Examenstress en leven van het land

Door Peter-Paul gepubliceerd in Persoonlijke ervaringen

 Leven van het land

 

En het was niet de eerste keer dat Peter een aanvraag moest noteren om op de opgravingen te logeren. Eigenlijk wás dat al meerdere malen gebeurd. Marc en Peter hadden altijd wel een gammele tent, een biefstuk en een fles fatsoenlijke wijn van de Entrepaux Nationaux in de aanbieding. En voor de rest bood de natuur wel alles, vonden ze. Voor noodgevallen waren er overigens de pomp op de weide van de veearts en het Codi-warenhuis. De opgravingssite van Kalkoven had nagenoeg alles. Je kwam toe met de wagen, met de fiets, te voet of met een motorfiets. De Codi had uiteraard ongeveer alles en in extreem grote mate. Op die manier was het een stuk eenvoudiger om voor de rest te leven van het land.

 

“Leven van het land.” Dit was een leuze die zomaar uit “De Beren Los” van John Irving was gepikt. En eigenlijk was Dirk hier de grote inspirator. Hij had zowat alles van Irving waarop hij in vertaling de hand had kunnen leggen. The World according to Garp, uiteraard, de Regels van het Ciderhuis, Hotel New Hampshire en de Watermethodeman. “Setting free the bears” was er eigenlijk eerst geweest. Dirk was getroffen door de cover. Van John Irving had hij eigenlijk nog nooit gehoord toen maar op “De Beren Los” stond een moto, twee jongens, een meisje, een beer en een historisch stadsbeeld. Maar het ging hem om de motorfiets. Een oude moto die de kenners zouden omschrijven met de term “naked bike”. Een benzinetank, een zadel en een potent motorblok. Geen belachelijke chromen liflafjes, gereedschapskistjes of andere rommel. Een Engelse bike was het. Géén Norton of een BSA zoals in “Oerend Hard” van Normaal maar een Royal Enfield. Een kunstvoorwerp en voor Dirk de start van zijn Irving-mania. Peter kende niks van motoren maar had op de opgravingen het alreeds stukgelezen exemplaar van “De beren los” van Dirk te leen gekregen. Hij had dat niet zomaar gekregen maar daar was een dikke opdracht aan verbonden: GELIEVE DIT BOEK ZEER GOED TE LEZEN.
 

En gelezen hád Peter. Het was de zoetste opdracht die hij ooit van iemand had gekregen. Wat hij in bruikleen had was zowat het mooiste boek dat hij ooit had gelezen. Echt simpel was het niet. Eigenlijk was er een hoofdplot met de lotgevallen van Siegfried Javotnik (Siggy) en Hannes Graff (Graff) die een bewogen tocht maken door het Wenen van de jaren ’60 en dit met de tweedehandse Royal Enfield. In deze vertelling toont het boek dan twee neven-story’s in een ander lettertype. In de eerste plaats zijn er de nauwgezette nachtelijke verslagen van Siggy in de Hietzinger Tiergarten. Blijkbaar is Siggy bezig met de voorbereiding van een criminele vrijlating van alle dieren en dat geeft meteen de verklaring van de titel van het boek. Nog eigenaardiger is de uiterst selectieve biografie van Siegfried Javotnik. Hier vormde de Tweede Wereldoorlog de zeer originele achtergrond van de zeer ongebruikelijke lotgevallen van de stamboom-Javotnik. Origineel en zéér ongebruikelijk waren ook de manieren waarop personages aan hun einde kwamen. Wut met het hoofd in een toilet-afvoerput of het hoofd verbrijzeld door Todor, een man die bekendstond voor zijn latent aanwezige gevoel voor humor. Er kwamen ook motoren aan te pas met een glansrol voor een NSU Grand Prix Racer uit 1938. Peter genoot van alles en hier rijpte het voornemen om zo snel mogelijk “De Beren Los” aan te schaffen. Hij kon dan wel totaal niet met de moto rijden maar vroeg zich af hoe het zou zijn. Gewoon een klein ritje met een NSU Grand Prix Racer uit 1938. Klein beetje op de bek gaan, naar alle waarschijnlijkheid.

 

Maar het was juni 1984. De examens waren achter de rug. Herinneringen kruidden na de feiten menig herbergbezoek. Legendarische story’s over de dia-lader van Van den Berghe. De examinandus diende een diapositief uit het doosje te pulken en dit kleinood aan de sterk bijziende examinator te reiken. Na projectie moest men zijn verhaal vertellen. Wie pech had kwam vooraan in het alfabet en mistte zéér interessante wetenswaardigheden. Een chaotische puinhoop die omgeploegd leek met een bulldozer was het Ramesseum. Een ruïne waar nog één gigantische pijler overeind stond had te maken met de tempel van Karnak en was meer bepaald de zuil van Taharka. Handig om weten en het leverde punten op. Wat géén punten opleverde was de luide stem van Dirk die vóór het examen Prehelleense en Griekse archeologie aan Liesbeth zijn onkunde debiteerde omtrent bepaalde Griekse monumenten. “Waaaaaaaaaaaaaaaaaat zeg je daar! De theaters? Wat zijn dat nu weer, die theaters? Dat staat niet in mijn cursus!” Gevolgd door “dag professor” aangezien prof. Dr. Mussche net door de gang kwam gestapt. Wat later zat Dirk Melkebeek oog in oog met dezelfde Mussche, een sfinx die onaangedaan met zijn azuurblauwe ogen in die van de examinandus blikte. Het lot werd vakkundig bezegeld: “Mijnheer Melkebeek. Vertelt u mij eens wat u weet over de theaters.” Dirk wist dus inderdaad niks over de theaters en zijn behaalde score voor het vak Prehelleense en Griekse archeologie zou meer dan waarschijnlijk navenant zijn. Voor Marc leken de kansen voor de cursus “Plastische Kunsten van de middeleeuwen, de nieuwe en nieuwste tijden” van professor De Maeyer al gedecimeerd van bij het voor-examen. Dat voor-examen was schriftelijk. De studenten moesten een klein opstelletje schrijven met de essentiële stijlkenmerken van een opgegeven reeks historisch belangrijke kunstenaars. Dat werd verbeterd door de assistente Claire Van Damme waarna men met de verbeterde kopij in het kantoor van de grote professor werd genood om zélf de nodige feedback te verstrekken. Nu, bij Marc viel blijkbaar niet écht veel meer feedback uit zijn exposé te puren en zéker niks dat veel extra punten zou opleveren. Hij wás wel degelijk met zijn verbeterde kopij het kantoor van De Maeyer binnengesloft maar had niet het genoegen mogen smaken om écht op de stoel neer te strijken. Hij werd linea recta naar de deur verwezen. “Godverdomme”, had Marc onmiddellijk aan de wachtenden verklaard. “Hij gaat mij een 0 geven. En ik had geen enkele fout gemaakt! Ik had overal bijgeschreven “Dit is een schilder”!” Hier mengde Dirk zich meteen in de nabeschouwingen. “Je hebt wél een kanjer van een fout gemaakt, hoor Marc.” En bij de verbijsterde reactie van de nul-gequoteerde ongelukkige, gaf hij meteen de broodnodige verduidelijking. “Ge hebt dat ook bij Donatello geschreven. Maar dat is geen schilder, dat is een beeldhouwer!”

 

En zo had iedereen zijn nare terugblikmomenten. Liesbeth gooide vertwijfeld de armen in de lucht. Defaitisme ten top, en het was óók na het examen van De Maeyer en met een kanjer van een West-Vlaams accent. “Een rampe, een regelrechte rampe. Mor ik trek het mien nie oan wè. Vanoved go’k nor Talk Talk!”

 

Peter had er geen echt zuivere kijk op, op zijn resultaten. Het was wel min of meer gegaan, dacht hij. Maar bij Mussche had hij wél een wrang voorgevoel. Hij had die Prehelleense en Griekse archeologie wel goed geleerd, daar was hij dus allesbehalve bang voor geweest. Maar toen het zijn beurt was op het examen had Mussche duidelijk wat door zijn vragen  gezeten. Hij moest de staalblauwe ogen van de professor trotseren met een vraag over het steenverband en de gebruikte werktuigen bij het ineenflansen van tempels. En je kreeg dus maar één vraag. Zo ging dat blijkbaar in die wedstrijden…

 

Stoom afblazen op de opgravingen. Peter had de Simca Chrysler 180 volgeladen met alle onmisbare kampeerartikelen. Hij had de wagen van zijn vader overgeërfd, had in ijltempo een rijbewijs behaald en had de roestige kar volledig aan de wetenschap geschonken. Luxueus voertuig moet dat ooit zijn geweest. Vierdeurs sedan in goud-beige kleur met zwarte linnen top. Op de achterbumper zat een mistlamp gevezen, een ontbrekend item dat blijkbaar ineens verplichtend was voor de wegcode. En er scheelden wel wat dingetjes aan en Peter kon voor zichzelf nog niet zo direct uitmaken in hoeverre die “dingetjes” al dan niet essentieel waren met betrekking tot een echt zorgeloze rit. Toen Peter de kar voor het eerst uit de garage reed was dat allesbehalve makkelijk geweest. Blijkbaar haperde de automatische choke en bleef de motor daardraaien op 3000 toeren per minuut. Het schakelen verliep navenant. De achteruitstand kon niet worden bereikt zonder een onaangename resem scheur- en knarsgeluiden. Het was een grote wagen, met zijn 100 PK schoot die nog vrij snel uit de sloffen ook. Jongens en wetenschap. Peter trapte hem op de N10 Oostende-Brussel zeer graag op zijn staart. Hij vond 140 per uur tussen de dancings van Hekelgem en Asse-Terheiden een realistische kruissnelheid. Dat was in principe 50 km te snel maar dat vond Peter een berekend risico. Zoals er nog veel waren in zijn 18-jarig verblijf op de planeet. De N10 scheen er volgens hem alleen maar om te vragen. Lange stroken, kaarsrecht naar Brussel en het ritmisch verder tikken van de betonnaden onder de wielen. Peter mistte maar één ding: de reflectoren tussen de witte stippellijnen. Die herinnering was ouder, dateerde uit de eerste helft van de jaren ’70. Ze hoorde bij de ultieme verwennerij van de vrijdagavond na school: met papa gaan zwemmen in het zwembad van Asse. Het oplichten van de geheimzinnige lichtjes die half verzonken leken in het wegdek had iets magisch. Ze waren de voorboden van het zwemgenoegen. Nu kwamen er andere genoegens aan bod. De auto had een geïmproviseerde parking vóór het hek van de eerste weide, perceel 905 h15. Een belangrijk perceel was dit. Je vond er de pomp van de veearts en daar startte alles al mee volgens Peter. Ze zorgde voor drinkbaar water en een primitieve wasgelegenheid was ze ook. Niet voor mietjes en Sissi’s want er kwam alleen ijskoud bronwater uit. Maar dat waren zorgen voor The Morning After. Nu waren er twee jongens, hun kampeerbenodigdheden en hun dromen. Die kampeerbenodigdheden konden tellen. Er waren twee tenten, het dagboek, het 50 meter-meetlint; extra fiches om touw en meter aan te bevestigen, vondstenfiches op blauw gekartonneerd papier, lege ronde doosjes waar onbepaalde levensmiddelen – Isaac dacht aan koekjes of ijsroom maar was hier allesbehalve zeker van - in hadden gezeten en het Olympus OM-2 fototoestel dat samen met de Chrysler van Peters vader naar de wetenschap was overgeheveld. Toen Peter zijn makker ging ophalen in Denderhoutem had Marc nog iets in petto. Het was met een grijns dat hij een solide metalen rooster in de koffer van de Chrysler tilde: een barbecuerooster en – volgens Marc – hoefde de rest van de barbecue onder geen beding mee. Immers: “De rest vinden we vast en zeker op het terrein.” Marc produceerde nog een schalkse knipoog: “Ik heb vorige zaterdag al eens goed rondgekeken en we bouwen onze barbecue gewoon helemaal zelf. Er ligt gerief genoeg en er liggen zelfs nog een pak betonstenen van de veearts. We moeten niet sukkelen!”

 

Leven van het land! Het pure geluk scheen te bestaan. Je moest gewoon wat uit je doppen kijken en dan kon je het gewoon van de grond oprapen. 

31/01/2017 17:32

Reacties (1) 

31/01/2017 22:34
Ja, de jeugd...;) Als je maar kunt improviseren, daar kom je een heel eind mee.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert