure sleurhut verkocht. Die droge handel liep, na die matige start van zo’n vier jaar geleden, de laatste maanden steeds beter. Vooral in de verkoop van campers zat gedurende het laatste kwartaal een flinke groei had hij aan de verkoopcijfers gezien.

Hij liep even door de botenhal om te kijken waar Antal was, doch toen hij hem niet kon vinden liep hij de stalen wenteltrap op naar het kantoortje van Janos. Daar had hij, net als Janos en Antal, in de naast de kantoorruimte gelegen bergruimte een eigen metalen kledingkast waarin enkele pantalons, sokken, ondergoed, schoenen en een paar shirts hingen.

  ‘Moet je er zo meteen soms nog op uit,’ vroeg Janos Pavlović aan Dućan toen hij even later zijn kantoortje binnen kwam stappen en Dućan aantrof die zich inmiddels stond om te kleden.

  ‘Ja ik heb straks een afspraak met die vent die de handel van de ''De Schele'' heeft overgenomen.

  'O.ja?'

  'Ja echt. Het is ene Frank. Ik ken hem overigens niet. Hij is me door een goede kennis aanbevolen.’

  ‘Nou, dan wens ik je sterkte. Hopelijk is het een vent die niet alleen afneemt maar ook normaal bij aflevering betaald. Want dat was bij die andere vent, die jullie de schele noemen, ik bedoel die eikel met die gekleurde muts op zijn kop, wel altijd het heikele punt.’

  ‘Ja ik weet het. Dat was voor mij ook altijd een ergernis. Maar goed, dat moeten we nu maar even afwachten. En ik zie wel hoe dit gesprek gaat lopen. Ik ben overigens reeds heel tevreden dat ik die vent zo snel kreeg aangeboden.

  ‘Dat is inderdaad waar. Dat heb je snel voor elkaar gekregen.’

  ‘En het is daarbij heel belangrijk dat we nu misschien direct na het verdwijnen van de schele weer een vaste afnemer in Amsterdam krijgen. Want uiteindelijk willen we toch ook meer afzet in ons eigen achterland hebben, of niet soms. Het alleen maar focussen op export is veel te link voor de continuiteit.’

   Janos gaf daarop geen antwoord maar staarde daarentegen door de reeds met regendruppels beslagen ruiten naar de jachthaven. Hij had net Antal aan de telefoon gehad. Na dat korte gesprek maakte hij zich wat zorgen over het uitblijven van telefonisch contact met de mannen in Frankrijk. Daarbij vroeg hij zich voor de zoveelste maal af of ze de steeds verder uitdijende illegale handel op den duur nog wel aan zouden kunnen met hun kleine groepje ingewijden. Maar vooral was hij wat onrustig door het maar uitblijven van een melding vanuit Frankrijk. Antal had hem nu al een paar maal gebeld maar ook die kon opeens geen contact met de mannen meer krijgen. Nou waren ze niet zo snel benauwd, maar nu had hij toch het voorgevoel dat er wel eens iets heel erg mis zou kunnen zijn. Vooral ook omdat de beide mobieltjes van zijn mannen niet aan leken te staan want hij kon geen contact met ze maken…

  ‘Wat is het overigens voor een vent waar je nu naar toe gaat?’

  ‘Het is volgens zeggen een echte pooier. Hij heeft een zestal wijffies op de wallen zitten. Allemaal meiden uit Rusland en de Oekraïne heb ik van horen zeggen. Ja, en verder handelt hij stevig in de verschillende snoepjes. Hij schijnt daarbij een viertal vaste verkopers te hebben.’

  ‘Zo, dat is een man die van aanpakken houdt.’

  ‘Ja inderdaad. Ik zou alles aan hem kwijt kunnen suggereerde hij in het eerste telefoongesprek dat ik met hem heb gehad. Als de prijs maar goed was, voegde hij er aan toe.  Maar misschien is dat wel allemaal grootspraak. Daar kom ik straks wel achter. Maar het is, volgens mensen die hem kennen, wel een smeerlap waar we mee op moeten passen.’

  ‘Hoe bedoel je dat?’

  ‘Het schijnt volgens mijn informatiebronnen een vent te zijn met een heel kort lontje. En een vent die geen fouten accepteert. Een lastige haatdragende vechtersbaas volgens zeggen.’

  ‘Nou en…’

  ‘Dat bedoel ik maar, Janos,’ lachte Dućan die zelf ook niet vies was van een robbertje straat-vechten.

  ‘Zo is dat jongen. Vechten kunnen wij ook als de beste, niet waar Dućan.’

   Janos gaf zijn jongere partner een vriendschappelijke klap op de schouder en liep vervolgens het kantoor uit. Bij de deur van het kantoortje draaide hij zich echter plotseling om. ‘Hier vangen,’ zei hij tegen Dućan terwijl hij een ring met autosleutels naar hem toe wierp. ‘Neem de Berlingo maar. Die valt in de stad minder op dan die opzichtige dure BMW van jou. Maar laat de sleutels van je auto met een kopie van de papieren hier wel achter. Leg ze maar in mijn linker bureaulade. Als we om wat voor reden dan ook een auto nodig hebben dan zijn we niet afhankelijk van een huurauto of taxi.’

  ‘Heel goed Janos. Je hoort, zonder tegenbericht, vanavond of morgenochtend wel hoe het gesprek is verlopen.’      

 

Net als in Frankrijk was ook in Nederland langzaamaan vies weer geworden. Eigenlijk al op die zelfde middag dat Jean met zijn combinatie richting Frankrijk was vertrokken. Een druilerige motregen daalde in die namiddag op de stad neer en bleef tot de volgende dag aanhouden. De wind trok vooral ’s nachts flink aan tot een onverwachte noordwester storm.    Toen Duçan die volgende morgen in Amsterdam aankwam sloegen regendruppels, opgestuwd door de harde windvlagen, als een soort van laaghangende wolk op zijn schouders neer toen hij de straat overstak. Bij de cafédeur bleef hij even staan en keek om zich heen. Het was een rustig straatbeeld wat hij aanschouwde. Daarna opende hij de deur van café het Sluisje - de kroeg van uitbater Bolle Karel - en liep nonchalant naar binnen. Hij schudde zijn natte jeansjack even bij de deur uit en hing het daarna over de rugleuning van de enige nog bruikbare vrije stoel waarover het tafeltje bij het raam beschikte. De andere stoel werd door een gezette dame van onbestendige leeftijd gebruikt om op te staan, teneinde de hoge ramen met een zeemleren lap condensvrij te maken. De in een oma jurk geklede vrouw stapte even later kreunend en steunend van de stoel af, zonder een blik op de nieuw binnengekomen gast te werpen. Waarna ze op haar tot de draad versleten pantoffels met haar emmer en trekkers naar achter de bar weg slofte en in het achterhuis verdween.     

   Dućan keek eens om zich heen en liet vervolgens zijn blik rusten op het biljart dat achter in de rommelige ruimte was opgesteld. Een tweetal mannen was aan het biljarten, terwijl een viertal andere mannen aan een tafeltje bij het biljart het spel met hun opmerkingen begeleidden. Aan twee andere tafeltjes zaten een tweetal mannen die achter een glas bier in het niets voor zich uit zaten te staren.

  ‘Je moet die keu beter in je klauw houden, Sjaak,’ riep een grote man met een litteken boven zijn oog tegen een der andere biljarters. De aangesprokene was een magere man met een tanig gezicht en vettig donker haar wat in een soort knotje op zijn hoofd was gedraaid. 

  ‘Ach…,lul toch niet man. Kijk maar eens naar je eigen biljartspel. Daar is helemaal nog zat op aan te merken,’ was de reactie van de biljarter tegen wie de opmerking was gericht.

   De paar toeschouwers hielden voor een moment de mond om de aan stoot zijnde speler niet uit zijn concentratie te halen. Het was een prima stoot. Een actie die een glimlach op het gelaat van de speler toverde. Er werd even gestopt met verder spelen waarna de mannen ,als op een teken van boven,  allemaal tegelijk hun glaasje jenever oppakten en dat in een teug leegdronken. Die handelingen waren aanleiding voor de slimme gezette kastelein, die hen kennelijk goed in de gaten hield, om rap met de jeneverfles naar hen toe te snellen om nog een keer in te schenken. Een goedkeurend gegrom was zijn bedankje terwijl het spel weer werd hervat. 

   Dućan bestelde een glas wodka met jus d' orange bij de kastelein. Hij had vanaf zijn plek aan het tafeltje vanaf zijn binnenkomst op zijn gemak bij het raam, alles zitten bekijken. Hij was zelf ook een redelijk biljarter, maar daarvoor was hij nu niet in dit café. Rustig nam hij weer een slokje van zijn glas met de mix van spiritualiën en jus d' orange en bleef vervolgens stoïcijns achter zijn tafeltje om zich heen zitten kijken. Aan niets was aan hem te merken waar zijn aandacht specifiek naar uit ging.

   Na zo’n tien minuten om zich heen te hebben gekeken haalde hij een krant uit de binnenzak van zijn nog over de stoelleuning hangende vochtige jeansjasje. Hij vouwde de krant rustig open en liet hem vervolgens opengeslagen, met pagina vijf naar boven, op de tafel liggen. Het was een  Engelse krant. 'The Timesˈ van een dag geleden. Op een foto van de opengeslagen pagina van de krant was een zeeschip met containers zichtbaar. Dućan liet de krant schijnbaar onverschillig open op tafel liggen met de naam van de krant en de paginatekst naar de biljarters gericht. De boodschap was echter ontegenzeggelijk en heel duidelijk bij een der aanwezigen overgekomen. Dućan zag dat er enige blikken tussen de aan de kant op een stoel zittende biljarters werden gewisseld. De gesprekken verstomden even, waarna een grote blonde man, gekleed in een kort zwart leren motorjack met het embleem van een bekende Amsterdamse motorclub op de rug opstond en richting zijn tafeltje slenterde. De blonde man liep even onverschillig langs het tafeltje en wierp een snelle blik op de krant, waarna hij zonder iets te zeggen richting de toiletten liep.

   Dućan wachtte even. Stond toen ook op en verdween eveneens naar de toiletruimte.

   Het was een flinke grote sanitaire ruimte waarin een tweetal wasbakken met spiegels en een tweetal deuren met een mannetje en vrouwtje er op, de eigenlijke toiletruimte aangaven.  De twee toiletdeuren stonden open. De toiletruimtes waren leeg. Dućan trad binnen en schopte de deur van de sanitaire ruimte achter zich dicht. De blonde man stond bij een van de wasbakken zijn handen te wassen. Hij draaide zich niet om maar keek vanuit de spiegel naar de achter hem binnenkomende Duçan.

  ‘Waar bleef je nou man? Je bent verdomme veel te laat!  Ik dacht dat we toch heel duidelijk om half tien hadden afgesproken.’

  ‘Ik weet het, ik weet het. Excuses voor mijn te laat zijn. Jij bent Frank naar ik aanneem?’

  ‘Hoe kun je het zo raden’

  ‘Heb je trouwens een paspoort of rijbewijs bij je.’

   Dat had Frank, waarna ze elkaars paspoorten uitwisselden en de pasfoto’s bekeken.

  ‘Mijn oprechte excuses, Frank. Het zal absoluut niet meer voorkomen dat ik te laat ben, maar ik had nog eerst wat erg belangrijks te regelen.

  ‘Wat kan er dan nog belangrijker zijn dan een afspraak met mij?’

  ‘Er zijn wat moeilijkheden geweest met het transport. Ik heb een paar noodmaatregelen moeten nemen. Maar alles is gelukkig weer volledig onder controle.’

  ‘Je wil me verdomme toch niet gaan wijsmaken dat jullie het verknald hebben, hè!’ De dreiging in de stem van de blonde man, die dus Frank bleek te heten, ging niet onopgemerkt aan Dućan voorbij.

  ‘O Nee hoor, Frank. Absoluut niet!  De afgesproken levering gaat morgenavond gewoon door. Gewoon op de afgesproken plaats en de afgesproken tijd. Ik ga er wel van uit dat de noodzakelijke afgesproken financiën door jou dan ook worden geregeld.’

  ‘Uiteraard. Met mij kun je in vertrouwen zaken doen,’ zei Frank met een grijns op zijn gezicht.

   Dućan bleef kalm in de spiegel voor hem kijken naar het gezicht van Frank die aan de elektrische droger, achter hem, zijn handen stond te drogen. Hij had al zo vaak met dit soort mannen zaken gedaan en hij was voor de duivel niet bang. Maar die Frank was toch anders Dit was, zoals men hem al had gezegd, wel degelijk een uiterst gevaarlijke knaap. Dat had hij trouwens vanaf het eerste telefooncontact al meteen door. Frank gaf hem toen een kleine order door met de belofte dat zijn afnames snel veel groter zouden worden. Als hij maar wel kon blijven leveren liet Frank hem toen ook al enigszins dreigend via de telefoon weten.

   Maar er was nog iets anders waardoor deze Frank opviel in het Amsterdamse milieu. De man sprak weliswaar goed Nederlands, doch een talenexpert zou aan zijn uitspraak gelijk horen dat ook hij geen Nederlander was. Ook al stond er keurig - de Boer - als achternaam op zijn paspoort gedrukt.  Niets bijzonders natuurlijk. Want net als zovelen die zich in de Nederlandse hoofdstad met drugs bezighielden had hij natuurlijk een vals paspoort. Maar ondanks zijn keurige nieuwe vervalste Nederlandse paspoort had de wieg van Frank ook ergens in het buitenland gestaan, dacht Duçan toen hij voor het eerst met hem sprak. Waarschijnlijk is hij, net als ik, ook afkomstig uit Oost Europa gezien zijn accent. Oorspronkelijk misschien een Rus of een Pool. Maar wel een man die kennelijk al geruime tijd in Nederland is en de Nederlandse taal en zelfs het Amsterdamse dialect, heel erg goed heeft aangeleerd dacht Duçan opnieuw in de toiletruimte van het café.

  ‘Goed, ik zal je geloven. Maar naai me geen oor aan jongen,’ zei Frank opeens. ‘Trouwens… Laten we een ding even duidelijk stellen. Ik ben hier in deze stad jou enige afnemer. Knoop dat even goed in je oren. En laat ik verdomme niet merken dat je achter mijn rug om de concurrentie ook levert, want dan zal het je zwaar berouwen.’ 

   Zijn dreigende opmerking maakte overigens totaal geen indruk op Dućan. Die glimlachte slechts even en vroeg toen op nonchalante toon aan Frank of waar was dat hij nu de handel van ˈDe scheleˈ had overgenomen nu die man op kosten van de belastingbetalers, in een Nederlandse gevangenis verbleef. 

  ‘Ja, dat heb ik jongen. Maar de gehele logistiek blijft gewoon zoals hij was. De wouten hebben daar nog altijd geen vinger achter gekregen.

  ‘Dus eventuele vervolgopdrachten tot levering, komen in het vervolg altijd van jou vandaan. Begrijp ik dat goed?’

  ‘Dat begrijp je heel goed, jongen. Je hebt hier in de stad dus in het vervolg alleen met mij zaken te doen. De schele heeft uiteindelijk tien jaar gekregen. Die is er voorlopig niet meer bij. En als hij ooit vrijkomt zien we wel weer verder hoe we de stad dan kunnen gaan verdelen.’

   Dućan knikte en liep toen gewoon het toilet uit waarna hij weer aan zijn tafeltje ging zitten. Even later liep Frank ook het toilet uit. Hij groette luidruchtig alle aanwezigen in het café, gaf een harde klap op de toog, schreeuwde tegen de kastelein dat die zijn consumpties maar op zijn rekening moest zetten en verliet vervolgens zonder iets af te rekenen, het lokaal. 

Dućan rekende, na een paar minuten te hebben zitten rondkijken, wel zijn vertering af. Hij trok zijn nog klamme jeansjack aan en verliet toen eveneens het café waarna hij te voet door de motregen naar een twee straten verder geparkeerde blauwe Citroën Berlingo bestelauto liep. Toen hij instapte voelde hij zich gelijk een stuk beter dan in het café.

  ‘Ongelooflijk…,wat een gore, arrogante klootzak is die Frank,’ mompelde hij vervolgens in zichzelf.  ‘Gelijk dreigen. En dat, terwijl hij geen enkele reden had, om aan onze samenwerking te gaan twijfelen.’

   Hij startte de motor en draaide de straat in waarna hij richting het westen van de stad reed. Aangekomen in zijn appartement pakte hij de in parkeerstand staande satcom telefoon. Nadat hij zijn code had ingevoerd gaf de aangekoppelde telefoonbeantwoorder hem een tweetal telefoonnummers door die met spoed moesten worden teruggebeld. Hij keek even op zijn dure Rolex horloge. Het was inmiddels half een geworden. Daarna belde hij een van de opgegeven telefoonnummers waarna er na enig geruis werd opgenomen. Maar het was niet de man die hij aan de telefoon dacht te krijgen die opnam. Dit was een Frans sprekende stem die zich met 'hallo, hallo,' meldde.

   Meteen brak hij het gesprek af. Christus, wie was die vent? Wat was er in hemelsnaam verkeerd gegaan gedurende dat transport, schoot het direct door hem heen. Hoe kon een vreemde, die ook nog eens Frans sprak, de telefoon van een van zijn maten opnemen. Hij besloot na een minuut te hebben nagedacht om nog niets tegen de anderen te zeggen. Al schoten er opeens allerlei scenario’s van mogelijk opgelopen narigheid tijdens dat transport door zijn gedachten. Plotseling kwamen ook de beelden van die vorige dag weer als een film in zijn gedachten boven water. Jezus, wat kon er nu toch mis zijn gegaan dacht hij. Want dat er iets mis was gegaan, dat was voor hem inmiddels al wel duidelijk. Het laatste wat hij van de volgers had gehoord was dat die transporteur een grietje had opgepikt op een parking in Luxemburg. Verdere berichten had hij niet van ze vernomen. Hij vroeg zich dan ook af waar het fout zou kunnen zijn gegaan. De afnemer was al tweemaal door hen beleverd maar toch… Zou het misschien toch mogelijk kunnen zijn dat die klote Corsicanen de boel hebben bedonderd, vroeg hij zich af. Terwijl het natuurlijk ook mogelijk was dat de politie op een of andere wijze lucht van dat transport zou kunnen hebben gekregen. Het tolde opeens in zijn hoofd van de spanning.

   Terwijl hij de eventuele ellende in Frankrijk even van zich af  probeerde te zetten liet hij de werkzaamheden van de dag even door zijn gedachten gaan. Daarbij ontkwam ook hij niet aan de steeds weer opnieuw opkomende gedachte, dat hun kleine cel intussen wel was uitgegroeid tot zeven personen. Dat verontrustte hem. Er zijn thans eigenlijk te veel mensen bij onze handel betrokken vond hij. De kans op lekken van informatie is thans te groot schoot het door zijn gedachten. Daar moest hij een dezer dagen toch eens met Jiri en Antal over praten. Want het te veel aan mensen welke bij hun handel betrokken waren, zorgde automatisch ook voor meer risico. Misschien lag daar de reden van de eventuele sof die zich reeds voorzichtig in zijn gedachten aftekende. Een rotgedachte was het die zich in zijn hoofd reeds een steeds duidelijker vorm leek aan te nemen. ‘Verdomme,‘ raasde hij opeens. ‘Laat het niet waar zijn dat we opnieuw voor een driekwart miljoen de boot in gaan.’ Hij liet zich op de canapé neerploffen. Sloot zijn ogen een moment  en probeerde zijn verwarde gedachten te ordenen. Waar is de tijd gebleven dat we dit nog allemaal gewoon met ons drieën konden runnen, vroeg hij zich daarna in gedachten af.

   Opeens melde zijn mobieltje zich met de zevende symfonie van Beethoven. Zijn voorkeursringtone. Hij liep naar de tafel, pakte het apparaat op, keek even op zijn schermpje en zette de telefoon vervolgens aan zijn oor.

  ‘Heb je al gegeten,’ vroeg een lachende vrouwenstem in het Servo-Kroatisch aan hem.

  ‘Nog niet,’ gromde hij. ‘Ik wilde net wat gaan klaarmaken.’

  ‘Maak dan maar snel iets te eten klaar en pak dat dan maar even rap in. Want we komen je zo direct ophalen. We hebben je hulp even heel dringend nodig.’

  ‘Zijn er moeilijkheden?’

  ‘Nee, dat nou ook weer niet. Maar we hebben je nodig om een grote partij meubelen over te slaan die gruwelijk in de weg staan. Een haast klusje. De auto komt je met tien minuten na nu ophalen. Zorg dat je klaar staat zodat we direct kunnen vertrekken.’ Daarna werd de verbinding verbroken.

  ‘Verdomme,’ vloekte hij even. ‘Ook dat nog,’ gromde hij vervolgens.  Dat ging natuurlijk om die zeevracht die zou worden afgeleverd, schoot het gelijk door hem heen. Daar had hij helemaal niet meer aan gedacht. Alleen begreep hij niet waarom zijn hulp daarbij nu opeens noodzakelijk was. Dan was er dus kennelijk weldegelijk sprake van een noodsituatie, vermoedde hij. Want anders zou Antal niet aan Maria opdracht hebben gegeven om hem op te bellen. Zou natuurlijk ook kunnen zijn dat Janos niet weg kon van die jachtwerf. Dat ze hem daarom belde om de plaats van Janos in te nemen.

‘Wat een gore klote dag,’ schreeuwde opeens hij tegen de kamermuren die gelukkig niets terug konden zeggen. ‘Alles lijkt me vandaag tegen te willen zitten.’

   Hij stak zijn voeten in een paar stevige sportschoenen, trok een hemd en een regenjack aan en keek even in de keukenkast om iets eetbaars te vinden. Daarna spoedde hij zich naar beneden en wachtte vervolgens in de hal tot een claxongeluid hem waarschuwde dat zijn maten voor de deur stonden. Toen hij zich gebukt door de inmiddels neerplenzende regen naar de auto begaf kon hij nog niet vermoeden dat het die dag een extreem natte en koude aangelegenheid voor hen allen zou gaan worden. Over dat vreemde telefoongesprek wat hij had gehad zweeg hij nog maar even. Dat kon wel even wachten, was op dat moment zijn gedachte. 

Vervolg kunt u lezen in: http://tallsay.com/page/4294995161/gruwelijke-rit-naar-het-zuiden-24

 

©  Leonardo

 

 

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.
11/01/2018 22:35

Reacties (5) 

1
17/01/2018 20:45
heel mooi geschreven en spannend
1
12/01/2018 11:28
Je zou haast denken dat je zelf ervaringen in dat milieu hebt opgedaan. Is die Frank soms een undercover? Dat schoot direct door mij heen.
In elk geval loopt de spanning mooi op.
1
12/01/2018 15:17
Als je een thriller wilt schrijven dan moet je je eigen heel goed voorbereiden. Je oren te luisteren leggen en je ogen open houden en veel lezen wat anderen over een dergelijk onderwerp hebben geschreven..
1
12/01/2018 09:13
Dat wordt weer spannend
1
12/01/2018 06:26
Het Amsterdamse is hier zo treffend omschreven
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden. Tallsay.com is onderdeel van Plazilla Ltd.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert