Fragment uit de biografie van assepoester.

Door Margareth Trix gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Iedereen kent wel het verhaal van Assepoester, het arme meisje dat hard moest werken voor haar stiefmoeder en stiefzusters en uiteindelijk trouwde met de prins en nog lang en gelukkig leefde. Zo begint en eindigt het verhaal wel, maar niet velen weten de echte waarheid hoe het kwam dat ze met de prins trouwde.  Dit kom je in het volgende fragment te weten.

aa75f1c0f315c1e70b2798efbeef72b9_medium.

Iedereen denkt dat de afgezanten van de koning van deur tot deur gingen om ieder huwbaar meisje het schoentje te laten passen, in feite was dit wel waar, maar natuurlijk hadden ze iemand vergeten. Rarara wie dat was, Assepoester natuurlijk. Hoe dat kwam? Om de verdomde reden dat op de avond dat de afgezanten van de koningen kwamen, de stiefmoeder ’s avonds champignonsoep wou hebben. Assepoester moest dus nog paddestoelen gaan plukken in het grote bos niet ver daar vandaan. Toen ze in het bos was begon ze vlug te plukken want ze had haar stiefmoeder tegen haar stiefzusters horen zeggen dat de afgezanten van de koning kwamen. In haar haast om champignons te vinden ging ze steeds dieper in het bos, toen ze genoeg geplukt had merkte ze plots dat ze verdwaald was en dat het begon te schemeren. Al gauw werd het pikkedonker en vond ze de weg niet meer terug. Hopeloos keek ze om zich geen, maar nergens vond ze enig herkenningspunt. Verslagen omdat haar kans met de prins verkeken was, ging ze tegen een boom zitten en begon zachtjes te huilen, waarna ze emotioneel uitgeput uiteindelijk in slaap viel. Nu kun je denken dat haar kans nog niet helemaal verkeken was, ze moest gewoon ‘s morgens de weg naar huis zoeken, stiekem mooie kleren van haar stiefzusters stelen en zich bij het kasteel aanmelden. Eenmmaal daar kon ze eisen om het glazen schoentje te passen waarna ze met open armen ontvangen zou worden door de prins. Alleen had Assepoester het lef en de moed niet om zoiets te doen, in feite was ze toen echt een trutje als je vergelijkt met het einde van het verhaal, maar niet vooruitlopen op de feiten, dat is voor straks. Assepoester had dus de nacht doorgebracht in het bos, maar toen ze de volgende morgen wakker werd stond er een grote, mysterieuse man met spleetoogjes en een rare, lange snor voor haar. Geschrokken kroop Assepoester overeind en probeerde weg te rennen, maar de geheimzinnige figuur hield haar tegen.

“Vrees niet,” zei hij:” ik ben de Grote Wijsheer uit het verre Oosten en van heiden en verre ben ik op zoek naar U, de Uitverkorene. Na al die tijd heb ik U eindelijk gevonden, we hebben geen tijd te verliezen. Pak uw zwaard zodat we kunnen vertrekken.” Assepoester die er niets van begreep stond met open mond naar de Grote Wijsheer te kijken. “Kom, pak uw zwaard!” zei hij met aandrang terwijl hij naar de grond keek. Daar waar de avond ervoor nog haar mand met paddestoelen stond, lag nu een zilveren zwaard. Ze pakt het zilveren zwaard en bekeek het aandachtig. Terzelfder tijd begon de wijsheer een oud lied te zingen over onverstaanbare dingen en op de golven van zijn gezang werden ze naar het Verre Oosten gebracht. Ze landden op een omvangrijk binnenplein van een tempelcomplex waar iedereen een zwaard zoals dat van Asepoester droeg, alleen waren hun zwaarden uit ijzer in plaats van zilver. Stomverbaasd stond ze te kijken naar al de mensen rondom haar. Toen de mensen haar zagen bogen ze eerbiedig en zongen hetzelfde onverstaanbare lied zoals de Grote Wijsheer had gedaan. De Wijsheer zag haar kijken en zei:” Dit zijn alle samoerai die U zal aanvoeren in de strijd tegen de kwelgeest Rai-Kho.” “Ik, aanvoeren?” stammelde Assepoester. “Ja, jaren geleden ben ik op pad gestuurd in opdracht van onze edelmoedige keizerin Tchi. Ze beviel mij om de Uitverkorene die vermeld wordt in de heilige, voorspellende annalen te zoeken en mee te brengen. Alleen de Uitverkorene die zuiver van hart is zal in staat zijn om ons van de gesel te bevrijden en weer geluk en voorspoed in ons land te brengen.” zei de grote wijsheer met een diepe en vermoeide zucht. Ingetogen eindigde het lied van de samoerai die toen één voor één het binnenplein verlieten op één grote strijder na. “Asjepoe,want zo werd ze genoemd in de heilige Annalen,  laat mij U voorstellen aan mijn zoon Watanabi, hij zal U opleiden tot een professionele samoeraikrijger. Verder zal hij u meer uitleg geven over Rai-Kho. Meer kan ik nu niet meer doen dus bij deze vaarwel. Wij zullen elkaar wederzien op de dag van de Glorieuze Overwinning. Die dag zal ik U terug naar huis voeren dat beloof ik u.” En met een grote zwaai van zijn grijze mantel verdween hij. De grote samoerai die tot nu toe nog niets gezegd had, maakte een hoffelijke buiging en nodigde haar uit voor een rondleiding in het tempelcomplex. Niet echt happig ging ze met hem mee want wat kon ze anders doen? Met één klap van zijn grote handen kon hij haar buiten westen slaan. Wat zou hij doen als ze nee zei? Misschien was het beter om voorlopig mee te gaan in heel hun verhaal. De rest van de dag leerde Watanabi Asjepoe de leefregels van hun gemeenschap tot het tijd werd voor het avondmaal. De volgende morgen begon een intensieve training. Van zonsopgang tot zonsondergang werkten Asjepoe met Watanabi hard aan haar krijgskunsten en mogelijke strategieën om van Rai-Kho te winnen. Hoewel Asjepoe Watanabi in het begin niet graag had begon ze hem steeds meer te appreciëren. Hij was heel behendig en slim. Ideeën over haar voorgaande leven begonnen te vervagen. Soms vroeg ze zich zelfs af of het niet gewoon een droom was geweest.3cc7cf7088fcae9a9291b0d81b77e5f7_medium.

 

Dagen gingen voorbij, weken en uiteindelijk maanden, maar aan het begin van het nieuwe jaar sloeg het noodlot toe wanneer het vijandige leger succesvol de beschermende bergketens doorkruist had. Op de grote dalvlakte stonden Asjepoe en haar manschappen oog in oog met Rai-Kho en zijn immens, persoonlijk leger. Asjepoe voelde de moed in haar schoenen zakken, maar met Watanabi naast haar zijde zou het wel lukken. Het moest gewoonweg lukken!

Onder leiding van de Uitverkorene waren de samoerai vol goede hoop en begonnen ze de strijd met veel krijgslust. Hoewel Asjepoe haar leger groot was slonk het aantal krijgers vlug doordat uit iedere dode samoerai van Rai-Kho een nieuwe uitrees. Rai-Kho zijn leger was onuitputbaar, niemand zou dit leger ooit kunnen verslaan. Watanabi probeerde samen met een aantal samoerai de tegenstanders te verpletteren door stenen, maar het haalde niets uit. Meer en meer samoeraikrijgers raakten gewond, waaronder ook Watanabi. Hij was geraakt door een pijl die zijn hals doorboort had. Asjepoe rende naar Watanabi toe. Ze liep op hem toe en probeerde hem nog te redden, maar hij stierf in haar armen. Al deze tegenslagen maakte Asjepoe zo radeloos dat ze uit pure wanhoop zelf op Rai-Kho af stormde. Zonder zich iets aan te trekken van al de zwaarden die haar probeerden te stoppen liep ze door het slagveld tot bij Rai-Kho. Met een luide kreet pakte ze haar zilveren zwaard. Rai-Kho had de tijd niet om zijn zwaard te trekken of Asjepoe hief haar zwaard reeds boven haar hoofd en spleet Rai-Kho in twee, recht door zijn hart. Niet meer de grote tuttebel van in het begin, hé. Als bij toverslag losten Rai-Kho zijn leger op in het niets, de eens gevreesde krijgsheer zonk in de grond en alleen een hoopje as bleef over. Uit de as groeide langzaam een witte lotusbloem. Als uit dit miserabel hoopje verdriet de bloem van hoop kon groeien, dan zou deze slachting misschien niet voor niets geweest zijn.

De doden, waaronder Watanabi, werden begraven en de overlevenden vierden een overwinningsfeest. Asjepoe zelf voelde zich leeg, haar taak was volbracht, maar wat er haar nu te wachten viel? Ze voelde zich doelloos en alleen. Naar huis kon ze niet en hier wou ze ook niet blijven want deze plek deed haar te veel denken aan Watanabi, haar grote krijger die in de strijd gesneuveld was. Nu pas begreep ze hoe erg ze op hem gesteld was geraakt, hoe erg ze van hem hield. Plots voelde ze een warme hand op haar schouder. Geschrokken draaide ze zich om, hopend om Watanabi te zien. Tot haar grote teleurstelling  was het de grote Wijsheer die achter haar stond. De wijsheer ging naast haar op de grond zitten. “Hier geloven we dat de ziel na de dood verhuist naar een ander lichaam. Welk lichaam de ziel krijgt hangt af hoe hij zijn vorig leven geleid heeft. Watanabi heeft zijn leven gewijd aan het beschermen van dit rijk en is ook voor dit nobel doel gestorven. Het komt wel goed met hem. Ja, hij zal het goed hebben, het kan niet anders.” zei de Wijsheer meer tegen zichzelf dan Asjepoe. Langzaam stond hij op en sprak: “Ik heb U beloofd dat ik U zou terugbrengen en volgens mij is dat moment aangebroken. Asjepoe knikte en stond lusteloos rechtop. De wijsheer zette het begin in van een droevig, onverstaanbaar lied en op de golven van de melodie werden ze naar huis gevoerd. Aangekomen in het bos beëindigde de Wijsheer zijn lied en zei:” Ga naar huis, het is uw huis nu.” Asjepoe keek de Wijsheer vragend aan. “ U dacht toch niet dat we U zomaar naar huis zouden sturen. U hoeft zich geen zorgen meer te maken over uw stiefmoeder en stiefzusters, daar heb ik persoonlijk voor gezorgd. Ga nu maar, alles komt goed.” Met een glimlach om zijn mond draaide hij  zich om en op de mysterieuze manier hoe hij gekomen was vertrok hij. Nu stond Asjepoe daar alleen in het bos, ze had zelfs nog haar samoerai wapenuitrusting aan. Futloos liep ze naar huis, zich vertwijfeld staande houdend met de laatste woorden van de Samoerai in gedachten.

 

Thuis aangekomen herkende ze het huis en de tuin niet meer, de vervallen villa was een beminnelijk landhuis geworden. Het landweggetje was in een nette kasseibaan verandert, zelfs de kleine boompjes op de oprit waren kanjers van bomen geworden. Assepoester ging naar de deur maar voor ze kon kloppen ging deze open en daar stond een deftige man die een hoofdbuiging maakte en zijn meesteres verwelkomde. Assepoester begreep het niet maar de oude dienaar vertelde alles. De vorige meester was een rare man geweest, kort nadat de voorgaande meesteres en haar twee dochters gestorven waren aan een mysterieuze ziekte had de man het huis gekocht. De man of de wijsheer zoals hij zichzelf graag noemde had het huis herbouwd. Gedurende 40 jaar dat het huis in zijn bezit was had hij er maar een paar maanden in gewoond tot hij eergisteren weer verscheen en vertelde dat hij het huis verkocht had aan een krijgersvrouw met een zilveren zwaard.

 

De prins was vele jaren eerder, ondanks zijn liefdesverdriet om het meisje met het glazen muiltje, getrouwd met een hofdame. De prins was koning geworden en had een flink uit de kluiten gewassen zoon gekregen, de nieuwe kroonprins. De koningszoon had de geschikte leeftijd om te trouwen, maar hij refuseerde dit met ieder mogelijk excuus. Al maandenlang droomde hij dat hij een samoerai was en stierf door een pijl in zijn hals in de handen van een mysterieuze krijgsvrouw. Merkwaardig genoeg had hij op de plaats waar hij in zijn droom geraakt werd in realiteit ook een litteken. Nacht na nacht droomde hij van deze moedige vrouw en werd tenslotte smoorverliefd op deze krijgster. In zijn hart was er geen plaats behalve voor haar. De koning die niet gediend was met al zijn uitvluchten  huwde hem uit aan de dochter van een invloedrijke baron uit het naburige koningrijk. De koning, de koningin en de prins vertokken in hun koets naar de toekomstige bruid, maar onverwacht begon het fel te regenen en brak een as van hun koets. Noodgedwongen zochten ze onderdak en kwamen ze aan in het landhuis van Assepoester. De rest kan iedereen wel voorspellen, de prins herkende Assepoester als zijn geliefd uit zijn dromen. Na Assepoester er van overtuigd te hebben dat hij, de prins, in feite haar beminde Watanabi was, viel ze in Watanabi’s armen en liet hem niet meer los. De koning herkende haar als het meisje met het glazen muiltje wel maar zweeg want uiteindelijk was hij goed getrouwd en zij zoon zag er gelukkiger uit dan ooit. Kort daarop trouwde Assepoester met de prins en samen leefden ze nog lang en gelukkig.  Einde

 

Waarschijnlijk zijn er nu wel kritische mensen die zich afvragen hoe ik dit allemaal weet en of mijn bronnen wel 100%  betrouwbaar zijn. Ik kan iedereen verzekeren dat ik mijn informatie uit eerste hand heb. Deze biografie is misschien wel wat subjectief, dat moet ik toegeven, maar het is wel ik die de biografie of liever gezegd de autobiografie van mijzelf heb geschreven, dus als ik de waarheid wat wil verdraaien, is dat toch mijn volste recht of niet?

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.
10/01/2016 21:16

Reacties (5) 

12/01/2016 06:34
Je mag van mij alles verdraaien wat je wilt, zolang je maar wel blijft schrijven want dat kun je heel goed.
1
12/01/2016 10:12
dank u wel, het grote probleem is inspiratie vinden
12/01/2016 10:14
Nou maak er maar je van, anders voel ik me zo vreselijk oud. -))
1
12/01/2016 10:17
In west-vlaanderen spreken we veel met ge en u in plaats van je. Het heeft niet zozeer met beleefdheidsvorm te maken, eerder een gewoonte.
12/01/2016 10:53
Weet ik. er zitten veel Belgen (Vlamingen en meer van die leuke mensen) op Plazilla en Tallsay.
Heerlijke mensen.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden. Tallsay.com is onderdeel van Plazilla Ltd.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert