Opgravingen en leven van het land

Door Peter-Paul gepubliceerd in Persoonlijke ervaringen

Voelt als hemel

 

Het was min of meer voorspeld. Toch verliep de aankomst van de heer Dirk Melkebeek niet echt onopgemerkt. Peter en Marc wísten dat hij met de moto zou komen. Maar ze hadden zijn jongste aanwinst nog niet mogen aanschouwen. Oorspronkelijk reed hij op een Honda 125 cc die eruitzag als een 500 cc. Nu kwam er iets anders op de weide. De Honda cx500 wás een 500 cc-motorfiets maar hij zag eruit als een 1000 cc. En zo klonk hij ook. Dirk had voortreffelijk de routing van Peter opgevolgd. Komende van Oostende moest hij op de N10 koers zetten naar Brussel. Na Aalst kwam Erembodegem en dan volgde de Hekelgemse Boekhoutberg. Peter had zijn maat behoorlijk gebrieft want hij kende diens belangstelling voor snelheid, een belangstelling die op twee wielen nauwelijks meer in te tomen viel. Na de lichten van de abdij kwamen de dancings en daar kon hij ongestoord aan de kabel hangen. Een mooie drievaksweg tot aan Asse-ter-Heide. Daar moest hij rechtsaf en verder de steenweg volgen. Maar het werd nu uitkijken. Peter had het netjes opgesomd aan de telefoon. Rechts de Colruyt, rechtover de zendmast van de rijkswachtkazerne. Dan voorzichtig verder tot aan het Codi-warenhuis. Dan zat je eigenlijk 30 meter te ver want vlak vóór de parking van het warenhuis bevond zich een zwart ijzeren hek. Peter en Marc hadden het alvast op een kier gelaten in afwachting van hun gast. Er was een kleine binnenplaats met een lege loods. Plek genoeg voor het vehikel van Dirk maar die bleek enkel tevreden met het ultieme genot. Hij opende een kleiner poortje, dat van het opgravingsterrein zelf en kwam zwaaiend en juichend de weide opgedokkerd. Dat had hij beter niet gedaan. In zijn summiere wegbeschrijving had Peter één element over het hoofd gezien, een vrij omvangrijk en weinig elegant element dat verband hield met het allerlaatste stukje van het traject Wetteren-Asse. De veearts hield een koe en die was niet echt gesteld op een ronkende 500 in V. Het dier kwam hysterisch loeiend op de amateurarcheologen toegegaloppeerd. Peter en  Marc wuifden het hoefdier dringend naar de andere richting en Dirk rolde de Honda cx 500 met stille trom in de loods.

       “Niemand heeft me van een koe verteld!” was een eenvoudige mededeling. Inderdaad, het terrein had nog wat eigenaardigheden, zo zou blijken uit een grondige rondleiding. Marc en Peter waren de gidsen. Ervaren gidsen en Peter nam gierend van de pret de honneurs waar.

       “De koe ken je dus al maar hier heb je de pomp met helder maar ijskoud water. De arduinen bak eronder is voor dubbel gebruik.”

       “Of voor driedubbel gebruik”, was de aanvullende bemerking van Marc. “Dat beest komt hier drinken. Ge zult dat straks wel zien als het wat op zijn positieven is gekomen. Maar wij halen hier ons water om ons te wassen én die bak is tegelijk onze frigo!” Peter nam ginnegappend over terwijl hij drie flesjes Jupiler tevoorschijn toverde: “Wij hebben onze welkomstdrankjes al te koelen gelegd, ik heb een aftrekker in mijn achterzak en ik stel voor dat we klinken op de vriendschap en op de wetenschap!”

 

Die wetenschap kwam even later in het vizier. Een sleuf die met een afsluiting nieuwsgierige runderen op een afstand moest houden. Het was een bescheiden opgraving. Eigenlijk was het op een plek die al een jaartje eerder was onderzocht. Een BTK-project van een Gentse archeoloog had al drie sleuven getrokken die voor het eerst na méér dan 100 jaar opnieuw paardenbeeldjes hadden aan het licht gebracht. De nieuwe sleuf had Peter “1984/2” gedoopt. Hij maakte er geen geheim van dat Marc en hij hier archeologische wereldgeschiedenis zouden schrijven. Het vinden van paardenbeeldjes was niet nieuw in Asse. Het was de familie Crick, een notoire notaris-clan, die in het laatste kwart van de 19de eeuw voor het eerst op schattenjacht trok in Asse. Die “Cricken”, begoede en ontwikkelde kasteelbewoners, kenden hun klassieken. Ze wandelden over hun domeinen en kwamen onder de indruk van de Romeinse munten die na felle regenbuien zomaar voor het oprapen lagen. Een ophefmakende muntencollectie was maar één resultaat. Maar de Cricken wilden op een moment helemáál Heinrich Schliemann achterna en startten grootschalige “opgravingen”. Ze zochten niet naar Troje maar wel naar een verborgen Romeinse stad met luisterrijke villa’s en genoeg tempels om het nageslacht te verbluffen. Over de wetenschappelijke waarde van deze graafwerken gold volgens Marc en Peter uiteraard het allergrootste voorbehoud. Peter kende al behoorlijk wat literatuur terzake: “Niemand kent de precieze situering van de “sleuven”. Foto’s en tekeningen van de grondsporen, de muren, afvalkuilen, paalgaten of brandgraven? Ze ontbraken. Misschien waren ze er ook nooit geweest.”  Vondsten waren er zeker en vast wél. Bronzen voorwerpen en sierlijk vaatwerk stonden beschreven in 19de-eeuwse tijdschriften die Peter urenlang doorzocht in de Gentse universiteitsbibliotheek. Lijfelijk contact met de archeologica was nog steeds mogelijk via een eigenaardige tussenstap. De vondsten waren in een omvangrijk pak aan het Aalsterse stedelijk museum gedoteerd.  Er waren ook paardenbeeldjes bij. Die werden in 1877 gevonden “à un étroit espace”.

 

Gentenaar Hendrik Robberecht had er opnieuw ontdekt in het BTK-project van 1982-1983 en nu zou de Vereniging de rest doen. Tenminste, dat dacht Peter toch. Het begon namelijk een aardig museumpje te worden in pijpaardewerk. Een tweehonderdtal paardenfigurines, enkele wagenmenners, een Venus Anadyomene… Daarbij schenen de boringen met en door Willy dwars door het perceel Sectie F 905 h15 nog de rest van het verhaal te vertellen. De boringen met de edelmanboor stuitten in 1984 op zandstenen, dakpangruis en roze mortel. Peter sprak erover met Marc en Willy en wou het van de daken schreeuwen. Daar zát iets, daar onder de grond. Wat meer naar het zuiden, op enkele meters van sleuf 1984/2. Marc en Peter groeven blijkbaar op in een “geremanieerde context”. De paardenbeeldjes zaten verspreid tussen scherven- en beendermateriaal en behoorlijk wat bouwafval. De beeldjes konden desgewenst gelijmd worden maar de verschillende onderdelen bevonden zich vaak meters van mekaar. Alles leek op een soort “opruimen” van iets, een structuur of een gebouw, dat zich wat verder op het opgravingsterrein moest hebben bevonden.

 

Dit hoorde bij de meer wetenschappelijke rondleiding op perceel 905 h15, beter bekend als het terrein van de veearts. Maar Dirk moest nog meer zien. Achter de betonnen schutting lag sleuf 1981-84/1. Dat waren de muursporen waar de rest van de vereniging op werkte. Het waren sporen die negatieve zwart-bruine opvullingssporen toonden van gebouwen. Soms lagen er nog volledige zandstenen sokkels. Eén keer was de grote Sigfrid Jan De Laet van de Gentse universiteit eens komen kijken. Naar verluidt was zijn reactie bijzonder laconiek: “Och ja, zo’n typisch Gallisch muurke…” Vondsten bij de vleet. Onder zo’n “Gallisch muurke” was in 1981 een gesculpteerde ring in bergkristal gevonden. Maar daar zouden ze het later wel over hebben. Dirk had ze namelijk al lang gezien: de tenten van een geïmproviseerde kampplaats.

 

       “Hier slapen we dus”, was de bijna overbodige uitleg van Marc. En hij voegde er nog wat extra info aan toe. “Die bruine tent is de mijne, niet echt nieuw maar in goede staat. Ik stel voor dat wij hier vannacht in slapen. Als Peter teveel gezopen heeft leggen we die in zijn gammele kathedraal, daar wat verder.” Het duo Geubels-Dierickx zat nog volledig in kunsthistorische sferen. De examens trilden nog na in talloze inside jokes, al dan niet belangrijke en zelden historisch correct geplaatste historische weetjes en andere “bon mots”. De tenten werden vakkundig ontleed volgens de cursus “Hoogtepunten uit de Westerse architectuurgeschiedenis” van professor Frieda Van Tyghem. Het ging hier duidelijk om vroeg-middeleeuwse éénbeukige hallenkerken met twee zuilen. Je kwam binnen in het voorportaal, de narthex, dan had je het schip en het heiligdom werd achter de laatste zuil afgesloten met een driehoekig koor. Peter en Marc hadden dit grinnikend onder mekaar afgesproken en Dirk ging meteen met het juiste elan verder: “Jullie hebben hierbij uiteraard de juiste hymne nodig. Denk aan Eric Van der Aerden en zijn zéér vrije vertalingen van Fiction Factory!”. Het leek of Peter en Marc hierop écht aan het wachten waren geweest. De bagage van Dirk werd voorlopig aan de betonnen platen van perceel 905 p10 gestald en het drietal verhief de stem: “Voelt als hemel!”

 

Peter uitte nadien enkel wat vage bezwaren tegen zijn al op voorhand ge-orakelde dronkenschap. Voor de staat van zijn tent tekende hij glimlachend schuldig. Het was een wormstekig geval dat hij van buren in de Gerstjens had geleend. Van de narthex was de kapotte ritssluiting zeer lomp hersteld met plastic tape. De opgravers bleven dit hulpmiddel steeds en tegen beter weten in de hemel inprijzen onder de “Schoon-Vlaamse” benaming “toile isolante”. Volgens Peter kon je daar álles mee doen en hij gaf doorgaans het goede voorbeeld. Maar de innerlijke mens diende niet alleen in vloeibare vorm gesterkt. De metalen barbecuerooster was niet zomaar in de Chrysler getild. Een bezoek aan de Codi maakte de jacht op wild, pluimvee en andere eetbare dieren overbodig. Dirk hielp kiezen: een stel hamburgers, barbecueworsten, varkens- en rundsbrochettes. Dirk laadde hier nog een extra exemplaar in: “Ik vind dat lekker”. Even lekker vond het drietal nog wat extra sixpacks Jupiler. Een aperitiefje. Op het terrein wachtte nog de bourgogne van de “Entrepaux Nationaux”, een feestelijke en stijlvolle oenologische bijdrage van Peter. Het voelde nu al als hemel, hoewel de braadinstallatie nog helemaal niet geïnstalleerd was.

 

       “Kijk, hier heb je al de body van onze barbecue. Kijk eens naar deze betonstenen!” Marc triomfeerde al op voorhand. Kolen hadden ze niet mee. Ze gingen toch leven van het land en het opgravingsterrein lag vol droog hout. Peter zorgde nog voor een onvervalst Romeins accent. In de opening achteraan beide betonstenen pasten nog twee dakpanfragmenten die de vorige week nog bij prospectie boven water kwamen. Peter was in zijn nopjes:

       “Ik wist dat ze van pas gingen komen en ik wist waar ik ze kon vinden. Ge weet wel, Marc, dat boer Hannaert ze op die hoek op een hoop legt omdat die zandstenen en dakpannen zijn ploeg bot maken.” Leven van het land zoals de Romeinen. Drie jongens zochten droog hout, droge bladeren en staken hun vondsten in de fik. Bovenop dit brandend braambos kwam de barbecuerooster en volgens Peter was het nu een kwestie van wachten. “En aperitieven uiteraard,” vond Dirk. Voor Peter was dat het gedroomde signaal om een zoveelste product van de Entrepaux Nationaux te ontkurken. Het was een Echezaux uit 1974 die op het thuisfront behoorlijk wat argwaan had geoogst. Hij zou “gekeerd” zijn en derhalve nauwelijks te zuipen. Maar Peter vond dat de wetenschap voor alles ging en hij schonk de drank in de kartonnen bekertjes. Het trio vond dat het nog reuze meeviel en klonk op Asse, het mooie leven, de wetenschap en het weer.

 

De barbecue viel nogal tegen. Het Brandende Braambos was als een rokende, sissende en snel-uitdovende pudding in elkaar gezakt. Onderaan vond Peter het nog wat warm hebben. Maar een wit-hete gloeiende brandhaard was het niet. Er werd wat geblazen en zelfs gewapperd met het hoedje van Nettoyage Industriel. Na uren werden de brochettes wat warm onderaan. Het trio scheurde ze naar binnen met een liter Echezeaux. Een aantal worstjes was al eerder per ongeluk door de rooster geglipt en in de smeulende aslaag beland. Volgens Marc was dat gewoon een kwestie van eventjes stof afnemen en de bek in. “Een mens mag toch niet verhongeren!”

 

Drie mensen mochten evenmin verdorsten dus wenkte het herbergbezoek. Starten in ’t Partituurken  en telkens verder. Drie Palm was het blijvende order. Het ene café’tje na het andere werd bezocht, goedgekeurd en gesloten. Een speciale afspanning troffen ze in de Nieuwstraat. De kroeg viel te betreden langs een gigantische rode rioolbuis. De drankslijterij heette niet toevallig ook “De Riool”. Het was een trendy gelegenheid. Metalen meubilair en camouflagenetten riepen er de sfeer op van Front 242 en de Deutsch Amerikanische Freundschaft. Beetje paracommandostijl. Peter voelde zich met de minuut minder klaar voor Deutsch Amerikanische noch gelijk welke andere militaire Freundschaften en de vrienden wisten dat het tijd was om naar het basiskamp terug te keren.

 

Gelachen werd er en Peter verruilde Fiction Factory onverwacht voor Egyptische archeologie.

       “Hé boys”, ging het met onvaste stem. “Wilt ge nu wat weten? Ik ken nog alle koningen van de Thinitische periode en van het Oude Rijk! De eerste dynastie was Narmer!” En zo ging het verder. Op de steenweg donderden Egyptische namen als vloeken tegen de gevels. Er waren geen getuigen van Peribsen, Khasekhem en Djoser. Bij de grote piramides van de 4de Dynastie strompelde Peter tussen Marc en Dirk de weide op. Bij Oenas van de 5de Dynastie vond Marc het raadzaam om Dirk te waarschuwen. “Ik ken hem. Als we bij Pepi 2 van de 6de Dynastie zijn beland kunt ge hem beter wat boven de afsluiting van sleuf 81/1 hangen.”

 

Dirk sloeg inderdaad zijn arm omheen zijn maat maar hield geen rekening met het feit dat de plastic paaltjes waarmee de draad rond de sleuf zat gewoon los op de grond stonden. Vloekend tuimelde het duo bovenop een Gallisch muurtje. Marc kwam eraan te pas om de dronken Egyptoloog in zijn tent te sleuren om er zijn roes uit te slapen. Het was Marcs tent en Peter belandde compleet omgedraaid in deze verblijfplaats: voeten in het koor en het hoofd in de narthex. Game over. Maar voor de rest van het trio was het spel nog niet volledig gespeeld. “Hé Melkebeek”, Peter hoorde in zijn troebele geluidsbrei nog vaag de stem van Marc. “Ik heb hier nog PaleAle!

 

Het geluid van het openen van een bierflesje was de druppel voor Peter. Hij gaf een beetje over in de narthex. Een narthex die de zijne niet was…

 

Een flard geluk

 

Peter werd wakker met een ietwat zeurderig gevoel in het hoofd. Geen nood, er zaten aspirines in zijn knapzak. Anders was het gesteld met het kleine plasje kots waarin hij had geslapen. Niet zo erg, de Dreft stond al te wachten. Ging hij fiksen vooraleer Marc wakker werd. Daarvoor zou hij normaal gezien tijd genoeg hebben. De zon stond helder in het oosten toen Peter behoedzaam de narthex opende van zijn blauw-oranje ruïne. Marc lag links, op zijn rechterzij. Dirk had een zelfde slaaphouding. Peter moest inwendig glimlachen bij het aanschouwen van het koorgedeelte. Dat werd achter het hoofd van zijn vriend-motorrijder plechtig afgesloten door een stel koene motorlaarzen. “Mooi beeld” vond de al volkomen uitgeruste Peter en hij haalde zijn fototoestel uit de knapzak. Hij vond in dergelijke omstandigheden dat een dia onmisbaar zou zijn voor het nageslacht “als bewijs dat het allemaal écht gebeurd was, toen.” Behoedzaam trok de Vroege Vogel het voorhang dicht. Hij had geen flitslamp gebruikt want hij wou zijn vrienden onder geen beding wakker maken. Hij voelde ineens onbestemde flarden van stomme, ondefinieerbare maar volmaakte vreugde in het Brabantse landschap hangen. In de knapzak vond hij niet alleen aspirines en een fototoestel. Hij rammelde koortsachtig doorheen een boel muziekcassettes. Hij wist wat hij zocht: een zilverkleurige Maxell UDII. Op de tafel stond de zwarte cassettespeler die Marc nog voor zijn Plechtige Communie had gekregen. Alles viel ineens op zijn plaats; Asse, de paardenbeeldjes, de klimmende zon doorheen de ragfijne ochtendnevel en zijn twee beste vrienden, slapend in zíjn kapotte tent. Omwille van dit duo zette hij de muziek niet te luid. Hij ging in de strandstoel zitten naast de barbecue en had kunnen wenen van geluk. Het voelde namelijk écht als hemel en dat had hij nog nooit zo intens ervaren.

 

 

Heaven is closer now today
The sound is in my ears
I can't believe the things you say
They echo what I fear
Twisting the bones until they snap
I scream but no one knows
You say I'm familiar cold to touch
And then you turn and go

Feels like heaven...


01/02/2017 14:06

Reacties (5) 

09/02/2017 09:30
Mooi beeldend geschreven, ik hoorde de koeien en rook de barbecue. Feels like haeven een toepasselijke mooie song. Ik had deze gemist. Zal hem gelijk opslaan bij de rest in mijn favorieten.
09/02/2017 12:57
En je blijft me aangenamermet de moment treffen met elk bericht dat ik van je lees. Ik probeer deze namiddag nog verder te schrijven. Bedankt Yneke. Jij woont wellicht niet in Groningen maar toch ver van mij, de Vlaming, maar ,toch weet ik je dichter en dichter
Heaven is closer now today...
01/02/2017 18:38
Schitterend! Hier geniet ik nu van.
Vooral de alinea over de Egyptische farao's: 'Op de steenweg donderden Egyptische namen als vloeken tegen de gevels.' Ik zie het vóór me.
3
01/02/2017 18:52
ik lees met veel plezier je teksten. Ik bén Grieks-Romeins archeoloog, heb dat diploma maar heb het beroep nooit uitgeoefend. Ik ben wel lid van Natuurpunt en heb ook al wat teksten voor hun online-blad geschreven, onder meer toen de bever opdook. Zeer schuw dier, in Nederland en Duitsland was die eerder. De wolf is in het zuiden van ons land ook met zekerheid waargenomen. Zal je ook liggen. Tja, af en toe schuilt er wel wat Frans in de Zuid-nederlandse taal. Dat is perfect historisch te verklaren
1
01/02/2017 20:04
Een prachtig beroep waar je niet mee aan de bak komt, tenzij je een stevige kruiwagen hebt of een grote erfenis achter de hand.
Ik heb in mijn studietijd één keer meegeholpen bij uitgravingen in Italië, een weekje maar, als duvelstoejager uit een andere faculteit. Etruskische grafvelden waren het, maar daar was haast niets meer van over. Dan komt, ondanks het feit dat je alleen maar de bezemwagen bent, toch je jachtinstinct tot leven.

Helaas heb ik niets gevonden waarover ik zou kunnen schrijven. Wél over de avonden met heel wat flessen Toscaanse wijn, van de boer vla...
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert