Kort verhaal Drie Rozen

Door Ikke gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Daar zat hij dan, wachtend op de trein. De afgelopen dagen had hij amper kunnen slapen van opwinding. Zijn verlangen om haar te kunnen zien, was tot extreme hoogte gestegen. Mensen om hem heen begrepen hem niet, als hij tijdens gesprekken zijn verlangen haar te willen ontmoeten liet doorschemeren. Ze luisterden weliswaar beleefd, maar keken hem tegelijkertijd meewarig aan. Sommigen, diegenen met durf, vertelden hem zelfs dat hij zich op de toekomst moest richten. Maar ook zij zwegen als ze de vernietigende blik in zijn ogen zagen. Ogen die vuur spuwden.

De enige die hem enigszins scheen te begrijpen, was zijn oma. Niet de oma van moederskant, doch uitgerekend die van vaders kant. Dat had hem wel verwonderd. Het was enkele maanden geleden dat zij naar hem toe was gekomen en ze samen de hele dag hadden gepraat. Voornamelijk over het verleden. Over de tijd van vlak voor en na zijn geboorte. Dat was nu twintig jaar geleden. Deze periode was omfloerst door een gordijn van geheimzinnigheid. Oma had gesproken over hoe zijn opa destijds besloten had dat zijn moeder zo snel mogelijk na zijn geboorte moest vertrekken. Op het waarom en hoe kon of wilde oma geen bevredigend antwoord geven. ‘Jongen, je opa was de patriarch van onze familie. Het kwam niet bij andere familieleden op zijn wens te trotseren. Ze hadden respect voor hem,’ was haar antwoord na enig nadenken. Zorgvuldig had oma haar woorden afgewogen. Wat nu respect, had hij gedacht. Van respect was geen sprake geweest. Wel van vrees en angst die er desnoods door opa was ingeslagen. Hij wist zeker dat – mocht opa nog geleefd hebben – oma het niet zou hebben gewaagd een boekje over het verleden open te doen. Toch was hij blij dat oma na al die jaren uiteindelijk de stilte verbrak.

Een aantal jaar eerder was hij er bij toeval achter was gekomen, dat de huidige vrouw van zijn vader niet zijn moeder was. En zijn broers en zussen daarom ook niet zijn volle broers en zussen waren. Altijd had hij zich een soort van buitenstaander gevoeld. Niet dat zijn moeder, zijn stiefmoeder dus, hem niet als een eigen zoon had opgevoed. Daar viel geen kwaad woord van te zeggen. Het was een gevoel en er waren geen bewijzen die dat gevoel konden staven.

Tot het jaarlijkse oogstfeest enkele jaren geleden. Toen werd zijn gevoel eindelijk bevestigd. Het was tijdens dit feest dat hij zijn opa had durven te wijzen op diens drinkgedrag. Iedereen was plotsklaps stilgevallen, in afwachting van de reactie van opa die niet mals zou zijn. Hij had erop gerekend dat opa hem met zijn riem zou gaan afranselen. Niets van dat al gebeurde. In plaats daarvan had opa hem vuil en vol afkeer aangekeken en vervolgens op luide toon verteld, dat hij, als gedoogde bastaard van de familie, beter het feest kon verlaten. Eerlijk gezegd had hij liever de riem gehad. Terwijl hij totaal overrompeld naar huis liep, hoorde hij de feestband het volgende deuntje inzetten, alsof er niets gebeurd was. Toen hij enige dagen later zijn moed bij elkaar had geraapt en zijn vader naar de waarheid had gevraagd, had deze het hele voorval doodgezwegen. Daarna had het hem aan moed ontbroken en had hij erover gezwegen, wachtend op een geschikt moment, dat maar niet kwam.

Oma had weliswaar niet veel losgelaten over vroeger. Echter, door haar komst gaf zij hem wel het gevoel er eindelijk toe te doen. Bastaard of geen bastaard. Hij was er nu eenmaal en oma bevestigde hiermee zijn gevoel van mens-zijn. Een groter gebaar had ze niet kunnen geven. Toen oma opstond om te gaan, gaf ze hem een kus op het voorhoofd. Hij begeleidde haar tot aan de deur. Het was pas later dat hij op de keukentafel een briefje zag liggen. Met kloppend hart pakte hij het briefje. Er stond een telefoonnummer op. En een naam: ‘Mirianna’. Zachtjes herhaalde hij deze naam enkele keren. Zijn moeder had eindelijk een naam gekregen. Maar meer nog: hij had een klein stukje van zijn ontbrekende identiteit, hoe klein ook. Zo zat hij nog lang aan de keukentafel, starend naar dat kleine briefje, terwijl er zich een oorlog in zijn hoofd ontketende.

Enkele dagen later had hij nog niets met het telefoonnummer op het briefje gedaan. Niet dat hij het briefje was vergeten, welnee, verre van dat. Hij had nagenoeg aan niets anders gedacht. Zijn eerste impuls was geweest direct te bellen. Maar kon hij dat zomaar doen? Kon hij inbreken in het leven van zijn moeder, een vreemde in feite? Wat als zij niets met hem te maken wilde hebben, omdat zij een nieuw leven had opgebouwd? Het waren dagen geweest van wikken en wegen. Dagen waarin hij er niet vrolijker op was geworden.

Nu wist hij eindelijk waarnaar hij al die jaren naar verlangd had en kon hij zijn besluit maar moeilijk maken. Gek werd hij ervan. Het was genoeg geweest. Met trillende handen pakte hij het briefje en toetste het daarop staande telefoonnummer op zijn mobiel in. Het duurde even voordat er een verbinding tot stand kwam en een vrouwelijke stem opnam met de woorden: ‘hallo, met Mirianna’.

Hij schraapte zijn keel en met trillende stem stelde hij zich voor.

Hij schrok op van zijn overpeinzingen. Zijn omgeving kwam in beweging. Hij hoorde een peuter opgewonden roepen dat de trein eraan kwam. Langzaam stond ook hij op. De rozen die hij eerder naast zich had neergelegd op het bankje klemde hij stevig vast. Hij had ze die dag gekocht, nadat hij lang had nagedacht of hij überhaupt iets moest meenemen. Zijn opstandige stemmetje had hem geteisterd door te zeggen dat zij hem een cadeautje moest geven en hij niet haar. Het stemmetje van zijn karakter had er hard tegenaan gestreden en had uiteindelijk gewonnen. Drie rode rozen. Eentje voor het verleden, eentje voor het heden en tenslotte de laatste voor de toekomst. Hij vond het wel een mooie symboliek nu hij er zo over nadacht.

De trein was inmiddels het station binnen gereden en tot stilstand gekomen. Hij bekeek het tafereel vanaf zijn strategisch uitgekozen punt. Vanaf hier moest hij haar wel zien en zij hem. ‘Het moment suprême,’ mompelde hij, terwijl hij voelde dat hij met moeite zijn zenuwen in bedwang hield.

Mensen konden maar met moeite de trein uitstappen, omdat anderen zich dusdanig verdrongen om als eerste de trein in te kunnen stappen. Het was een alledaags plaatje en toch kwam het hem plotsklaps als zo onbenullig en onbelangrijk over. Na een aantal minuten kwam er enige orde in het gekrioel voor de trein. De mensen waren uitgestapt en de ongeduldige horde wurmde zich de trein in.

Reikhalzend en steeds ongeduldiger wordend verliet hij zijn plaats, zich afvragend of deze plaats wel strategisch genoeg was geweest. Hoe hij ook keek, hij zag geen vrouw die voldeed aan de beschrijving die zijn moeder hem gegeven had. Hij liep snel de stationshal binnen, in de hoop daar een eveneens zoekende vrouw aan te treffen, maar niets van dit al. Het was alsof hij in een film zat, waarin hij een zeer ongewenste rol speelde. Dit kon niet de werkelijkheid zijn. Zijn onderbewustzijn registreerde dat de trein vertrok. Daar stond hij dan. Binnen in een bijna lege stationshal met drie rode rozen in zijn hand. Een enkeling keek hem meewarig aan waarna ook deze uit zijn gezichtsveld verdween.

Dit kon niet waar zijn toch? Hij pakte zijn mobiel en toetste het nummer van het briefje in. Een herenstem op een bandje vertelde hem dat het nummer niet meer in gebruik was. Teleurstelling maakte plaats voor boosheid. Hoe durfde ze een tweede maal uit zijn leven te verdwijnen? Verantwoordingloos. Plotseling voelt hij een hand op zijn schouder. Hoopvol draait hij zich om. Hij kan zijn teleurstelling nauwelijks verhullen als blijkt dat er geen vrouw op leeftijd tegenover hem staat maar een jong meisje. Nou ja jong, zijn leeftijd ongeveer, schat hij zo op het tweede gezicht.

‘Wat kijk jij verdrietig,’ zegt ze. Zonder zijn reactie af te wachten, pakt ze hem bij de hand en loodst hem naar een bankje. Hij loopt als in trance met haar mee, zonder zich te verzetten. Als ze eenmaal zitten, begint het meisje tegen hem te praten: ‘ik heet Jonina en je moet het me maar niet kwalijk nemen, maar ik sta al een tijdje naar je te kijken. Volgens mij wachtte je op iemand en is die niet gekomen, klopt dat?’

Hij kijkt haar even aan, overweegt om op te staan en weg te lopen. Maar dan bedenkt hij zich. ‘Ik heet Stefano, aangenaam,’ zegt hij in plaats daarvan. Hij kijkt even naar de rozen die hij nog steeds krampachtig vasthoudt. ‘Wacht even, ik ben zo terug.’ Hij loopt naar de afvalbak en gooit twee rozen weg. Daarna loopt hij naar Jonina en geeft haar de laatste roos. ‘Voor jou. Op de toekomst.’

03/07/2016 18:12

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert