Kort verhaal: Katerjagen.

Door Arinka gepubliceerd.

Ergens was er iets in mij geknapt. Wat precies en wanneer dat kan ik niet duiden, het was alsof er stukjes ontbraken uit mijn levenspuzzel. Wanhopig probeerde ik de stukjes in te vullen, maar het lukte mij eenvoudigweg niet. Ik werd wanhopiger, analyseerde mijn leven op zoek naar antwoorden, maar kreeg er enkel meer vragen voor in de plaats.

Natuurlijk werd ik vroeger gepest, kreeg ik niet het meisje dat ik het liefst wilde en werd ik thuis niet altijd serieus genomen, maar dat hadden meer mensen. Waar kwam bij mij dan die desperate woede vandaan? Ik kreeg mijzelf niet meer op de rails en als een ontspoorde trein nam ik alles op mijn pad mee richting de afgrond.

Het leven had mij misvormd; het eens zo lieve, naïeve jongetje was gekneed tot een gefrustreerde kerel. Gekneed door onbegrip, de domheid om mij heen, de agressiviteit, de verharding, het wantrouwen.

Ik zoop al jaren mijn ongewenste gedachten en gevoelens weg. Door drank werd ik een ander, onbezorgder mens. Met het glas in de hand oreerde ik rare gezegden in het Latijns als Percussit unus non felis vel felis (wat zoveel betekent als: wordt men niet door de kat gebeten, dan wel door de kater). Mijn vrienden lachten om me, ik nam nog een drankje en even leek alles dan in orde tot ik, zoals nu, ontwaakte uit een zelfopgewekte alcoholcoma, waarna de ellende opnieuw begon, alleen dan in drievoud.

Zoals het geval is met katers, voelde ik me vreselijk. Het was geen gevoel van pijn, meer een emotioneel litteken. Misselijkheid, hoofdpijn, trillende handen, daar kon ik allemaal wel overheen komen als ik straks weer mijn eerste bier van de dag naar binnen zou gooien.

Waar ik moeite mee had was het gevoel dat mijn geheugen van de vorige avond en nacht compleet gewist was. Blijkbaar had ik deze keer echt teveel gezopen. Moeizaam doorliep ik in gedachten de stappen die ik gisterenavond had gezet, tot ik aanbeland was bij het zwarte gat, waar mijn herinneringen zich moesten bevinden.

Ik herinnerde me de kroeg na het werk, wat bier, een taxi naar het feest, een paar glazen witte wijn, een tafel die me gewezen werd, het voorgerecht en nog meer wijn. Ik herinnerde me het dansen, weer een taxi en dan… Niets.

Al vaker had ik zoveel gedronken dat mijn hersencellen met duizenden tegelijk vernietigd waren, maar dit was nieuw voor me. Ik kon alleen maar hopen dat ik me iets van de afgelopen uren zou gaan herinneren, voor één of andere kwal van een collega, zo eentje die wel nuchter blijft, me haarfijn zou gaan vertellen hoe belachelijk ik me gedragen had. Of welke domme dingen ik had gezegd, ik voelde me zweterig en angstig bij de gedachte wat er allemaal gebeurd kon zijn, zonder dat ik het wist.

Maar goed, ik had dus nog tot maandag om een verklaring voor mijn eventueel misplaatste gedrag te verzinnen. Hoewel ik me afvroeg waarom ik dat nodig zou hebben, had ik het gevoel dat er iets speelde dat niet met een simpele uitleg te verklaren was.

Die gedachte hield me bezig, verstoorde mijn doezelige nachtgevoel, tot ik het eerste glas bier aan mijn lippen zette rond lunchtijd. Ik zat alleen aan de grote leestafel in “De Goot” (een eetcafé, ik was gelukkig nog niet letterlijk in de goot beland) met de zaterdagkranten om me heen, onbewust zoekend naar gebeurtenissen die iets in me zouden losmaken. Zoekend naar troost in het feit dat iemand op de showpagina van de Telegraaf zich nog belachelijker had gedragen dan ik vannacht.

En het ook niet meer wist.

Het moest natuurlijk wel een man zijn, mannen waren dronkaards, waar vrouwen altijd een goede reden hadden om zich te bezatten. Ze waren van streek door een verbroken relatie of ze hadden een vreselijk verleden. Hoe dan ook was het minder belangrijk voor de beau monde. Ze kregen voortdurend champagne aangevoerd, ze dronken in stijl, er werden taxi’s gebeld, omstanders keken bezorgd. Vrouwen stonden er echter niet om bekend dat ze agressief werden als ze dronken waren en dus werden hun misdragingen al snel weer vergeten. Al wat achterbleef was uitgesmeerde make-up en een onelegante foto bij het uitstappen van de limo.

Mannen dragen geen make-up (over het algemeen) en onelegante foto’s zijn evenmin hun ding. Nee, mannen slaan volledig los. Ze laten zich helemaal gaan, hetzij in agressief zinloos geweld, hetzij in hormonale uitspattingen. Vaak is dan een nuchtere vrouw nodig om ze nog enigszins in de hand te houden.

Het ergste wat ik in de kranten vond was het verhaal van vier dronken studenten die erin geslaagd waren een auto het ziekenhuis in te rijden. Wat al met al weer een prima zet was, gezien het feit dat ze na deze actie dringend medische hulp nodig hadden. Treurig voor de jonge kerels was dat ze de rest van hun leven herinnerd zouden worden aan hun domme handelingen, door de littekens in hun jonge gezichten en het verlies van hun vriend die de auto bestuurde. In de toekomst zou alles wat gisteren nog zo grappig leek ineens zo grappig niet meer zijn. Alhoewel ik het wel grappig vond dat ze in elk geval wel herinnerd werden aan wat er was gebeurd, iets waar ik tot nu toe nog niet in was geslaagd.

Het eerste signaal dat er echt iets mis was kreeg ik toen ik mijn tweede biertje dronk. Ik haalde een verfrommeld 10 €uro briefje uit mijn broekzak en trof in dat propje een visitekaartje aan van ene Sven. Zijn naam en nummer zorgden voor een kortsluiting in mijn brein, waarmee enkele herinneringen zich nu om beurten naar de oppervlakte persten.

 

Een lange gang, zwarte muren, weinig licht, een ontmoeting gepland voor volgende week. Een meisje, een bange uitdrukking op haar gezicht in een lange zwarte donkere gang.

 

Waarom had ik een visitekaartje in mijn zak van iemand die ik me niet kon herinneren, want de naam Sven zei me niets. Nog onwaarschijnlijker leek het me dus dat ik met hem een ontmoeting zou hebben. Ik kon hem bellen, ik had tenslotte zijn nummer in mijn hand. Een vreemde angst bekroop me. Sven gaf me een naar gevoel, ook al wist ik niet waarom.

Ik draaide het kaartje om en las: “Sven de Raat – Bel me”. Er stond nog een andere naam bij “Paul – 0555 663968”. Shit, 2 kerels. Wat moest ik in godsnaam met 2 kerels?

Bellen naar één van de nummers durfde ik niet. Stel je voor dat Sven zou opnemen en me zou vertellen dat Paul niet kon ophouden met over me te praten omdat hij zo verliefd op me was, of dat we ‘het’ gedaan hadden. Ook al was ik helemaal niet zo, ik herinnerde me ook niets, dus in feite kon er van alles gebeurd zijn!

Ik staarde naar mijn lege bierglas dat 2 minuten eerder nog vol was geweest. De stress kroop als een koude paling van mijn tenen tot mijn kruin.

Waarschijnlijk was ik aan het overdrijven. Als ik zo doorging met rare dingen in mijn hoofd te halen, God, dan was ik binnen de kortste keren betrokken bij een moord, verkrachting of erger; een stuk of zes stoere motorrijders die me één voor één genomen hadden en nu wellicht wisten waar ik woonde en werkte. Oh God, ik werd gek van mijn op hol slaande hersenen en moest mezelf tot kalmte manen. Het zou allemaal echt zo erg niet zijn. Aan de andere kant; wat kon er nu zo erg zijn dat ik het had verdrongen?

Het meest voor de hand liggende wat ik nu kon doen was iemand bellen die op het feest was geweest en me kon vertellen wat ik daar had gedaan en vooral met wie ik was vertrokken.

Eerst besloot ik nog een biertje achterover te slaan en tegelijkertijd wist ik al dat ik echt niemand ging bellen, want ik wilde niets weten. Ik scheurde het kaartje in wel duizend stukjes zodat ik me niet kon bedenken.

Ik stak een peuk op, ook al had ik daar helemaal geen trek in en stak het stapeltje snippers in de fik. Gefascineerd keek ik naar het smeulende hoopje, de barman keek een stuk minder gefascineerd. Hij keek boos en verontschuldigend haalde ik mijn schouders op. Gelukkig was ik hier een bekende en kon ik wel met iets wegkomen.

Langzaam werd de kater al wat hanteerbaarder, mijn geheugen bleef echter een zwart gat, zo zwart als de gang die ik in een flashback had gezien.

Toen ik opstond van de tafel in “De Goot” om naar buiten te gaan was mijn brein redelijk afgekoeld. Verbazingwekkend hoe de aanstichter ook het medicijn kan zijn van je hoofdpijn. Tegelijkertijd bood de roes me het gevoel dat wat ik vandaag ook zou ontdekken, ik het wel aan zou kunnen, iets wat ik in nuchtere toestand nog niet zo zeker wist.

Bij het afrekenen van mijn drank keek ik hoeveel geld ik nog in mijn zak had. De koude rillingen schoten door me heen toen ik mijn opgefrommelde geld bekeek, er zaten bebloede briefjes bij. Ik keek geschrokken om me heen en propte ze snel terug in mijn zak. Naar huis moest ik, dat wist ik nu wel. Ik moest zo snel mogelijk mijn lichaam controleren op verwondingen, vooral… argh nee, daar wilde ik nu niet aan denken.

Sinds ik wakker was had ik me nog steeds niet omgekleed, ik wist eigenlijk niet eens meer te zeggen waar ik was opgestaan deze ochtend. Het leek wel of de kater me achtervolgde, want normaal gesproken kreeg ik herinneringen terug, nu leken er steeds meer te verdwijnen.

Ik gooide de deur achter me dicht en in een flashback zag ik mezelf de deur open houden voor een meisje. Een donkere ijzeren deur.

 

“Da’s een lelijke bult joh”, zei mijn huisgenootje Lente (zo heette ze echt en zo gedroeg ze zich ook, als een zonnige, warme lente).

“Waar?”, vroeg ik.

“Nou, hier…”, en ze wees naar mijn voorhoofd. “Heb je gevochten?”

“Nee,” ik schudde mijn hoofd, “je weet toch dat ik nooit vecht.”

 Maar zo zeker wist ik het zelf ook niet, ik wist überhaupt niks. “Ik ga even douchen”, ik draaide me om en liep de trap op.

“Oké, maak niet al het water op alsjeblieft”, zei ze, maar ik gaf geen antwoord meer, ik was sowieso niet van plan warm te douchen. Koud water had ik nu nodig, koud water om mijn hersenen wakker te maken.

 

“Nee, het is hier koud. Laat me niet alleen.” Een stem in mijn hoofd, een vergeten stem.

 

Ik schudde mijn hoofd alsof ik de stem daarmee kon verdrijven. Eerst doen wat ik me had voorgenomen. Ik trok mijn kleren uit, ze stonken naar kroeg, zweet en rook en nog iets anders, iets mufs.

Voor de spiegel keek ik naar mijn witte vel, op zoek naar sneden, blauwe plekken, andere wondjes, maar ik zag niets bijzonders. Bukkend voor de spiegel zag ik, de goden zij geprezen, ook geen tekenen van ongewenste intimiteiten. Een zucht van verlichting ontsnapte aan mijn lippen, maar tegelijkertijd vroeg ik me af wat dan hetgene was dat ik me zo wanhopig probeerde te herinneren.

Er zat alleen die bult op mijn hoofd, een teken van een niet al te grote worsteling. Met wie en waarom? Ik ben niet onhandig, dus vallen is niet mijn ding en ik ben ook nog nooit in elkaar geslagen. Het kon van een stoeprand zijn of een vuist, maar ongetwijfeld waren er nog talloze manieren waarop iemand een bult op zijn hoofd kon krijgen.

Ik keek in de spiegel en stelde me voor dat er een vuist op me af kwam. Het was goed mogelijk, maar zou ik dan niet meer verwondingen hebben? Een gekneusde hand, pijnlijke ribben? Nee, het leek me waarschijnlijker dat ik mijn hoofd tegen de taxi had gestoten of de rand van mijn bed en dat gewoon niet meer wist.

 

Een flashback overviel me weer. Een hand die op me afkwam met daarin een steen. Ik dook net te laat weg en werd geraakt. Meteen trok ik de deur dicht. “Laat me eruit!”, schreeuwde een vrouw.

 

Hoe was ik daar gekomen? Wie was ze? Ik herinner me plotseling een man, ja, het was Sven geweest, waarmee ik vertrok uit de kroeg. “Kom, we gaan katerjagen,” had hij gezegd tegen mij en een vriend (dat zal dan wel Paul geweest zijn).

“Katerjagen?”, had ik onnozel herhaald.

“Ja, achter de meiden aan, weet je wel?”, lachte hij. Ja, dát wist ik wel, maar hoe we dat gedaan hadden en of we succes hadden gehad, waar hij nu was, of Paul, dat was me een raadsel.

 

Weer een flashback… “Met mijn tong diep in je.” En inderdaad, mijn tong had in iemand gezeten. Maar in wie? Ineens herinner ik me wie het was. En ze was geen man. Ze kwam uit Amsterdam en we hadden niet echt veel gepraat. Gewoon getongd. Een zalige eeuwigheid leek het wel. Jezus, ik wist nu niet eens meer hoe ze heette.

De taxi, ik had in de taxi gezeten, alleen. Toch?

 

De kamer was donker. Intimiderend. Donker zonder enig licht. Vaak passen ogen zich aan en gaan zien in het donker. Dit donker bleef zwart. Élise was bevangen door angst. Het donker was zo donker en ze wachtte al zo lang.

“Ik kom heus wel terug,” had hij boos gezegd. Hoelang was dat geleden? Twee uur? Zes uur? Ze had geen idee.

Te lang in elk geval. Het enige dat ze nog hoorde was het geluid van haar eigen ademhaling. Haar benen had ze opgetrokken onder haar lichaam, zich zo klein mogelijk makend. In gedachten had ze zichzelf in een cocon gestopt en het voelde onveilig om een arm of been uit deze cocon te steken.

De deur van het vertrek moest wel dicht gekit zijn, hoe anders kon het dat er geen licht was. Ze voelde met haar handen aan haar ogen; geen blinddoek. Waarom kon ze dan niets zien? Ze luisterde. Haar adem, kort en paniekerig, verder niets. Geen troost van voorbijrazend verkeer of een druppelende kraan. Hoe lang nog voordat er iets zou gebeuren.

 

Ik bleef mijn hersenen de hele dag en de daarop volgende dag tussen het drinken door pijnigen. Hier en daar schoten flarden van de voorbije nacht op mijn netvlies, om net zo snel weer te verdwijnen. Een goede vriend verteld me dat ik lol gehad moest hebben, “Die meid had er echt zin in joh”. Hierdoor nam de spanning iets af, al bleef ik het vage vermoeden houden dat er iets belangrijks was dat ik me moest herinneren.

 

Hij had zo aardig geleken. Hoe vaak had haar moeder haar niet gewaarschuwd niet met vreemden mee te gaan… Maar ze had geen seconde twijfel gehad. Zelfs niet toen ze de trap van het grote graf afliepen. Hand in hand. Ze waren stiekem de begraafplaats opgelopen en helemaal naar het einde van het veld, het oude deel met onbezochte graven. Spannend, hij vond het spannend, zij vond het spannend.

Beneden was het graf veel groter geweest dan ze gedacht hadden, tenminste, ze ging ervan uit dat hij hier ook niet eerder was geweest, maar daar was ze nu niet meer zo zeker van.

Met hun mobiel hadden ze de tombe verlicht. Handige app, die zaklamp.

Hij ging even iets halen. “Ik doe de deur even dicht, zodat niemand ons licht ziet”, had hij warm gezegd. “Oké”, had ze vol vertrouwen gezegd. Hoe kon iemand zo warm klinken en zo koud zijn?

Hij was teruggekomen, met wat te drinken en te eten. Vervolgens begon hij haar te betasten en zijn tempo had haar afgeschrikt. Ze had getracht hem af te remmen toen hij zich bovenop haar liet rollen, maar merkte al snel dat dat niet lukte.

Met een steen, die ze op de tast vond, had ze geprobeerd hem van zich af te slaan, maar zijn hand om haar keel maakte dat ze zich slap voelde. Hij ging verder met wat hij wilde doen en al snel was ze het bewustzijn verloren. Toen ze bijkwam was hij weg en had ze overal pijn. En het was donker, dit was niet de tombe waar ze eerst was. Haar mobiel was ook verdwenen.

 

Élise had zichzelf inmiddels bevuild. Walgelijk, maar ze moest plassen en durfde niet op te staan. Nog steeds zat ze versteend in een hoekje, opgerold als een balletje.

Ze moest iets doen. Ze stond op, stak haar armen uit in het zwarte donker, ze zag nog steeds niets. Met haar handen als een blindenstok voor zich uit liep ze tot ze een muur raakte. Die was vochtig en koud. Overal waar ze voelde was steen en niets anders dan dat.

Ze mat haar gevangenis op door de stappen van hoek naar hoek te tellen. 16 Stappen naar de ene kant, 7 stappen naar de andere kant. Best groot. Ze maakte een kaart in haar hoofd, liep de hele dag door de ruimte te voelen, zodat, als haar aanvaller terug kwam, zij in het voordeel zou zijn. Dan zou ze kunnen ontsnappen.

Ze had het zo koud, ze had geen kleren aan. Dat realiseerde ze zich toen pas.

 

De avondzon was mooi oranje, ik zat in de tuin en moest mijn ogen dichtknijpen tegen het onverwacht felle licht. Ik had nog steeds hoofdpijn, ook al waren er inmiddels een paar weken voorbij sinds die bewuste avond.

Het geheugen is een raar iets. Als je iets wilt vergeten, dan zal het steeds terugkomen in je hoofd; hoe meer je iets wilt vergeten, hoe opdringeriger het wordt.

Dit was niet het geval wat betreft mijn verloren herinnering. Mijn geheugen hield nog steeds informatie voor me achter, daarvan was ik overtuigd. Ik bleef, ergerlijk genoeg, voortdurend het gevoel houden dat ik iets heel belangrijks vergeten was.

Ja, mijn hersenen weten het, dat moet wel om te weten welke informatie ze voor me moeten achterhouden. Alsof ze me beschermen voor een angstaanjagende waarheid. Ik vraag me af wat ik vergeten ben…

03/05/2016 20:28

Reacties (2) 

23/05/2016 12:58
Ik lees niet verder. Ik vind het verwarrend, het klopt namelijk niet.
Nee, dit is beslist niet mijn verhaal, dit vind ik vreselijk leeswerk.
Het verhaal van een rommelige geest.
1
23/05/2016 15:27
Hahahahaha. Ja, lezen valt ook niet mee.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert