De gehangenen

Door VG Sterk gepubliceerd in Verhalen en Poëzie
Hoelang ik al op deze godvergeten plek ben weet ik niet, maar het moet wel een eeuwigheid zijn. Al ontelbare malen heb ik geprobeerd te vertrekken en dit vreselijke oord te verlaten, maar op de een of andere manier lukt me dat maar niet. Hoever ik ook loop, er komt maar geen einde aan dit verdoemde bos. Doelloos zwerf ik hier rond, zonder enig besef van tijd. Overdag is de lucht grauw en de atmosfeer ronduit vijandig. De bladeren aan de bomen lijken verdord. ‘S nachts slokt de duisternis me helemaal op en vraag ik me af of ik ooit weer het daglicht zal zien. En altijd is daar weer die koude, kille wind, die recht door mijn ziel snijdt. Het houdt hier nooit op met waaien. Vanaf de tijd dat ik hier ben tijd is dit bos verlaten en ben ik hier moederziel alleen. Zoals elke ochtend, begin ik ook nu de dag met een wandeling. Na een poos te hebben gelopen, kom ik uit bij een oude eikenboom. Onder deze boom ga ik zitten en kom ik eindelijk wat tot rust. Ik merk dat ik even helemaal niets meer hoef te doen. Niet meer te rennen, niet meer te vluchten, niet meer bang te zijn…Vredig zit ik onder de oude eik en laat mijn pijn en verdriet gaan.

Maar plotseling begint het: een wanhopig gefluister verspreidt zich door het bos. Het gefluister klinkt zo zacht dat het vrijwel onverstaanbaar is. Langzaamaan worden de stemmen steeds luider en kan ik horen wat ze zeggen:                                                  

   ‘Laat ons onmiddellijk los!’ ‘Wij zijn onschuldig!’ ‘Ik zeg je toch dat we niets gedaan hebben!’ ‘Spaar ons!’ De stemmen klinken steeds luider en monden uit in een wanhopig geschreeuw:  

   ‘Wat gaan jullie met ons doen?!’ ‘Dit is moord, dat kunnen jullie niet maken!’ ‘Laat ons toch gaan!’ ‘Nee, ik ben onschuldig!’ 'Help ons dan toch!’ ‘Nee, nee, nééééé!’ Het helse geschreeuw, waarin de doodsangst duidelijk te horen is, gaat me door merg en been. Bibberend zit ik ineengedoken met mijn handen over mijn oren. Na een poosje zo te hebben gezeten, sta ik ineens op en begin een bepaalde richting op te lopen. Ik voel me heel vreemd, alsof ik in een trance ben. Aangespoord door een onverklaarbare aantrekkingskracht vervolg ik het pad dat ik ingeslagen ben. Aan het einde bevindt zich een open plek, waar ik aan de rand blijf staan. Het lijkt een gewone open plek te zijn, zoals elke andere; een groen grasveld omringd door hoge bomen. Maar de sfeer is ronduit beklemmend en de plek heeft iets zeer naargeestigs. En weer is daar die kille wind. Deze plaats bezorgt me koude rillingen, maar aangedreven door een bepaalde kracht, loop ik toch langzaam het veld op. Het lijkt net alsof geen mens hier ooit een stap heeft gezet.

Ik stop en haal even diep adem. Dan, zomaar uit het niets, begint er zich een onwaarschijnlijk schouwspel voor mijn ogen af te spelen. Een groep van ongeveer zestien man verschijnt ten tonele en stapt het grasveld op. Een aantal van hen draagt grote schoppen bij zich en één man heeft een lang stuk opgerold touw om zijn schouder hangen. Vier mannen worden vastgehouden door de anderen en gedwongen mee te lopen. Vlak voor een boom, die eenzaam in het grasveld staat, blijft de groep op geruime afstand van mij staan. Ze lijken mij totaal niet op te merken. De man, die het touw bij zich draagt, loopt naar de boom toe en werpt het ene uiteinde over een dikke tak. Aan het andere uiteinde bengelt een lus. Vervolgens richt de man zich tot de vier gevangenen en begint te spreken:

   ‘Jullie vier daar: Wegens het in brand steken van ons dorp, veroordelen wij jullie hierbij tot de doodstraf!’ Het gehele tafereel komt me hoogst onwerkelijk over, alsof het niet echt gebeurt, alsof het maar een luchtspiegeling is. Het eerste slachtoffer wordt hevig tegenstribbelend door twee potige kerels naar de strop gebracht. De onfortuinlijke man schreeuwt dat hij onschuldig is en smeekt de groep om zijn leven te sparen. De mannen zijn echter genadeloos. Zonder pardon zetten ze het slachtoffer voor de boom en leggen de lus van het touw om zijn nek. Maar ik wil dit niet zien en ik wil hier niet zijn. Ik wil me omdraaien en hard weg lopen, maar ik word tegengehouden door een onbekende kracht. Vastgenageld sta ik aan de grond en word gedwongen het afgrijselijke drama te aanschouwen.

De strop ligt om de arme donder z’n nek en aan het andere uiteinde van het touw staan nu vier man. Uit alle macht trekken deze mannen aan het touw en lopen tegelijkertijd achteruit. Het slachtoffer wordt langzaam -hevig spartelend- omhoog gehesen, terwijl hij het uitschreeuwt van angst en pijn. Van nog steeds dezelfde afstand sla ik zijn afschuwelijk lot gade en een enorme hulpeloosheid maakt zich van mij meester. Ik hoor hoe het geschreeuw overgaat in een misselijkmakend gerochel en zie hoe het gespartel langzaam ophoudt. De man hangt nu stil en het is bekeken. Hij is dood. Achtereenvolgens moeten de drie overgebleven gevangenen hetzelfde lot ondergaan, terwijl ik machteloos toekijk. Wanneer het vierde slachtoffer naar de strop wordt geleid, krijg ik een hevige schok: Ik ken deze man, ik weet wie hij is! Nu besef ik waarom ik hier ben. Dit is niet iets wat op dit moment gebeurt. Nee, dit is iets wat zich in een heel ver verleden heeft afgespeeld. En het is iets wat ik nooit heb kunnen accepteren, nooit achter me heb kunnen laten. En zolang ik dit niet kan, zal ik dit trauma moeten herbeleven. En zal ik in dit vervloekte bos moeten blijven ronddwalen. Want het vierde slachtoffer dat ben ik. Ik ben de laatste die zo meedogenloos opgehangen wordt. Het volgende moment sta ik vlak voor mezelf. Terwijl ze de lus om mijn hals leggen, zie ik een traan over mijn wang biggelen. Wanneer ze het touw strak aanhalen, zie ik de verschrikkelijke paniek en doodsangst in mijn ogen. Ik zie hoe ze me langzaam omhoog beginnen te trekken.

En ik voel. Ik voel hoe het touw zich om mijn nek strak trekt en hoe ik de lucht inga. En mijn onbeschrijfelijke angst. Ik voel hoe mijn keel en mijn luchtpijp dichtgeknepen worden. En de immense pijn. Ik voel de hevige druk op mijn borst, terwijl ik trappelend naar lucht hap. Ik voel het wilde bonzen van mijn slagaderen in mijn hoofd. Ik voel mijn enorme wanhoop en verzet. Ik voel hoe ik langzaam stik. Uiteindelijk voel ik mezelf het bewustzijn verliezen en wegglijden in het onbekende. Naderhand sla ik gade hoe de mannen een diepe kuil graven en er vervolgens de lichamen één voor één in leggen, mijn lichaam als laatste. Daar, onder de grond, liggen mijn botten nog steeds, netjes naast die van de anderen. Want ik ben een van hen: de gehangenen.

2b37196c30d76a33b2d336cdb7e70ecb_medium.© 2015-© 2016

 

 

22/12/2016 04:58

Reacties (11) 

31/12/2016 08:35
Echt heel meeslepend geschreven. Mooi.
1
27/12/2016 14:27
Een goed geschreven, gruwelijk verhaal.
1
27/12/2016 16:40
Dank je wel, Zevenblad!
1
24/12/2016 13:35
mooi geschreven.
24/12/2016 22:55
1
23/12/2016 13:34
Een goed verhaal van je.
23/12/2016 19:08
Dank je, Anerea.
1
22/12/2016 10:29
doodsangst goed beschreven.
22/12/2016 12:22
Dank je...
1
22/12/2016 05:15
Oh uitstekend verhaal.
1
22/12/2016 05:17
Dank...
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert