De kleine jongen

Door Edwin Bruinooge gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Een verhaal uit fictieve middeleeuwen, waarin al het middeleeuws bijgeloof realiteit is. Ik heb al een aantal andere verhalen in die wereld geschreven. Dit is de ontstaansgeschiedenis van een van de belangrijkste bijpersonen.

c25a83866f656b9e466d45b34c30fb90_medium.

De kleine jongen

De kleine jongen zit op de kade en kijkt uit over de rustige zee. Voorovergebogen met zijn kin in zijn handen luistert hij naar het gekrijs van meeuwen. Zijn ellebogen rusten op zijn knieën, die als met mos begroeide stenen uit zijn vale zandkleurige en gerafelde broek steken. De frisse zilte zeewind, met dat vleugje aroma van verse vis en schaaldieren, doet zijn maag pijnlijk knorren. Eergisteren heeft hij voor het laatst gegeten.

De kleine jongen zucht diep. Een pijnlijke grimas vertekent zijn jonge gezicht en laat het grote litteken op zijn voorhoofd opzwellen. Zijn rechterhand, bruin, vuil en met dikke zwarte randen onder zijn nagels, streelt voorzichtig zijn borstkas. Een sis ontsnapt aan zijn lippen als de pijn te overweldigend wordt. Hij voelt de stokslagen opnieuw. Het was niet de eerste keer en hij weet dat er nog vele zullen volgen. Als hij ouder zal zijn, zullen ze zijn hand afhakken. 

De knagende pijn in zijn maag wordt hem te veel. Hij kreunt en langzaam staat hij op. Schichtig kijkt hij om zich heen. In een kristalheldere flits beseft hij hoezeer hij het laatste jaar is veranderd. Weg is het vrolijke jongetje dat met traantjes in zijn ogen, exact op deze plek, precies drie jaar geleden, zijn vader uitzwaaide. Hij ziet het weer voor zich, het schip dat langzaam steeds kleiner werd, terwijl het de ondergaande zon tegemoet zeilde. Hij bleef maar zwaaien en bidden dat de Heer zijn vader zou behoeden voor de zwaarden van de ongelovigen. Langzaam is die hoop weggeëbd; uit het Heilige Land kwamen alleen berichten van onheil en lijden. Zijn moeder zag hij met de maand droeviger en wanhopiger worden. Tot de zwakte, die haar zo eigen was, het overwon en zij haar ziel aan de duivel verkocht en haar lichaam aan iedereen die ervan wilde proeven. 

987f8219b9707bba7061afecf426834e_medium.

Toen de eerste bloesems een mooie lente en zomer leken aan te kondigen, werd zijn moeder als heks verbrand. De kleine jongen heeft het niet gezien. Wel zag hij hoe zijn huis in vlammen opging, onder het gejoel en vreugdekreten van zijn stadsgenoten. Hij voelt de stenen weer, waarmee zij hem de stad uit joegen, als addergebroed, als heksenkind dat geen plaats had onder beschaafde godvrezende lieden, maar tussen de ratten en zwerfhonden moest zien te overleven. En nu de bladeren van de bomen gaan vallen en de nachten ijskoud en vochtig beginnen te worden snapt de kleine jongen dat hij de komende winter niet zal overleven in de kleine grot bij de zee. Zijn dagen zijn eindeloos en eenzaam daar, liggend op zelf verzameld stro bij een klein houtvuurtje. Hij houdt zich in leven met de magere oogst aan schelpdieren, krabben en kleine visjes, aangevuld met alles wat hij in de stad aan straatafval weet te verzamelen of uit marktstalletjes kan stelen. De kleine jongen weet dat hij niet kan blijven. Hij moet weg, maar nu nog niet. Hij heeft nog een rekening te vereffenen. Als hij daaraan denkt, trekt een schaduw over zijn gezicht. Zijn blik wordt dof, maar binnenin brandt het allesverzengende vuur van de haat.

De haat neemt bezit van hem en zoals altijd ziet hij de schim van zijn moeder, die met uitgestrekte handen om hem heen zweeft. Ze lijkt hem aan te willen raken, uit haar holle ogen spreekt een boodschap van troost en in zijn momenten van zwakte wil hij daaraan toegeven. Maar dan drukt zijn wil haar weg. Hij zal niet voor de verleiding vallen. Zij is niet langer zijn moeder, nu zij haar ziel aan de Boze heeft verkocht. Ooit zal hij krachtig genoeg zijn om haar schim voor altijd te verbannen naar het hellevuur waar ze thuishoort. Nu nog niet. De kleine jongen kijkt grimmig door de open stadspoort, ziet de mensenmenigte en balt zijn vuisten. Hij ziet zijn leeftijdgenoten en weet dat dit de dag is. Vandaag zal hij voorgoed met ze afrekenen. Hij lacht als hij de lange weg naar zijn grot neemt.

2aa234efe311d5f6286fb2b0b214f2d9_medium.

De zon staat hoog aan de hemel als de kleine jongen door de hoofdstraat loopt, langs de taveernes en winkels, richting kerkplein. Zijn nieuwe laarzen zitten ruim, zijn bruine leren broek is iets te wijd en zijn groene hemd lijkt speciaal voor hem gemaakt. Zijn wijde kap bedekt zijn nog natte haren. Het heeft de hele zomer geduurd voordat hij ze bij elkaar had gestolen. Uitdagend kijkt hij om zich heen. Het duurt niet lang. Hij hoort ze aankomen en een stel sterke handen sleuren hem een zijstraat in, waar hij neergegooid wordt in een modderpoel. De slagen en stompen die hij verwacht, wil hij ondergaan. Vandaag is het nodig. Vijf jongens kijken dreigend op hem neer. Thieu, de zoon van de slager, drukt hem met zijn voet terug de modder in.
   ‘Waar heb je die kleren gejat, heksenjong?’
   ‘Ze zijn niet gejat. Ik heb ze gekocht’, brengt de kleine jongen angstig uit. Thieu drukt hem dieper de modder in. Hij en zijn vier kameraden lachen schamper.
   ‘Gekocht? Jij? Waarvan dan?’
   ‘Van het hoerengeld van zijn moeder’, schimpt Didier, de timmermanszoon. De kleine jongen schudt zijn hoofd ontkennend, bijt op zijn lip en kijkt weg. Thieu zet zijn voet op het hoofd van de kleine jongen en duwt zo zijn gelaat in de drek. De kleine jongen sputtert, spuugt de modder uit zijn mond en stamelt: ‘Nee, ik heb het gevonden.’ Bewust laat hij een stilte vallen.

6091730d2fa31e6ebd2cb96f464e57a0_medium.

Didier tilt hem uit de drek, zet hem tegen de muur en geeft hem een klinkende oorvijg.
    'Geld? Gevonden? Waar heb jij dat geld dan gevonden? Zeg op!', zegt hij langzaam en dreigend. De kleine jongen kijkt weg. Dit is voor hem het cruciale moment. Hij perst een paar hete tranen uit zijn ooghoeken. De vijf jongens staan op een kleine afstand onderling te fluisteren en te grinniken. Als Thieu op hem af loopt, hem recht overeind trekt en wat drek van zijn kleren klopt, krijgt de kleine jongen hoop. Thieu’s stem klinkt bijna vriendelijk.
   ‘Hoeveel heb je gevonden? Is alles nu op?’ Langzaam schudt de kleine jongen zijn hoofd.
   ‘Het is meer dan ik op kan maken. Meer dan ik kan dragen. Meer dan genoeg om deze rotstad voorgoed te verlaten. Laat me nou alsjeblieft gaan. Dan zijn jullie ook van me af, toch?’ De kleine jongen ziet in de vergrote ogen van Thieu precies wat hij verwachtte. Begeerte, hebzucht. De zondige en makkelijk bespeelbare emoties die de Boze in de wereld bracht en waarmee hij alles wat goed is verziekte tot de walgelijke dierlijkheid die hij elke dag om zich heen moet zien. Zoals hij vroeger keek naar een hondje dat een kunstje moest leren, zo kijkt hij nu naar zijn belager. En hij ziet dat het zaad dat hij plantte aan het ontkiemen is.
   ‘Meer dan een mens kan dragen. Het is dus echt waar’, fluistert Thieu met een dromerige glimlach. ‘De verhalen kloppen en jij, jij nog wel, hebt het gevonden.’ De kleine jongen kijkt weg. Iedereen kent de legendes van de roofridder die hier twee eeuwen geleden zijn steden en dorpen uitzoog. Een immense rijkdom had hij vergaard, maar die is nooit teruggevonden. Zijn afgebrande en ingestorte slot kan iedereen zien die vanaf het strand naar de bergtoppen kijkt. Als een dreigende schim blikt het silhouet van het kasteel neer op de kleine levendige stad Villefort waar hij zijn hele leven heeft gewoond. Met de jaren groeiden de verhalen over zijn schat en hoewel velen overal zochten, is er nooit een sou teruggevonden. Tot vandaag. Didier begint blij te schaterlachen.
   ‘Die is dus mooi voor ons, hoerenjoch! Misschien mag jij een paar sou in je broekzakken steken, als we een goede bui hebben.’ Hij kijkt zijn kameraden aan en zoekt naar steun. De blik van Thieu laat zijn voorhoofd fronsen. De kleine jongen ziet het en zucht opgelucht. Maar hij laat niks merken.
   ‘Dan zoek je het zelf maar. Ik zeg niks.’ De kleine jongen kijkt zijn belagers uitdagend aan. En dan iets zachter: ‘Ik wil hier gewoon weg en jullie allemaal vergeten.’ Didier stapt dreigend op de kleine jongen af, maar Thieu’s grote handen houden hem tegen.
   ‘Ik weet het goed gemaakt, heksenjong. Als het echt zoveel is, dan verdelen we het eerlijk. Jij krijgt gewoon je deel en je rot voorgoed op. En niemand van ons praat hierover. Niemand! We zijn niet gek. De volwassenen pikken dan alles in. Dit blijft ons geheim. Erewoord!’  Lang kijkt de kleine jongen naar de grond. Dan heft hij zijn hoofd op. Langzaam steekt hij zijn rechterhand uit en schudt die van Thieu.

19a9319b5fded8ef82a789c89d59588b_medium.

Javier, de vadsige bakkerszoon, verbreekt de stilte. Hij wil weten wat er nu moet gebeuren. De kleine jongen kijkt de vijf kameraden een voor een aan. Zijn blik rust iets langer op die van Thieu.
   ‘Kennen jullie de verlaten hoeve van de oude Georges? Die ligt mooi uit het zicht. Dat is een goede plek om alles te verdelen, zonder dat er pottenkijkers bij zijn.’ Hij hoort instemmend gemompel en vervolgt: ‘Als we daar morgenvroeg samenkomen, dan heb ik vandaag alleen vier extra handen nodig en een kar om vannacht alles daarheen te brengen.’ Thieu grijpt hem bij zijn kraag en kijkt hem diep in de ogen. De kleine jongen probeert zijn blik af te wenden, maar het lukt niet.
   ‘Je geeft je wel erg makkelijk gewonnen, ventje’, bijt hij hem toe. ‘Je houdt ons toch niet voor de gek, wel? Waarom zou jij dat geld nou met ons willen delen? Ik vertrouw je niet.’ De kleine jongen slikt en kijkt hem met betraande ogen recht in zijn gezicht aan.
   ‘Wat voor keuze heb ik nou? Ik kan toch niet tegen jullie op. Morgen wil ik hier voorgoed vertrekken. Wat er met de rest van het geld gebeurt, dat interesseert me niet. Niets hier interesseert me meer.’
   ‘Je weet het, hè jochie? Als je ons voor de gek houdt of probeert te verraden, dan weet je wel wat we met jouw soort doen, toch? Ik steek je ogen uit en ik breek alle botten in je rottige lijf. Maar als je de waarheid spreekt, dan gebeurt er niets. Dan gaan we als vrienden uit elkaar. Dat wil jij toch wel?’ De kleine jongen trilt over zijn hele lijf. Maar niet van angst. Snel knikt hij een paar keer. En hij voelt iets heel vreemds tussen zijn benen.

0cfd1f60b33a095d95b72e89e0e3ff2e_medium.

Het is besloten. Javier en Didier gaan met hem mee. Javier haalt een van zijn vaders handkarren op. De kleine jongen ziet de schim van zijn moeder weer verschijnen. Langzaam zweeft ze voor hem, haar haren golvend en uitgespreid, alsof ze in zacht stromend water ligt en drijft. Hij weet dat alleen hij haar kan zien. Heel even kijkt hij haar aan. Ze heeft grote huilende ogen. Boos onderdrukt hij opkomende gevoelens van verdriet. Hij is te lang zwak geweest. Haar hoofd schudt heen en weer alsof ze iets vreselijks ziet. Hij herinnert zich weer hoe ze ooit tegen hem sprak. Dat ze soms zo schrok van zijn strenge gedachten. Dat er lelijkheid en veel verdriet in de wereld was, maar ook zoveel moois en liefdevols. De kleine jongen kijkt om zich heen en ziet niets van dit alles. Twee kraaien pikken in het lijk van een dode hond, langs de straatkant. Hij snapt dat hij niet aan de verleiding van de Boze moet toegeven. Het is allemaal illusie. Allemaal om hem van het rechte pad te houden. Met één hoofdbeweging verjaagt hij haar gestalte. Even wordt zijn blik getroffen door een schim in een zijstraat. Een monnikspij die het volgende moment verdwenen is. Hij haalt zijn schouders op en loopt verder.
 

07fbcaaf3897f4778015b8fc6aa98ff1_medium.

Hij alleen kent de weg en hij maakt het Didier en Javier niet gemakkelijk. Stil lacht hij om hun hijgen en puffen. Ze geloven hem als hij zegt dat hij de lange weg moet nemen, omdat de korte weg niet te klimmen is met een handkar. De zon staat weer laag aan de hemel als ze over de met doornstruiken begroeide rotsen richting strand lopen. Daar waar zijn grot is, die alleen hij weet te vinden. Daar waar hij de rijkdommen van de roofridder heeft verborgen. Als ze daar aankomen en zijn metgezellen uitgeput op de grond vallen, ruiken ze het. De geur van eten. De beide jongens komen overeind en lopen de grot in. Boven een heel zacht houtvuurtje pruttelt een pan met een dikke soep.
   ‘Die is van mij!’, roept de kleine jongen een beetje angstig. Didier en Javier lachen erom.
   ‘Hou je bek. We zijn uitgehongerd. Als je je kop houdt, laten we misschien wat voor je over, hoerenjoch.’ De kleine jongen blijft stokstijf staan als hij de luide smakgeluiden hoort. Weer trilt hij over zijn hele lijf.

De paddestoelen en de geheime kruiden in de soep hebben hun werk gedaan. Javier en Didier liggen stokstijf op de vloer van zijn grot. Hun angstige ogen volgen elke beweging die hij maakt. De kleine jongen neuriet een wijsje terwijl hij hun handen en voeten vastbindt. Maar niet nadat hij ze eerst een ferme trap in hun gezicht heeft gegeven. De vloed zal zo opkomen. Een voor een sleept hij ze de grot uit, het water in. Hun monden heeft hij gekneveld. De twee palen in het water heeft hij gisteren geplaatst. Aan elk van de palen bindt hij ze vast. De schim van zijn moeder verschijnt weer en danst door zijn blikveld. Ze probeert hem af te leiden. Alsof het iets slechts is wat hij nu gaat doen. De kleine jongen weet wel beter. Hij kijkt de schim kwaad aan en verbant het uit zijn gezicht. De ogen van Javier zijn opengesperd en tranen als hij twee diepe sneden in zijn benen maakt en en dwarse snee over de breedte van zijn buik. De kleine jongen hoort het paniekerige piepen dat vanachter de knevel smeekt om hulp of genade. Deze ochtend heeft hij zijn jagersmes nog geslepen. Hij herinnert zich hoe zijn vader hem leerde hiermee om te gaan. Het water komt Didier tot aan de nek als hij ook bij hem hetzelfde doet. Het zal zeker een paar uur duren voordat de vloed zijn maximale hoogte bereikt. In de tussentijd zullen ze lijden, als voorbode van wat ze een eeuwigheid te wachten staat. De palingen zullen erg vet zijn dit jaar. De kleine jongen vindt het jammer dat hij ze niet zal proeven.

1319771da2e193b62367ba3c23264c20_medium.

Eindelijk ziet de kleine jongen ze komen. Hij ligt al een uur te wachten in de struiken bij de verlaten hoeve van Georges. Huiverend trekt hij zijn mantel stevig om zich heen, om de nachtelijke koude en vochtigheid  buiten te sluiten. Ergens dichtbij hoort hij een uil. De vroegste vogels laten zich horen en aan de horizon verschijnt het eerste licht. Het belooft een mooie en heldere dag te worden. De schaduwen van de jongens krijgen vorm als ze de laatste bocht richting de hoeve nemen. De ramen zijn dichtgetimmerd en het rieten dak staat op instorten. Vroeger schuilde hij hier wel eens met zijn moeder, als ze in het bos rondwandelden.

Weer wordt de kleine jongen  overmand door een gevoel van zwakte. Hij herinnert zich de dagen dat ze nog kon lachen en samen met hem kruiden en bloemen plukte. Toen ze hem vertelde wat hij allemaal met die kruiden kon doen. Toen ze hem liet zien welke kruiden en paddestoelen eetbaar waren en hoe ze hem later thuis leerde koken. Hoe ze samen bij het kaarslicht genoten, liedjes zongen, hoe ze hem streelde als hij in bed lag. De kleine jongen vervloekt de tranen die over zijn wangen lopen. Een beweging achter een van de bomen trekt zijn aandacht. Heel even denkt hij een monnikspij te zien.

Hij herkent ze als ze met zijn drieën over de drempel stappen en naar binnen gaan. Thieu's gespierde gestalte steekt af bij de iele kleine Jean. Lange Thierry sluit de rij. De kleine jongen hoort ze fluisterend de namen van Didier en Javier roepen. Stilletjes verlaat hij het struikgewas en sluipt naderbij. Hij trilt over zijn hele lichaam en weer heeft hij dat rare gevoel tussen zijn benen. Als hij de deur sluit en de klink barricadeert met de handkar, kan hij een vreugdekreet bijna niet onderdrukken. Snel grijpt hij zijn tondeldoos. De paar tellen die hij nodig heeft lijken een eeuwigheid te duren. Maar dan is zijn eerste fakkel aan.

60f6c530fb7827f0ce3e61ba68850a49_medium.

De drie jongens hebben door dat er iets niet klopt. Hij hoort boze kreten en een van hen probeert de deur te openen. Het oude en half vermolmde hout geeft mee, maar de handkar doet zijn werk. Met een grom gooit de kleine jongen de eerste fakkel op het dak, nadat hij een aantal andere heeft aangestoken. De olie die hij over het dak heeft uitgesprenkeld, vat vlam. Rustig loopt hij om de hoeve en steekt de takkenbossen aan die hij overal om het huis heeft geplaatst, bij alle dichtgetimmerde ramen. Dagen is hij ermee bezig geweest, voor dit ene moment. De kreten in het huis veranderen. De kleine jongen hoort pure doodsangst. Hij had nooit geweten dat Thieu kon gillen als een klein meisje, als een bang speenvarken. Hij lacht als hij denkt hoe zijn vlees van zijn botten borrelt en smelt. Het vuur grijpt snel om zich heen. Niemand kan ontsnappen uit dit inferno. De kreten worden steeds hoger, steeds schriller. Totdat ze stoppen en alleen het knappen van hout en het geluid van de allesverzengende vlammen te horen zijn. Het klinkt de kleine jongen als muziek in de oren.

0c382202297b4d85fdc6d7836d340f1a_medium.

Langzaam loopt hij achteruit. Zijn ogen blijven gericht op de betoverend dansende en wrekende vlammen. Ineens verstijft hij als hij een hand op zijn schouder voelt. Bliksemsnel draait hij zich om. De kleine jongen is niet eens verbaasd als hij een Dominicaanse monnik voor hem ziet staan. Hij herkent de pij en wordt gegrepen door de strenge en rustige blik van de ingevallen ogen die hem aanblikken. Het doet hem denken aan de blik van zijn vader, toen hij vertelde dat hij op Kruistocht ging. De monnik zegt geen woord maar de kleine jongen voelt dat hij moet antwoorden. Maar voordat hij iets kan zeggen, voelt hij hoe de handen van de monnik zijn wangen strelen. 
   'Ik hou je al drie dagen in de gaten', zegt een sussende en warme stem. 'Weet jij zeker dat zij een zo afschuwelijk lot hebben verdiend?' De kleine jongen is niet bang, Een grote rust daalt over hem neer als hij heftig en overtuigd knikt.
   'Als jij op de Laatste Dag tegenover jouw Schepper staat, heb je dan geen spijt en geen berouw?'
   'Berouw? Voor het straffen van dienaren van de Boze? Nee, zeker niet.' De kleine jongen voelt zich sterk. Hij voelt geen pijn en honger meer. De eerste zonnestralen verlichten zijn gezicht en lijken de monnik een aureool te geven. Het beeld doet het hart van de kleine jongen harder kloppen. De monnik slaakt een zachte zucht.

b9ce10bd2eab484552be524d9d37817c_medium.
   'Wie was het die jou zo verwondde dat je op zo'n jonge leeftijd al de waarheid van deze wereld ontdekte?' De kleine jongen voelt de tranen opwellen. Dit keer verbijt hij ze niet. Hij ziet de schim van zijn moeder, die op haar knieën valt en hevig lijkt te huilen. Hij ziet haar armen die zich vertwijfeld naar hem uitstrekken. Langzaam, zonder dat hij het wilde, ziet hij haar schim langzaam oplossen. Hij weet dat hij haar nooit meer zal zien.
   'Een heks en een hoer', fluistert hij. 'Iemand die nu in de Hel is, voor altijd.' De monnik knikt en aait over zijn hoofd, precies als zijn vader ooit deed.
   'De Heer heeft mij op jouw pad gezet', zegt hij glimlachend. 'De Heer ziet in jou een dienaar. Weet je wie ik ben?' De kleine jongen schudt onzeker zijn hoofd.
   'Alle dienaren van de Boze hebben mij leren vrezen. Tegen de macht van de Heilige Inquisitie en de rechtvaardige woede van de Heer zijn zij niet opgewassen. Jij hebt het in je om zo te worden als ik. De Heer roept je. Wil jij Hem volgen?'

Als een teken breekt de Zon door en verblindt de kleine jongen met zijn felle licht. Zijn ogen zijn groot en zijn blik onverzettelijk als hij de monnik recht in het gezicht kijkt. Hij ziet hem lachen van vreugde als hij hevig knikt. 
   'Wat is je naam, kleine jongen?' vraagt de monnik vriendelijk.
   'Geoffrey, naar mijn vader die in het Heilige Land strijdt.'
   'Geoffrey uit Villefort', zegt de monnik langzaam. 'Er komt een tijd dat alle heksen, Voelers en ketters zullen beven als ze die naam horen. Wil je dat?'

De kleine jongen ziet nog één keer achterom. De hoeve is inmiddels vervallen tot een smeulend skelet van een huis. De zon schijnt fel aan de hemel. Een mooie dag is aangebroken en er zijn geen schimmen die door zijn blikveld bewegen. Voor het eerst in lange tijd, nu ze samen de weg nemen naar zijn nieuwe, zijn echte leven, voelt de kleine jongen oprechte vreugde in zijn hart. Ooit zal hij hier terugkeren, aan het hoofd van een stoet Strijders voor de Waarheid. En zijn wraak zal verschrikkelijk zijn.

 

*Een aantal illustraties zijn screenshots uit Game of Thrones*

* Ooit begonnen aan dit verhaal voor de schrijfopdracht 'Haat', maar niet afgemaakt*

*In hetzelfde 'universum' spelen ook de verhalen Schimmige Liefde, De Bastaard van Byzantium en De Nachtvlinder van Montpellier zich af.*

26/03/2017 15:39

Reacties (29) 

1
30/03/2017 08:43
Aangrijpend geschreven. De moeite waard om verder uit te werken. Mocht je ooit de intentie hebben om een boek te schrijven, is dit een mooie basis om vanuit te werken.
1
30/03/2017 15:52
Ik denk er wel over, maar op dit moment is het nog een verhaal op zoek naar een plot. :P Dat is het grootste probleem met mijn fantasie.
Dus hou ik het nog bij kleine schetsen.
30/03/2017 17:47
Hoewel ik (nog) niks publiceer omdat ik er zelf niet tevreden over ben, merk ik dat tijdens het schrijven de plots en ingevingen vanzelf komen. Wat je hier hebt neergezet is een prima basis, waar je bij een verdere uitwerking al meerdere hoofdstukken van kunt maken.

Er zit van alles in: Drama, actie, spanning... Je gebruikt een beeldende schrijfstijl. Je hebt tevens voldoende personages om verschillende verhaallijnen door elkaar te laten lopen. En met de monnik en een niet teruggekeerde vader heb je voldoende mogelijkheden om tot een geweldig plot te komen.

Nu stop...
02/04/2017 13:26
Inderdaad, een mooi begin voor een prachtig boek.
" Jij hebt het in je om zo te worden als ik." In dit geval: "Jij hebt het in je om te zijn zoals je bent." Een prachtig schrijvend mens!
1
28/03/2017 23:22
Wat een heerlijk 'bizar' verhaal weer!
2
30/03/2017 15:51
Ik vind het lekker om mijn Dark Side regelmatig een speelkwartiertje te gunnen. ☺
30/03/2017 23:02
Dat doet mij deugt, want ik mag ze graag lezen.
1
28/03/2017 12:59
Ik had het al verwacht toen ik jouw naam zag: een prachtig verhaal, compleet met middeleeuwse wreedheden.

Toch, als ik zo vrij mag zijn, kwam de kentering in het verhaal wel erg snel. Daar had je wel wat meer tijd voor mogen nemen, wat mij betreft. Blijft natuurlijk lastig als je in het tijdsbestek van een kort verhaal werkt.
1
28/03/2017 13:01
Daar heb je wel gelijk in. Dat krijg je als je de helft van een verhaal meer dan een jaar laat sudderen.
Ik ga er dit weekend maar eens aan sleutelen, denk ik.
1
28/03/2017 11:47
Ik ben sowieso fan van Middeleeuwse literatuur.
Heel mooi geschreven.
28/03/2017 13:01
Thank you! ☺
U bent niet ingelogd. Wilt u nu inloggen of een account aanmaken?
1
27/03/2017 17:10
Mooi! Met genoegen gelezen :)
28/03/2017 13:01
Thank you! Met veel genoegen geschreven! ☺
1
27/03/2017 16:34
28/03/2017 13:01
Thank you! ☺
1
26/03/2017 21:33
Erg pakkend geschreven. Graag gelezen!
26/03/2017 21:36
Thank you. Ik heb deze week de laatste helft maar afgemaakt. De rest is al meer dan een jaar oud. Zo heb ik nog een hele serie artikelen. :P
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert