Kort verhaal: De Schedel.

Door Arinka gepubliceerd.

Ik denk bijna de hele tijd aan de dood, als iets wat aan me zuigt tot ik er niet meer aan kan ontkomen. Het leven is zo fragiel dat het bijna een droom is, terwijl de dood alomtegenwoordig is en naar mijn aanvoelen oneindig is, terwijl het leven maar heel kort is.

Als kind ervoer ik al angst voor de dood en het gevoel dat de dood ons steeds vergezelt. Dikwijls had ik nachtmerries over dode dingen en mensen met ontbindende lichamen.
Het is een beetje een obsessie voor mij geworden. Ik kan uren kijken naar een dier dat overleden is, waarbij ik me verbaas over het wonder dat het net nog levend was en volledig functioneerde en nu een levenloos stukje machinerie is zonder bezieling.

De Dood houdt mij ook op een andere manier bezig: Ik spaar schedels. Kleine, grote, ronde, langwerpige, schedels in alle soorten en maten. Ik hou er van.

Vrienden helpen me mijn verzameling uit te breiden. Wanneer ze ergens een dood dier zien liggen, nemen ze het voor me mee. Na villen, uitbenen en langdurig koken hou ik dan uiteindelijk over wat ik zo mooi vind; een witte schedel die zo schoon en glad is dat hij wel van porselein lijkt.

Er is maar één probleem: Ik mis nog een schedel. Ondanks dat mijn verzameling een aanzienlijke omvang heeft gekregen door de jaren is het me nog altijd niet gelukt de mooiste schedel te bemachtigen, namelijk die van de mens.

Natuurlijk kan ik een schedel kopen, maar kijk, dat is nou juist niet de bedoeling. Mijn verzameling is tot nu toe volledig samengesteld uit natuurlijk vondsten. Toegegeven… Hier en daar een handje geholpen door mij. Als ik een diertje naar de andere wereld moet helpen om een schedeltje te krijgen dat ik nog niet heb, dan heb ik daar niet heel veel moeite mee.

Een mens vermoorden ging echter zelfs mij te ver.

Tot de tijd begon te dringen…

Met wat klachten kwam ik bij een arts terecht en deze dokter vertelde me dat ik nog zo’n drie maanden te leven had. Drie maanden waarvan hooguit de helft nog leefbaar zou zijn, de andere helft zou ik verdoofd moeten worden met pijnstillende middelen om niet gillend gek van de pijn te worden.

Gelukkig was ik behoorlijk high (ik gebruikte iets te veel drugs) toen hij me die boodschap gaf, want het leek me geen prettig vooruitzicht, zeker niet als je zoals ik bijna aan de completering van je verzameling bent gekomen en je op zo’n crue manier wordt gedwarsboomd. Ik huilde meer om het niet kunnen voltooien van mijn collectie dan om het bericht van mijn naderende dood.

Nadat ik mijn vrienden had ingelicht over mijn bijgestelde levensverwachting, besloten we dat we er een fijne tijd van moesten maken. Niet iedereen kon direct overstappen op de orde van de dag, maar ik maakte ze al snel duidelijk dat ik maar één doel voor ogen had en dat was het vinden van de perfecte schedel om mijn verzameling compleet te maken.

Een vriend grapte dat het jammer was dat ik dood ging en dat mijn eigen schedel nu een verloren schedel was. Zou het niet pas echt perfect zijn als ik mijn eigen schedel aan de collectie kon toevoegen. Een grap, maar een geniale, dat moest ik hem nageven. Het was in mijn hoofd nog niet opgekomen, maar het was het slimste wat iemand had kunnen bedenken.

Vastberaden keek ik hem aan. “Nee,” zei hij, “het was een grap, nee echt niet.”

“Ja,” zei ik, “je moet. Als ik dood ben, dan moet je doen wat ik anders zelf zou doen. Ik kan alvast een begin maken, maar ik kan het niet afmaken, dat weet je.”

Natuurlijk protesteerde hij, vanzelfsprekend bleef ik zeuren. Om de daad bij het woord te voegen en te laten zien dat ik het meende sneed ik nog voor hij me tegen kon houden voor zijn neus mijn neus af. Het deed me hels veel zeer, maar ik moest hem zien te overtuigen.

Het bloed spoot zo zijn gezicht in. Hij gilde dat ik moest stoppen. “Pas als je zegt dat je het doet!”

“Ja, ik doe het, maar we moeten het netjes doen. Niet zo dat je over een week bent leeggebloed!”

Daar zat iets in.

We maakten, nu ik eenmaal mijn zin had gekregen, in de dagen erna een uitgebreid plan welk deel van mijn schedel ik wanneer zou verwijderen. Sommige dingen had ik nou eenmaal langer nodig dan anderen. Oorschelpen kon ik eerder missen dan oogbollen om het maar eens te zeggen zoals het is.

We zouden beginnen met het vel van wangen en voorhoofd, vervolgens mijn haren, lippen, wenkbrauwen, oorschelpen, enzovoort. Als laatste pas de tanden, tong en oogbollen. Ik wilde me graag verstaanbaar blijven maken tot het einde en kunnen zien wie er bij me was, vond ik ook belangrijk.

De planning was belangrijk. We konden niet al te voortvarend te werk gaan, aangezien ik al genoeg pijn zou lijden van mijn ziekte. Deze pijn kon best wat vergroot worden, maar het moest natuurlijk wel aanvaardbaar blijven.

Mijn andere vrienden vonden het een afschuwelijk plan en probeerden ons ervan af te brengen. Begrijpelijk, maar ik was niet op andere gedachten te brengen en de vriend die me zou helpen begreep ook wel dat het zou gebeuren, met of zonder hem.

Mijn andere vrienden legden zich er dus bij neer. Tenslotte had ik niet zo heel lang meer aan deze zijde, dus ruzie gaan maken of wel of niet doen wat mij gelukkig maakte leek ook hen niet gepast op dit moment.

Ik werd er niet mooier op, om niet te zeggen dat ik een regelrechte engerd werd. Het was maar goed dat ik ten dode opgeschreven was, want met zo’n gezicht (of geen gezicht eigenlijk) kon ik me nergens meer vertonen. De dag dat ik voor het eerst het wit van mijn eigen schedel zag was ik zielsgelukkig, ondanks de gruwelijke pijn en het vooruitzicht dat er over enige tijd niets meer van mij zou bestaan dan dit wit.

Met mijn vingers streelde ik mijn losse vel tot mijn vingers bloederig over het bot gleden, het gaf me een vreemd soort opwinding. Tot mijn schaamte begon zelfs een bepaald lichaamsdeel erg enthousiast te reageren bij het betasten van mijn eigen beenderen. Hoe gek was ik eigenlijk altijd al geweest?

Tegen de tijd dat mijn levensverwachting op zijn eind liep, was ik al een aardig eind gekomen. Naar verwachting had ik nog zo’n 2 weken te gaan. De pijn was inmiddels in elk deel van mijn lichaam, maar vooral in mijn gezicht, zo ondraaglijk, dat ik meer bewusteloos was dan dat ik nog iets van mijn laatste levensdagen meemaakte.

Ik kon ook niet zeggen dat mijn lichaam pijn deed van mijn ziekte, ik had een vreselijke hoofdpijn, wat me gezien het scalperen niet vreemd leek. Als ik in de spiegel keek zag ik inmiddels een bijna witte schedel. De oogbollen zaten nog in de kassen, ik kon mijn hersenen via mijn slapen zien, Mijn jukbeenderen staken ver uit. Slechts mijn tong, mijn kaken en mijn ogen lieten zien dat ik nog niet dood was. Als ik ze bewoog tenminste.

Veel van mijn vrienden kwamen niet meer. Ze konden me niet meer ruiken, wat gek was, aangezien ik de enige zonder neus was. Ik denk dat ze het verterende vlees, de randjes langs nek en oogkassen, de afstervende lippen en de loshangende vellen hoofdhuid bedoelden. Ze konden de geur niet langer verdragen.

Het was slechts een kwestie van dagen voor mijn schedel perfect zou zijn. Dit zou werkelijk de mooiste schedel uit mijn verzameling worden.

Mijn vriend had me beloofd mijn verzameling wereldkundig te maken, opdat al mijn werk niet voor niets was geweest. Ik kreeg de indruk dat hij zowaar plezier begon te krijgen in het villen, ook al had hij het net als mijn andere vrienden moeilijk met de stank en het naderende afscheid.

Toch bleef hij trouw aan zijn afspraak met mij, al viel het hem bij tijd en wijlen behoorlijk zwaar.

Onze gesprekken werden korter, ik was vaker moe en een mond met lippen die niet langer ondersteund worden door gezichtsspieren en oren die niet langer het geluid ontvangen via oorschelpen bemoeilijken de communicatie op meer manieren dan ik kan uitleggen.

Het merkwaardige was dat ik, ondanks dat mijn gezicht haast geheel gevild was en het einde al ras naderde, me eigenlijk nog behoorlijk fit voelde. Het was alsof ik elke dag nieuwe energie kreeg van het zien van mijn eigen schedel.

Hele dagen zat ik voor de spiegel te genieten van mijn eigen uiterlijk. Ik kon ook niet begrijpen dat mijn vrienden niet meer kwamen, omdat ik zo afzichtelijk was geworden. Ik had mezelf nog nooit zo mooi gevonden eerlijk gezegd.

Nadat het einde had moeten zijn, was ik nog steeds fitter dan ooit en liet mijn vriend de arts komen die mijn dood voorspeld had. De man schrok zich haast zelf dood. Hij werd net zo wit als mijn schedel, al het bloed trok weg uit zijn gezicht.

“Wat heeft u gedaan?”, vroeg hij me geschokt.

“Ik heb mijn schedel blootgelegd, dat ziet u toch zelf ook wel.”

“Maar… waarom?”, hij begreep er niets van.

“Ja, duh, omdat ik dood zou gaan natuurlijk.”

“Hoe komt u erbij?”, riep de arts nu uit, “U bent nog jong, redelijk fit naar omstandigheden.”

“Ja, maar u zei het zelf tegen mij!”, riep ik nu terug.

“Nee! Jezus, hoe high was u eigenlijk?” brulde de arts nu wanhopig, “ALS u zo doorgaat, wordt het uw dood, dát heb ik gezegd!”

 

03/05/2016 20:28

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert