Dativ: gebruik en vormen - Duitse naamvallen

Door Schweiz gepubliceerd.

De Duitse taal kent vier naamvallen: Nominativ, Genitiv, Dativ en Akkusativ. Afhankelijk van de functie van een woord in een zin verandert hierdoor het lidwoord (der, die, das, ein), persoonlijke voornaamwoorden (mein, mich, mir) enzoverder. In dit artikel komt u te weten wanneer u de Dativ moet gebruiken en hoe men die vormt. 

Wat is het en wanneer gebruik je de Dativ?

  • Het woord is het meewerkend voorwerp. In het Nederlands zie je dit door de vraag 'Aan / voor wie / wat?' te stellen. 
  • Na bepaalde werkwoorden gebruik je altijd der Dativ: begegnen, danken, dienen, folgen, helfen, gratulieren, gefallen, glauben
  • Bij 'Wie geht's ...?' (=Hoe gaat het?). Op de puntjes vult men meestal dir (informeel) of Ihnen (formeel) in.
  • Na volgende voorzetsels gebruik je altijd der Dativ: an ... vorbei, aus, bei, gegenüber, mit, nach, seit, von, zu
  • Tijdsbepalingen mét voorzetsel: Im Sommer, Am Mittwoch ...

​Hoe vorm je de Dativ?

  Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Bepaalde lidwoorden dem der dem den*
Onbepaalde lidwoorden (k)einem (k)einer (k)einem keinen*

* In het meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord een extra -n, bijvoorbeeld: den Kindern, den Männern

Zelfde uitgangen

Volgende woorden krijgen dezelfde uitgangen als de bepaalde lidwoorden: dieser, jeder, jener, solcher, welcher.

Bezittelijke voornaamwoorden (mein, dein, sein, ihr ...) krijgen in de Dativ dezelfde uitgangen als de onbepaalde lidwoorden: meinem, meiner, meinem, meinen ...

Samentrekkingen

In + dem = im

Zu + dem = zum

Meewerkend voorwerp in de Dativ

Eerder heb je al geleerd dat de Dativ gebruikt wordt als het woord een meewerkend voorwerp is. In het Duits kan men 'aan hem' of 'aan jou' vervangen door één enkel woord, respectievelijk ihm en dir. 

  Enkelvoud Meervoud
Eerste persoon mir uns
Tweede persoon dir euch
Derde persoon ihm (m.), ihr (v.), ihm (o.) ihnen
Beleefdheidsvorm (u) Ihnen  

 

Wechselpräpositionen in de Dativ

Naast de vaste voorzetsels heb je ook nog voorzetsels die ofwel een Akkusativ ofwel een Dativ aanduiden: dit zijn dus wisselvoorzetsels. 

De Wechselpräpositionen: an, aus, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen

Het woord dat hierop volgt staat in de Dativ als het werkwoord geen beweging is. Voorbeeldwerkwoorden zijn sein, bleiben, liegen, hängen, sitzen, stehen, sich befinden. 

Vor

Als het voorzetsel vor figuurlijk wordt gebruikt, dan is het bijna altijd gevolgd door een Dativ. Bijvoorbeeld in Angst haben vor ...

Links

07/04/2016 11:49

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert