Van probleemwijken naar prachtwijken

Door Guivanho gepubliceerd in Wetenschap en onderwijs

0d373842e075b2788d909d1e05c24d01_1348917

Van probleemwijken naar prachtwijken. dat was en is het streven van met name de PvdA. Het was één van hun kroonjuwelen. Dat streven bleek nog niet zo eenvoudig. Zeker wanneer je dat in historisch perspectief bekijkt.

Sociale infrastructuur, sociale cohesie, sociale integratie. Je ziet ze zorgelijk bij elkaar zitten: de ambtelijke werkgroep, die zich buigt over de gegevens van het zorgvuldig uitgekiende buurtmonitoringsysteem en zich het hoofd breekt over de vraag, welke ingrepen zo links en rechts althans de verwachting kunnen wekken, dat het tij van verloede­ring te keren is. In de term sociale infrastructuur ligt de bekommernis besloten van de overheid om greep te houden op sociale pro­cessen, die zich in wijken en buurten afspelen. De sociale integratie wordt door multiculturele tendensen bedreigd en het gevaar is aanwezig, dat zich een illegitieme sociale structuur ontwikkelt, waarop het zicht ontbreekt en die als potentiële brandhaard wordt aangemerkt. Dat moet dus worden voorkomen en de overheid probeert dat op een ra­tio­ne­le manier. Nulmeting, buurtmonitoring, professione­le in­zet, project zus, project zo en naderhand kijken of het iets uitge­haald heeft. De woon- en leefomgeving opgevat als een machine, die zo nu en dan doorgesmeerd wordt en/of een grote beurt moet krijgen. Nu van probleemwijken prachtwijken gemaakt moeten worden, komt de lat nog hoger te liggen.

De recnte geschiedenis

Het kan geen kwaad eens terug te kijken op de recente geschiedenis, want het ontwikkelen van aanpakken om de leefbaarheid van wijken en buurten te verbeteren is er niet van vandaag of gisteren. Bovendien zijn uit sociologische inzichten lessen te trekken omtrent de mate, waarin een samenleving maakbaar is.

Laten we eens teruggaan naar de periode van vlak na de tweede wereldoorlog in Nederland, toen ons land in puin lag en allerwegen initiatieven werden ondernomen om de wederopbouw, ook in sociale zin, ferm ter hand te nemen. Volksherstel was de term, waarmee de wederopbouw in sociale zin werd verwoord. Het was een beweging, die voortkwam uit de zogenoemde doorbraakgedachte. ‘Weg met de vooroorlogse tegenstellingen en scheidslijnen’, was het motto. In feite markeerde de beweging het begin van het einde van de verzuiling, ook al zou dit nog wel even duren. De verzuilde samenleving maakte het bevolkingsgroepen mogelijk min of meer met de rug naar elkaar toe te leven zonder dat dit ten koste van de samenhang binnen de Nederlandse samenleving als geheel hoefde te gaan. Mensen aan de top van elke zuil staken de koppen bij elkaar, bijvoorbeeld binnen de Raad voor Maatschappelijk Werk om de koek te verdelen, waarna het eigen stuk van de koek ten behoeve van de eigen achterban verder in mootjes werd gehakt. Volksherstel was een beweging, die hier dwars op stond. Bijvoorbeeld in het reeds bevrijde zuiden, waar het Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant ontstond. De clerus eist echter al snel een eigen plek binnen het bestuur van het orgaan op. Het welvaartsplan voor Noord-Brabant liet zien, waar dit toe leidde. Brabant werd opgedeeld in kernen, waarbinnen de industriële ontwikkeling op gang moest komen. Elke kern op fietsafstand van de mensen, die binnen de industrie hun brood moesten verdienen. De stad werd gezien als het oord van moreel verval, waar de werkman zo goed en zo kwaad als het ging vandaan moest worden gehouden. Kortom, maakbaarheid in optima forma, maar niet op een manier, waarvoor we momenteel de handen voor op elkaar zouden krijgen.

Leefbaarheid

Het zou tot aan het midden van de jaren zestig duren, voordat het bevorderen van de leefbaarheid zou worden ontdaan van bevoogdende en moraliserende noties. In de jaren vijftig sprak men van onmaatschappelijkheidsbestrijding en dat ging zover, dat mensen op wie die bestrijding zich richtte, in aparte wijken werden gehuisvest. Het woonschoolidee kwam in zwang. De wijk als school, waarbinnen onmaatschappelijken tot oppassende burgers zouden worden getransformeerd. De aanpak daarbij was integraal en multidisciplinair: maatschappelijk werk, gezinszorg, buurtwerk en zo meer werkten eendrachtig samen om het zo ver te krijgen. Het geld, dat ervoor nodig was, kwam van de overheid, die uiteraard wilde weten, of de investeringen in leefbaarheid ook iets uithaalden. Het bleek moeilijk om het resultaat in objectieve termen te benoemen, ook al drong de Tweede Kamer daar telkens op aan. Om een beeld te geven van de sfeer van die tijd een anekdote rond de Haarlemse Harmenjanswijk, één van de woonscholen in Nederland. De wijk lag aan het eindpunt van een buslijn en wanneer de bus bij die halte was aangeland, zei de chauffeur: ‘Alle asocialen uitstappen’.

Midden jaren zestig volgt er een omslag. Er ontstaat een debat over de vraag, of dit nu wel de manier is om met problemen van achterstand en leefbaarheid om te gaan. Onmaatschappelijkheid wordt omgemunt tot het neutralere andersmaatschappelijkheid en de aanpak, die in woonscholen en achterstandswijken wordt ontwikkeld, heet voortaan opbouwwerk in bijzondere situaties. Van wederopbouw tot opbouwwerk. Was Volksherstel het begin van het einde van de verzuiling, opbouwwerk was het vervolg van dat begin. Het toenmalige Ministerie van Maatschappelijk Werk nam gaandeweg het verzuilde particuliere initiatief in de tang. De overheid rammelde met de geldbuidel, maar deed dat niet voor niks. In besturen van instellingen, die zich met opbouwwerk , samenlevingsopbouw, overleg en advies bezighielden, zaten nog wel zuilenvertegenwoordigers, maar hun invloed was tanende. De beroepskracht moest immers door zijn werk laten zien, of het gespendeerde geld wel goed terechtkwam. Dat geld ging bijvoorbeeld naar de agrarisch-sociale voorlichting om ook het platteland mee op te stuwen in de vaart der volkeren. Het kwam terecht in achterstandswijken en in achterstandsdorpen. Het kwam terecht in steden van enige omvang om overlegstructuren te creëren om, wat er op het gebied van leefbaarheid ter stede gebeurde, op elkaar af te stemmen. Van dat laatste zogenoemde vergaderopbouwwerk is nu niets meer over. Van de verzuilde samenleving is nog maar zo weinig meer over, dat er niet veel meer is om op elkaar af te stemmen. Dat wil niet zeggen, dat er momenteel geen afstemmingsproblemen zijn, maar ze zijn anders van karakter. Maar daarover later meer.

De jaren zestig

De democratiseringsbeweging eind jaren zestig laat ook haar sporen na op het opbouwwerk. Het werken aan leefbaarheid staat in het teken van het streven naar mondigheid. De bewoner dient te worden begeleid naar een situatie, waarin hij zijn eigen lot ter hand kan nemen. Dit emancipatiestreven neemt in de jaren zeventig nog radicalere vormen aan. De opbouwwerker benoemt zichzelf tot bondgenoot in de klassenstrijd, ook al beseft hij, dat hij niet als zodanig op de loonlijst van de instelling staat bij wie hij werkt. Het is het begin van het geitenwollensokkenimago, dat dit werk nog jarenlang zal achtervolgen. Maar eerst is er in 1973 het kabinet Den Uyl, dat streeft naar een open en meer ontspannen samenleving, een streven, dat als de oliecrisis eenmaal is losgebarsten, al gauw tamelijk illusoir blijkt te zijn. Wat er van dat streven overblijft, is uiteindelijk de decentralisatie van welzijnsbeleid. Wat plaatselijk moet worden aangepakt, moet ook plaatselijk gefinancierd worden. Het zou tot midden jaren tachtig duren, voordat dit ook daadwerkelijk werd gerealiseerd, toen welzijnsgelden rechtstreeks naar het gemeentefonds gingen. Na het succes van de stadsvernieuwing, waarin bewezen werd, dat het betrekken van bewoners bij fysieke ingrepen van wijken wel degelijk kan renderen, raakt het opbouwwerk in de versukkeling. Deels door de overspannen verwachtingen, die men over zichzelf heeft afgeroepen, deels doordat het herstelbeleid van Lubbers tot rigoureuze ingrepen leidde.

Stedenbeleid

Vanaf het einde van de jaren tachtig ligt de nadruk op stedenbeleid en dat is nu nog zo. Probleemcumulatiegebiedenbeleid (PCG), sociale vernieuwing, stedenbeleid, grotestedenbeleid, probleemwijkenbeleid. Wat al die initiatieven gemeen hebben is het streven naar integraliteit. De harde en zachte sector gaan hand in hand en de overheid heeft de bewoner nodig, omdat zonder diens medewerking de leefbaarheid van wijken en buurten niet duurzaam is. Met andere woorden; de betrokkenheid van de bewoner draagt bij aan de instandhouding van de kwaliteit van de woonvoorraad. Met name nu raken woningbouwcorporaties in toenemende mate van dit besef doordrongen. Er is echter een probleem. Juist in de probleemwijken, die prachtwijken moeten worden, is de bevolkingssamenstelling drastisch veranderd. Door de instroom van allochtonen en de uitstroom van autochtonen, die zich er niet meer thuis voelen.

Maar er is meer. Decentralisatie, plaatselijk financieren van wat plaatselijk wordt aangepakt, is een logische gedachte. Er zijn echter verschillende vormen van decentralisatie. Wanneer gemeenten zich met leefbaarheid van wijken bemoeien dan is dat een vorm van territoriale decentralisatie. Aan het bevorderen van leefbaarheid zitten ook andere aspecten. In wijken en buurten wonen ook ouderen, gehandicapten, jongeren. Categorieën voor wie voorzieningen met name in de zorgsfeer in het leven zijn geroepen. Als je die voorzieningen plaatselijk in wil zetten is er sprake van zogeheten functionele decentralisatie. Hoe kun je de inzet van dergelijke voorzieningen in harmonie brengen met wat er in meer algemene zin aan het bevorderen van leefbaarheid wordt gedaan? Het gaat immers om een integrale en multidisciplinaire aanpak. Om de verkokering, die op de loer ligt, te vermijden heeft de overheid de laatste jaren van alles bedacht. Geïntegreerde indicatiestelling, de Wet Voorzieningen Gehandicapten, Gemeentelijk Onderwijsachtstandsbeleid en recentelijk de Wet Maatschappelijk Ondernemen. Om van probleemwijken prachtwijken te maken dienen alle voorzieningen die met de leefbaarheid van die wijken te maken hebben, op elkaar te worden betrokken. Een hels karwei, dat nog moeilijker wordt, als je in het geval van Rotterdam en Amsterdam, ook nog eens te maken hebt met de binnengemeentelijke decentralisatie: deelgemeenten en deelraden.

In die probleemwijken, die prachtwijken moeten worden, speelt bovendien levensgroot het probleem van de multiculturele samenleving. Hoe vallen ambities te realiseren, wanneer vele allochtone bewoners zich er niet zozeer vestigen uit liefde voor de Nederlandse samenleving, maar meer uit materiële overwegingen èn omdat men zich geen betere huisvesting kan veroorloven? Wanneer ouders zich niet verantwoordelijk voelen voor wat hun kinderen op straat uithalen? Wanneer duistere zaken beduidend meer opleveren dan wat met een laaggekwalificeerde baan kan worden verdiend? Daar komt nog bij, dat na 9/11, na Fortuyn en na de moord op Theo van Gogh mensen met een islamitische achtergrond meer en meer met de nek worden aangekeken. Hoe kun je van probleemwijken prachtwijken maken, wanneer de wind zo tegen zit? Het stellen van dergelijke vragen is makkelijker dan het proberen te formuleren van slechts het begin van een antwoord.

Niet geschoten is altijd mis

Kan de sociologie troost bieden? Het valt moeilijk aan te geven, wat alle aanpakken sinds de tweede wereldoorlog nu eigenlijk hebben uitgehaald. Samenlevingsverbanden zijn permanent aan verandering onderhevig. Een proefopstelling, waarbij in het ene geval wèl wordt geïntervenieerd en in het andere niet, is niet goed mogelijk. Minimaal kun je zeggen, dat niet geschoten altijd mis is. Als je niks doet, weet je zeker dat niks helpt. Buurten en wijken veranderen, maar vertonen ook een zekere stabiliteit, evenwicht. Wanneer de stabiliteit verstoord is, dan lijkt het een logische gedachte, dat interventies gericht zijn op het bereiken van een nieuw evenwicht. Een leefbare samenleving is tegelijkertijd een dynamische en een stabiele samenleving. Het is vergelijkbaar met de economie. Er valt moeilijk zaken te doen, wanneer je niet kunt vertrouwen op de afspraken, die aan dat zakendoen ten grondslag liggen.

Als je het hebt over dynamische en stabiele wijken, dan stuit je onvermijdelijk op het thema vrijheid en binding, waarmee de sociologie zich vanaf haar ontstaan heeft beziggehouden. Ik had het over de verzuilde samenleving. Binnen die samenleving, was de verhouding tussen vrijheid en binding op een bepaalde manier ingevuld. Bevolkingsgroepen waren vrij zich te verenigen binnen hun eigen zuil, terwijl het zuilensysteem zelf fungeerde als bindend element. Soms hoor je onder verwijzing naar de islamitische bevolkingsgroep in Nederland een pleidooi voor herzuiling. Daartoe bestaat binnen ons onderwijsbestel bijvoorbeeld ruimte, maar het benutten van die ruimte is niet zonder haken en ogen. De kwaliteit van het onderwijs op islamitische grondslag is veelal niet om over naar huis te schrijven. Dat komt omdat de islamitische zuil, voorzover aanwezig, zich niet goed laat vergelijken met de traditionele zuilen, zoals die er in Nederland waren. Die zuilen kenden een piramidale structuur met een gegoede top, een brede middenklasse en een nog bredere onderklasse. Het kader om een islamitische zuil op te tuigen is te klein. In het publieke domein klinkt het geluid van fundamentalistische imams harder door dan meer gematigde tonen. Mensen zijn vrij om hun geloof te beleven. Vrij ook om dat in gezamenlijkheid te doen. De binding met rest van de samenleving is echter nauwelijks aanwezig. Als je van probleemwijken prachtwijken wilt maken, dan zul je op zoek moeten naar manieren om allochtonen meer aan deze samenleving te binden, te wijzen op het belang van leefbaarheid nu en, met het oog op hun kinderen, in de toekomst.

De term multiculturele samenleving is een contradictio in terminis. Want zonder een dominante cultuur houdt een samenleving op samenleving te zijn, omdat gedeelde normen, waarden en handelswijzen nagenoeg ontbreken. Ingroei binnen de heersende westerse Nederlandse cultuur is het enige, dat erop zit, wanneer je volwaardig lid van deze samenleving wilt zijn. De vergelijking met hoe het met de Molukkers is gegaan dringt zich op. Die ingroei is niet zonder slag of stoot gegaan, maar de treinkapingen hadden wel tot gevolg, dat een stevig begin is gemaakt met hun integratie. Evenwel, in tegenstelling tot de Molukse bevolkingsgroep, zijn de mogelijkheden van Turken en Marokkanen om zich op het moederland te blijven oriënteren veel groter. Processen van mondialisering houden niet op bij de grenzen van de wijk.

Als ingroei het enige is dat er op zit, dan is daarmee nog niet alles gezegd, want uiteraard wordt een samenleving beïnvloed door de aanwezigheid van een grote groep allochtonen. De heersende cultuur pikt altijd een graantje mee van de nieuwkomer. De stelling lijkt niet gewaagd, dat culturele innovatie voorwaarde is voor een effectieve aanpak van probleemwijken, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Een voorbeeld: de Marokkaanse samenleving is autoritair en ten dele corrupt. Als je in zo’n land woont, dan is steun van je eigen familie voorwaarde om je binnen de samenleving staande te houden. De verhouding tot de overheid is louter instrumenteel, nuttig voor zover je er je voordeel mee kunt doen. Naast de familie biedt ook het geloof enig houvast. Mensen, die er een ander geloof op na houden, of nog erger, helemaal geen, hebben het bij het verkeerde eind. De generatie, die zich met deze bagage in Nederland heeft gevestigd, zit niet alleen in een isolement, maar staat ook de integratie van hun kinderen binnen de Nederlandse samenleving in de weg. Die kinderen weten beter de weg binnen deze samenleving dan hun ouders, spreken de taal en zo meer. Dat ondermijnt het ouderlijke gezag. Niet voor niets wordt de roep om opvoedingsondersteuning steeds krachtiger.

Overheidsautisme

Laten we eens kijken naar het voorbeeld van Rotterdam ten tijde van de doorbraak van Leefbaar Rotterdam onder aanvoering van Fortuyn. Ik heb hier een kaart van Rotterdam liggen, waaruit valt op te maken in welke wijken de winst van Leefbaar Rotterdam het grootst was. Het zijn met name de wijken, die dreigen te verkleuren en die grenzen aan wijken met grote concentraties allochtonen. Wanneer je met een blinddoek op neergezet wordt in sommige delen van Feyenoord, dan zou je je, afgezien van het klimaat dan, ook kunnen wanen in een deel van Istanboel. In andere wijken van Rotterdam, Vreewijk bijvoorbeeld, zou je je kunnen wanen in een Drents dorp. Aan het succes van Fortuyn in Rotterdam ligt de jarenlange PvdA-hegemonie ten grondslag, althans de uitwassen daarvan. Die hegemonie heeft ertoe geleid, dat de Partij van de Arbeid gaandeweg een heel netwerk van steunpunten in de ambtelijke gemeentelijke organisatie heeft opgebouwd. Het welzijnswerk in het algemeen en leefbaarheidsinterventies in het bijzonder wordt vanuit de deelgemeenten gesubsidieerd, terwijl ook vanuit de centrale stad initiatieven op dit vlak worden ondernomen. Het begon ermee, dat bewonersorganisaties in buurten en wijken al lang niet meer een afspiegeling vormden van de bevolkingssamenstelling van de wijken. Niettemin gingen welzijnsinstellingen af op de signalen, die die gestaalde kaders afgaven, al was het maar om subsidies veilig te stellen. En dan heb je het lijk hangen. Instellingen vertellen rooskleurige verhalen richting ambtenarij en de ambtenaren op hun beurt maken daar mooie verhalen van richting politiek. Interventies raken daardoor losgezongen van wat er in buurten en wijken daadwerkelijk aan de hand is. Het is een vorm van overheidsautisme, dat door Fortuyn genadeloos is afgestraft.

Curieus is, dat in Rotterdam een ‘niet lullen, maar poetsen’-mentaliteit heerst, terwijl Amsterdam behept is met een nogal morsige bestuurscultuur. In Amsterdam heeft een omslag à la Fortuyn niet plaatsgevonden en de verklaring daarvoor kan, denk ik, deels gevonden worden in het feit, dat in Amsterdam meer dan in Rotterdam steeds wisselende coalities aan de macht waren, waardoor een dergelijke verstarring niet op kon treden. Dat wil nu ook weer niet zeggen, dat de problemen in Amsterdam minder zijn. Problemen worden er wellicht meer schouderophalend bejegend vanuit de vage verwachting, dat ooit de wal het schip wel zal keren.

Tot nu toe heb ik de aanpak van probleemwijken vooral beschreven vanuit het oogpunt van leefbaarheid, al was het maar om dit aspect wat nadrukkelijker te benoemen dan veelal gebeurt. De harde kant van wijkvernieuwing is echter het plegen van fysieke ingrepen. Renoveren wat nog te renoveren is en afbreken en opnieuw bouwen, wanneer het eerste niet meer loont. Bij dat afbreken en opnieuw bouwen speelt een onbewezen veronderstelling vaak een rol. Namelijk het idee, dat menging van huur- en koopwoningen de leefbaarheid van wijken ten goede komt. Het idee is, dat wanneer men erin slaagt mensen met een ruimere beurs naar de opgeknapte probleemwijk te lokken, de vitaliteit van de samenleving wordt bevorderd. Dat is echter nog maar de vraag. Raken die mensen echt betrokken op de wijk, waarin ze wonen? En waar blijven de mensen, die uit hun goedkope huurwoningen moeten verdwijnen ten gunste van meer kapitaalkrachtige nieuwkomers? Door zo te denken breng je wellicht onbewust een onderklasse van woonnomaden op drift, die de ene probleemwijk verruilen voor de andere.

Voortschrijdend inzicht

Het streven om van probleemwijken prachtwijken te maken is prachtig, maar er zitten, zie boven, veel haken en ogen aan. Het is een streven, dat met name door de Partij van de Arbeid op de agenda is gezet. In de politieke arena zijn echter centripetale krachten aan de gang. Ter linkerzijde is er het succes van de SP, die gewild of ongewild buiten het centrum van de politieke macht blijft. Ter rechterzijde is er Wilders, die met zijn ‘islam-bashing’ nu niet bepaald het klimaat schept om met kracht te gaan werken aan de verbetering van de leefsituatie van allochtonen in probleemwijken. Aan het streven naar die prachtwijken ligt geen breed gedeelde consensus ten grondslag. Slechts vanuit zo’n consensus kan een élan ontstaan. Vergelijk het met het élan van de wederopbouw van na de oorlog. De samenleving is slechts maakbaar, voorzover mensen bereid zijn zich daarvoor in te zetten. Bewoners, bestuurders, politici. En zelfs dan is het resultaat van die inzet ongewis, omdat vrijwel niemand het gehele veld van noodzakelijke ingrepen kan overzien. Kennis over wat interventies uithalen wordt opgedaan tijdens het interveniëren zelf. Het is een circulair proces van, naar te hopen valt, voortschrijdend inzicht.

Wie geïnteresseerd is in meer historische achtergronden van achterstandbestrijding, moet beslist het boek van Suzanna Jansen eens lezen. Een mooi boek!

Geraadpleegde bronnen:

Nijenhuis, H. Werk in de schaduw. Club- en buurthuizen in Nederland 1892-1970. Stichting Beheer ILSG, Amsterdam

Neij R. en E.V. Hueting. 1988. Nederlands Volksherstel 1944-1947. Een omstreden hulporganisatie in herrijzend Nederland, Lemma. Culemborg

In verband met Brabant. Beschouwingen bij het vijftigjarig bestaan van het Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant, 1997, Tilburg

Millikowski, H.Ph. 1967.Lof der onaangepastheid. Boom, Meppel

Tienen, A.J.M. van. 1960. De andersmaatschappelijken, een sociologische benadering van het verschijnsel onmaatschappelijkheid ten dienste van het maatschappelijk werk. Assen

Neij, R. 1989. De Organisatie van het Maatschappelijk Werk. Zutphen .

Hueting, E. 1989. De Permanente Herstructurering in het Welzijnswerk. Zutphen.

Hueting & Neij. 1989. Aanhangsel. Zutphen.

Peper, A. 1972. Vorming van welzijnsbeleid. Evolutie en evaluatie van het opbouwwerk. Boom. Meppel

De eerste tien jaren van het Ministerie voor Maatschappelijk Werk 1952-1962. ’s-Gravenhage, 1962

Tienen, A.J.M. van en W.A.C. Zwanikken.1969. Opbouwwerk als een sociaal-agogische methode.Deventer

Kleijn, G.de. 1985. De staat van de stadsvernieuwing. Amsterdam

Touraine, A. 1994. Qu’est-ce que la démocratie. Fayard, Parijs.

Touraine, A. 1997. Pourrons-nous vivre ensemble? Égaux et différents, Fayard, Parijs

Beck, U. 1986. Risikogesellschaft: auf dem Weg in eine andere Moderne. Suhrkamp, Frankfurt am Main.

Lindo, F.1996. Maakt cultuur verschil? De invloed van gedragspatronen op de onderwijsloopbaan van Turkse en Iberische migrantengroepen

Pels, T. 1991. Marokkaanse kleuters en hun culturele kapitaal; opvoeden en leren in het gezin en op school. Leiden.

Kemper, F.H.C. 1996. Religiositeit, etniciteit en welbevinden bij mannen van de eerste generatie Marokkaanse moslimmigranten. Nijmegen

Mak, G. 2007. De engel van Amsterdam. Amstel Uitgevers

 

20/01/2016 14:13

Reacties (3) 

21/01/2016 09:58
Wel een lang verhaal en als ik dan zie wat ze hier doen tegen Probleemwijken...

Ze gooien de goedkope huizen en flats plat en zetten er duurdere voor terug, Hierdoor moeten de oorspronkelijke bewoners vanzelf verhuizen want de buurt word veel te duur.

Inmiddels zijn de overgebleven probleemwijken 10x zo groot geworden en de problemen net zo. Nederland is langzaam bezig met het creëren van zijn eigen Ghetto wijken.... (geen Id waarom het zo genoemd word, de oorspronkelijke betekenis heeft namelijk vrij weinig met het probleem te maken.) Neem bijv. Hoogvliet Rotte...
20/01/2016 16:42
De maakbaarheid van de samenleving: een vurige wens van vooral politici van linkse signatuur. Maar het is een illusie.
Je kunt nog zoveel geld in een aso-wijk stoppen: die weten daar wel raad mee. Daar zijn talloze voorbeelden van, uit steden en zelfs uit dorpen. Als je 'leuke dingen voor de mensen' doet zal de meerderheid het gebruik daarvan naar eigen inzicht invullen, en die zal maar zelden stroken met het beeld dat de politieke wereldverbeteraars daarmee voor ogen hebben gehad.
Het enige wat reëel is: handhaaf de wetten consequent. Laat nooit toe dat misdadige subculturen domi...
20/01/2016 14:56
Goed artikel, kan het me nog allemaal goed herinneren, ook hier in het zuiden vlogen projecten voor achterstandbestrijding als paddenstoelen uit de grond en kwamen er veel opbouwwerkers hierdoor aan de bak.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert