Kort verhaal: Het Gedicht.

Door Arinka gepubliceerd.

a1ae5b1a6462fd350d4e3e15443b8df5_1405285

Ze voelde zich ontspannen en blij van het meer. Het zachte, donkere water had haar geholpen om te kalmeren en haar geest was nu helemaal rustig.

Weg van de rumoerige, wereld van de catwalk lag ze te luisteren naar het zachte geklots van de golven. Ze voelde zich vredig. Alleen. Ongehinderd en vrij. Vrij om niets anders doen dan kijken, luisteren en dromen.

Londen, Parijs, New York…Namen die ooit een grote opwinding veroorzaakten, maar nu voor niks anders stonden dan verveling, frustratie en slavernij. Namen die had haar naar de rand van de afgrond hadden gebracht, waardoor ze ging twijfelen aan haar geestelijke gezondheid.

Maar hier was alles goed. Het meer, de bomen, het huisje. Ze voelde zich een met alles. Als ze kon kiezen, zou ze hier blijven voor de rest van haar leven. Dit was de plek waar ze ooit wilde sterven.

Plotseling trok er een grote donkere wolk voor de zon, de voorbode van een zware storm. De rimpelingen op het water, gevolgd door een frissere wind, duwden de golven heen en weer in het meer. Verderop kraste een eenzame onrustige vogel in de toren. Toen begon de donder.

Snel verzamelde ze haar spullen en rende naar het huisje. De regen als een waterspoor achter haar aan en tikkend op de bladeren van de bomen, waar ze onderdoor racete. Doorweekt en buiten adem, rende ze naar de deur van het huisje. Zodra ze binnen was brak de storm pas echt los.

Ze schrok, bij de open haard in het huisje stond een onbekende man.

'Hallo!', zei ze luid. Het was een vreemde manier om een complete vreemdeling te begroeten, die zomaar haar huis was binnen gevallen, maar het was het enige wat ze kon bedenken. Een simpele groet aan iemand die op haar leek te wachten.

'Moest je ook schuilen voor de storm?', vroeg ze.

De man zei niets.

Ze zou boos moeten zijn om deze onbeschofte inbreuk op haar privacy, maar woede of iets in die trant leek zinloos. Het was alsof het huisje van hem was, de haard van hem was, alsof zij haar toevlucht had gezocht achter Zíjn deur.

Ze keek naar hem, voorzichtig, wachtend op een verklaring. Hij zei niets. Geen woord.

'Ben je nat geworden?', vroeg ze.

Hij stond, ineengedoken bij de open haard, te staren naar de dovende vonkjes die van de blokken vielen. Ze liep naar hem toe, stootte hem even aan, maar hij bleef onbeweeglijk staan. De vlammen weerspiegelden in zijn ogen, gaven beweging aan het verdriet in het donkere zwart.

“Hij knielde en maakte een warm vuur, tot de dame kwam…”

De woorden, gesproken door hem in een rustige, toonloze stem, kwamen als een verrassing.

'Pardon?', vroeg ze.

Maar hij leek haar niet te horen. Alleen de rilling van de wind in de bomen en het giechelen van de regen op het rieten dak verstoorden de griezelige stilte.

Ze probeerde het nog eens. Het lijkt alsof het alleen maar slechter weer gaat worden vanavond, wilt u even blijven voor een tijdje?

Zijn ogen volgden haar terwijl ze haar jas uit trok en haar haren begon te kammen.

“Ze stroopte haar jas van haar schouders

En begon haar haren te borstelen…”

Poëzie, hij liep een gedicht op te dreunen, realiseerde ze zich nu.

Hij zag er inderdaad vaag uit als een dichter; Mager, verontrust, met een zekere bitterheid in zijn ogen en een grote hopeloosheid in zijn houding. Zijn stem was diep en donker, zoals het midden van het meer waar het water geen bodem leek te hebben.

Toch was dit niet zijn gedicht, ze voelde het. De woorden waren niet geschreven door hem. Ze voelden te vertrouwd, alsof ze zich de woorden herinnerde. Waar had ze ze toch eerder gehoord?

Heb jij dat geschreven?, vroeg ze in een nieuwe poging een praatje te maken. Hij glimlachte, een meelijwekkende glimlach, maar gaf geen antwoord. Hij bleef daar gewoon stilzwijgend naar haar kijken.

Ineens had ze het gevoel dat hij zichzelf toegang tot het huisje had verschaft in de wetenschap dat zij er zou terug keren. Hij had op háár staan wachten. Met een bedoeling. Ze was er zeker van. Voor de eerste keer voelde ze zich echt bang.

Ze draaide zich om naar het raam en keek in de donkere storm. Er was niemand buiten. Alleen de regen die onophoudelijk het huis geselde. Ze wist dat ze nooit naar het dorp zou kunnen rennen en niemand zou haar horen als ze het uitschreeuwde. Ze was alleen, helemaal alleen met deze angstaanjagend stille vreemdeling.

“Geen redding aan haar zijde

ze moest noodlottig worstelen…”

Dat gedicht, dat kende ze! Hoe ging het ook al weer? Waarom paste de tekst zo perfect bij wat er gebeurde? En waarom klonk het zo bekend?

Wat een vreselijke wind, zei ze zo nonchalant mogelijk. Misschien moet ik ervoor zorgen dat…

Ze begaf zich achterwaarts naar de deur. Hij draaide zich om en schudde langzaam zijn hoofd.

Ze stopte. Gehypnotiseerd. Ze kon geen stap meer verzetten om aan hem te ontkomen.

Het Lot, sprak de stem in haar hoofd, dit is je bestemming, waar je voor gemaakt bent. Londen, Parijs, New York, ongeacht waar je heen ging, je moest hier uitkomen. In dit huisje. Bij deze man.

Rustig liep hij naar haar toe, langs haar heen, naar de zware eikenhouten deur. De sleutel draaide in het slot. Voorzichtig, heel voorzichtig, nam hij haar bij de arm en leidde haar terug naar de haard en het laaiende vuur. Ze waren alleen en ze wilde schreeuwen, maar ze kon geen geluid uitbrengen.

“Ze wilde schreeuwen, rennen

ontsnappen kon niet meer…”

Dat gedicht! Dat verdomde gedicht! Hoe ging het verder? Alstublieft God, laat me het herinneren!

“Hij draaide haar haren

Losjes rond haar keel

Het aansnoeren van de lokken

Werd haar uiteindelijk teveel…”

Ze wist het einde. Het einde…

Snakkend naar adem keek ze hem aan toen ze langzaam haar laatste adem haar lichaam voelde verlaten. In zijn handen zag ze haar eigen lange lokken, die meerdere malen om haar keel gewikkeld waren.

“Langzaam gleed ze in de dood

Het leven verlaten door ademnood…”

 

03/05/2016 20:27

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert