Het zwaard van Damocles genaamd dementie

Door Lou Geluyckens gepubliceerd in Persoonlijke ervaringen

Ik denk nog wel eens aan de wijsheden van Fons. Fons was de bejaarde die vader wekelijks even uit zijn duiventil – alias kamertje in het rusthuis – kwam verlossen om een verkwikkende ommetje door de stad te maken. Voorwendsel voor een verkwikkend biertje in de kroeg.

Fons, die met zijn klok van een stem, zijn kaarsrechte rug, zijn wijd uitstaande wenkbrauwen en zijn tot een fijne lijn gemillimeterd snorretje op zijn bovenlip, aan een oude Britse majoor deed denken, liep tegen de tachtig. Maar hij was nog kranig. Als je hem vroeg hoe het met hem ging, antwoordde hij: “Een krakende wagen!” Om er meteen aan toe te voegen: “Maar krakende wagens lopen het langst.” Geen twijfel dat hij het ouder worden als een last ervoer, maar hij liet het niet aan zijn hart komen. Zijn grootste wijsheid luidde overigens: “Wie niet oud wilt worden, moet jong sterven.” Geen speld tussen te krijgen.

Zelf wil ik graag oud worden. Héél graag zelfs. Ik vind het leven een godsgeschenk. Voor de honderd wil ik met plezier tekenen. Maar niet tegen elke prijs. Ik vrees namelijk dat me een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Het zwaard genaamd dementie.

Toen mijn ouders hun huis ruilden voor een kamer in het bejaardenhuis was dat geen onbezonnen daad. Moeders hersenen verkeerden in een lichte staat van ontbinding. Zij had vlagen van delier. Zij zag vreemdsoortige dieren op de vensterbank zitten. En ze verkeerde in de waan dat vader het bed deelde met een roodharige schone. Iets wat vader, die zijn hele leven trouw als een hond was geweest, na een tijdje de verzuchting ontlokte: “Ik wou dat het waar was, dan beleefde ik er nog plezier aan.” Hij lachte om zijn eigen grap, maar de zucht der moedeloosheid was niet veraf. Ook hij werd overigens vergeetachtig. Maar het waren vooral zijn lichamelijke krachten die hem in de steek lieten. De ooit zo kranige, rijzige man die bergen kon verzetten, was gedecimeerd tot een kromlopend, trekkebenend ventje van niets. Hij viel om als je te heftig uitademde. Een stok hield hem nog enigszins op de been, maar de zorg voor moeder kon hij niet meer aan.

Nadat ze hun intrek in het rusthuis hadden genomen, werd moeder vijandig tegenover ons. Ze was ervan overtuigd dat wij samen met vader een complot tegen haar hadden gesmeed. Zij wilde niet in dat ongastvrije home verblijven. Zij wilde terug naar haar vertrouwde stulp. Een huis dat – notabene – reeds verkocht was. Zij kon maar niet begrijpen of aanvaarden dat er geen weg terug meer was. Dat lieten haar aftakelende hersenen niet meer toe.

Vreemd genoeg was haar langetermijngeheugen nog intact. Participeren aan een conversatie deed ze niet meer. Maar telkens we met vader een gesprek voerden (meestal over lang vervlogen tijden, zoals het een bejaarde betaamt) was zij het die, vanuit haar bed, de hiaten in het verhaal wist op te vullen. Als accenten. Namen van personen uit het verleden, waar vader niet kon opkomen, rakelde zij foutloos op. Of plaatsen waar ze geweest waren. Het koste haar geen moeite. Meer dan eens hebben vader en ik elkaar met open mond aangestaard van verbazing.

Eén keer heb ik moeder nog gezien zoals ik me haar graag had herinnerd. Ze was toen al erg slecht. Ze at vrijwel niets meer en lag dag en nacht met opgetrokken knieën in bed. Door een foute inschatting van haar kon ze haar benen niet meer strekken. Door koppigheid vooral. Dokters hadden haar voortdurend gewaarschuwd dat ze haar knieën, waar de artrose in woekerde, in beweging moest houden. Maar daar had ze geen gehoor aan gegeven. Ze voelde pijn wanneer ze haar benen bewoog en hield ze dus liever stil. Met als gevolg dat er op het eind geen beweging meer in te krijgen was. Ze lag voortdurend in een soort van foetushouding op haar zij. Wilde ze zich omdraaien, dan moest ze geholpen worden. Liefst door vader. Want die verpleging vertrouwde ze voor geen haar.

Die dag wilde ik vader een namiddag verstrooiing bieden. Even weg uit het rustoord. Even zonder het geklaag van moeder. Ik nam de taak op mij haar in te lichten. Ik wist dat ze het er moeilijk mee zou hebben. Moeder had een jaloers trekje. Maar haar meenemen was geen optie. Enkel met een ziekenwagen kon ze nog worden vervoerd. En thuis beschikten we niet over een aangepast bed. Het moést zonder haar of niet.

Ik vroeg haar of we vader een paar uur mochten “ontvoeren”. Ik kleedde het grappig in om haar gunstig te stemmen. Met zichtbare tegenzin stemde ze toe. Ze kon niet anders.

We namen vader mee en bezorgden hem een paar mooie uurtjes. Hij genoot. Een namiddag lang. Lachen en grappen maken. Hij voelde zich bevrijd. Maar tegen de tijd dat we hem terug naar het home moesten brengen, werd hij onrustig. Bang om wat hem te wachten stond. Hoe we moeder zouden aantreffen. Hoe vijandig ze zou zijn. Wat ze hem allemaal zou verwijten.

In de auto zat hij voor zich uit te staren met een wazige blik in zijn ogen. Maar er wachtte ons een aangename verrassing. Toen we de kamer betraden, zat moeder rechtop in bed. Ze had een leesbril op en bladerde in wat ooit haar lijfblad was geweest: de Story. Dat had ze in geen máánden gedaan. We keken elkaar vol verbazing aan. Moeder gluurde even over haar bril en zei minzaam: “O… zijn jullie al terug?” Ze deed zo normaal dat het me in verwarring bracht. Ik bleef nog even bij haar zitten en maakte een praatje met haar. Het leek wel alsof ik teruggeworpen werd in de tijd. Maar toen ik een week later op bezoek ging, lag ze alweer te zieltogen. Niet lang daarna is ze gestorven.

Vader heeft het op z’n eentje nog twee jaar uitgezongen. Overdag zat hij urenlang in zijn stoel. Staarde wat uit het raam. Las wat in een magazine. Keek wat televisie. Hij hield zich kranig, maar langzaam zag je zijn geestelijke en lichamelijke vermogens verder achteruitgaan. Na een tijd werd praten met hem een zwaar karwei. (lees: Een mooie oude dag)

Op een nacht werd hij onwel. Hij viel op de koude vloer, gaf onophoudelijk over en plaste in zijn broek. Nadien was hij erg verward. Hij herkende ons nog nauwelijks. Er was ergens “een zekering” gesprongen in zijn hoofd. Enkele weken later was ook hij er niet meer.

Het aftakelingsproces van mijn beide ouders heeft me aan het denken gezet. Ik zou nog steeds graag oud willen worden, maar niet tegen elke prijs. Zodra het paardenhaar, waarmee het zwaard van Damocles boven mijn hoofd hangt, het dreigt te begeven, kies ik eieren voor mijn geld. Er zijn grenzen aan het toelaatbare. Op de wijsheid van Fons heb ik daarom een variatie bedacht: “Wie niet dement wil worden, kan maar beter op tijd sterven.” Gelukkig wordt in Nederland en België sinds enkele jaren de mogelijkheid geboden om ongestraft voor levensbeëindiging te kiezen. De euthanasiewet is een luxe, geen schande.

17/06/2016 17:34

Reacties (3) 

19/06/2016 21:37
Geen vrolijk verhaal, maar je hebt een mooi en liefdevol portret van je oude ouders neergezet. Euthanasie is trouwens júist in combinatie met dementie best een ingewikkelde zaak. Als iemand niet meer helder is, is het lastig uit te maken of die persoon echt wel dood wil, ook al heeft hij/zij dat eerder schriftelijk vastgelegd. En dat moet wél duidelijk zijn.
17/06/2016 18:42
Helemaal met je eens. Behalve op één klein puntje:
De Euthanasiewet is geen luxe en geen schande: het is een stuk vrijheid waar een mens in een beschaafd land recht op heeft.
17/06/2016 19:01
Ja, zo kun je het ook stellen.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert