Alzheimer

Door Zevenblad gepubliceerd.

Er is een categorie mensen die je niet kunt helpen als zij hun grip op de realiteit verliezen. Bij hen is er geen sprake van een psychische stoornis, al lijken de symptomen er soms bedriegelijk veel op. Deze patiënten horen tegenwoordig ook niet meer bij een psychiater oude stijl thuis, maar eerder bij een neuroloog of neuropsycholoog. De onderliggende kwaal is doorgaans Alzheimer, Parkinson of een progressieve aderverkalking (vasculaire dementie).
 
Het zijn patiënten bij wie een - met de nu beschikbare middelen niet behandelbaar - fysiek resp. organisch defekt in de hersenen optreedt. De grootste groep zijn bejaarden die bij beginnende dementie hiaten in hun geheugen met verzonnen verhalen opvullen en later, bij gebrek aan een eigen identiteit, in een andere huid proberen te kruipen. Soms is er ook sprake van een ingrijpende karakterverandering: rustige, kalme patiënten worden ineens druk en opvliegend, extroverte, gezellige ouderen worden passief en stil, en altijd brave oppassende burgers doen ineens de meest bizarre, voor hun omgeving onbegrijpelijke dingen. Je ziet ook vaak onvoorspelbare manisch-depressieve stemmingswisselingen.
Hun impulsbeheersing neemt af: er kan sprake zijn van felle woedeuitbarstingen, ongefundeerd wantrouwen, irreële angsten en niet zelden zelfs van laakbaar gedrag. Een van de bekende voorbeelden is de keurige, altijd zo preutse grootvader die ineens in een volle bus een jonge meid in strakke jeans in de billen knijpt.  Voor hun familie is het buitengewoon moeilijk om met deze uitspattingen om te gaan, maar het zal nauwelijks helpen als men deze mensen bestraft of met algemene burgerlijke fatsoensregels confronteert. Dat is voor velen inmiddels een brug te ver. Het eindstadium is compleet decorumverlies.
 
Omdat deze (voornamelijk ouderdomsgerelateerde) kwalen bij de huidige stand van de medische wetenschap onomkeerbaar zijn is een behandeling bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Je kunt ze natuurlijk volproppen met psychofarmaca, maar wat je dan overhoudt zijn zombies die nauwelijks meer aanspreekbaar zijn.
 
Maar soms - heel soms! - is er ook iets geheel anders aan de hand.


HET CASINO

In het casino in het Duitse Bentheim, vlak over de grens bij Oldenzaal, kende iedereen haar - de croupiers, het bedienend personeel en de stamgasten: een keurig gekleed oud dametje dat zich twee keer per week per taxi vanuit Nederland over de grens liet brengen en drie à vier uur later weer liet ophalen.
Ze kwam op vaste avonden: vrijdag en zaterdag. Meestal at ze eerst een hapje in het bijbehorende restaurant. Een kleinigheid maar - maar wel altijd van de onderste helft van de menukaart. Een goed gevulde bisque d'homard, een kleine steak van de ossehaas of een filet de sole meunière, en altijd een mocca met friandises tot slot.
Het bedienend personeel was idolaat van haar. Niet eens omdat zij altijd royale fooien gaf, maar vooral omdat zij altijd vriendelijk, begripvol en goedgemutst was. Hetzelfde gold voor de croupiers en het personeel in het casino zelf.
Ze schatten haar op ongeveer tachtig jaar, maar het kon ook een paar jaartjes meer of minder zijn.
Haar kleding was eerder simpel en een beetje ouderwets, maar van uitstekende kwaliteit. Ze droeg geen sieraden, alleen af en toe een antieke camee aan een lange gouden ketting. Het meest opvallende aan haar was echter een grote donkergroene leren handtas die zij altijd in het oog hield. Dat was heel begrijpelijk, want daar zat een plat cederhouten sigarendoosje in dat elke keer tot aan de rand gevuld was met bankbiljetten.
Eenmaal aangekomen bij het loket waar je de fiches kon kopen kwam het doosje uit de tas. Ze leek zelf niet te weten hoeveel er telkens aan contanten in zat - de kassier telde de inhoud en vulde het doosje met fiches: handen vol schijfjes in alle kleuren van de regenboog. Vervolgens stapte zij met gedecideerde pasjes richting roulettetafel waar men onmiddelijk plaats voor haar maakte en een stoel voor haar aanschoof.
Ze begroette vriendelijk de croupier en begon te spelen. Ze zette niet in op nummers, alleen maar op zwart of rood. Ze schoof stapeltjes fiches op de daarvoor bestemde vlakken en verdubbelde haar inzet - of verloor. Bij verlies zag je op haar gezicht geen zichtbare teleurstelling, bij winst geen gebaar van opluchting of blijdschap. Vaak eindigde zij met een lege sigarendoos, maar soms bleef zij winnen. Dan schoof ze de croupier een stapel fiches toe en verhuisde ze naar de blackjack tafels waar ze meestal haar eerdere winsten verspeelde - met hetzelfde onbewogen pokerface. Ze dronk nooit alcohol, alleen maar mineraalwater met een schijfje citroen.
 
Zodra haar taxi zich bij de ingang terugmeldde stond zij op, lachte iedereen vriendelijk toe, zwaaide naar het personeel en verdween opgewekt door de hal richting uitgang.
Er deden nogal wat geruchten over haar de ronde. Dat zij de weduwe van een schatrijke fabrikant uit Hengelo was of een erfgename uit een oud geslacht ergens in de grensstreek, - of dat zij gewoon de jackpot in de loterij gewonnen had en niet wist wat ze met al het geld moest beginnen. Niemand kende haar naam, en de taxichauffeur werd kennelijk zo goed betaald dat die voor geen geld kwijt wilde wie zij was en waar zij vandaan kwam.

HET ONDERZOEK

Ik kom zelf nooit in casino's.
Al deze observaties, typeringen en beschrijvingen las ik in een stapel papieren die een notaris mij toegezonden had, samen met het verzoek om ene mevrouw S. aan een standaardonderzoek naar haar geestelijke gesteldheid te onderwerpen en daarover een deskundigenrapport uit te brengen. Dat rapport was bedoeld om in een voogdijzaak gebruikt te worden: om precies te zijn ging het om een verzoek tot ondercuratelestelling van mevrouw S.. Het verzoek was door haar bezorgde familie gedaan.
 
Mijn assistente maakte via de notaris een telefonische afspraak met haar en op een middag verscheen mevrouw S. in mijn praktijk. Per taxi.
Het was inderdaad een dame van de oude stempel. Ondanks haar rimpels oogde zij jonger dan zij was - vierentachtig op de kop af. Kaarsrecht nog, met intelligente blauwe ogen zonder bril. Het spierwitte haar was in een dikke knot in haar nek gedraaid, maar langs haar oren krulden enkele eigenwijze lokken die haar iets jeugdigs en opstandigs gaven: dit was allesbehalve een zielig uitgeblust oud mensje op weg naar een verpleeghuis.
'Ik had kennelijk geen keus', kwam ze mij alvast tegemoet. 'Ik begrijp dat ik verplicht was hier te verschijnen. Laat ons dit dan maar zo snel mogelijk afhandelen'.
 
Ik had natuurlijk een vragenlijst klaarliggen: deels over haar persoonlijke omstandigheden en deels over haar 'uitspattingen' aan de overkant van de grens. Ik vroeg haar om eerst in het kort haar levensloop te schetsen. Dat deed zij zonder veel omhaal.
Ze was geboren in Utrecht, had daar het lyceum geabsolveerd en was - na een onderduikperiode van 1942 tot 1945 op het Groningse platteland - in 1946 aan een studie Nederlands recht in haar geboortestad begonnen. In 1950 trouwde zij met de enige zoon van een zakenrelatie van haar vader. Die nam in de jaren zestig het familiebedrijf van zijn vader over en breidde dat aanzienlijk uit.

Toen haar man in 1988 overleed was zij de enige erfgename, want kinderen hadden zij nooit gehad.
Mevrouw S. had in hun beider bedrijf meegewerkt, maar voelde er weinig voor om het in haar eentje voort te zetten. In hetzelfde jaar verkocht zij alles aan een geïnteresseerde concurrent en belegde de opbrengst in aandelen. Na de beurskrach in 1987 kwam zij in een opwaartse trend terecht die haar kapitaal in twee jaar tijds verdubbelde. Vlak voor de koersval van 11 september 2001 stapte zij over op participaties in onroerend goed en verdubbelde haar investeringen nog eens. In 2006 hield zij het voor gezien. Ze was toen bijna tachtig en had meer dan genoeg vermogen opgehoopt om het ooit nog op te kunnen maken.
Zij woonde alleen, nog steeds in hetzelfde grote huis waar zij nu al bijna 50 jaar woonde. Ze had een huishoudster en een tuinman - een kinderloos echtpaar in de vijftig - die in het voormalige gastenverblijf hun intrek genomen hadden. Verder was zij gezond, zei ze met een fijne glimlach. Ze kon nog wel negentig worden of méér, had haar huisarts gezegd.

FAMILIEBANDEN

De enige familie die er nog over was waren de twee kinderen van de zuster van haar overleden man: een aangetrouwde neef en nicht dus, die af en toe kwamen logeren toen ze nog op school zaten. Na de dood van haar schoonzuster had zij amper meer iets van hen gehoord, en ze had hen in geen jaren meer gezien.
'Ik weet natuurlijk wel dat die twee nauwelijks kunnen wachten tot ik dood ben', besloot zij, 'maar daar weet ik wel iets op'.
Het was haast gênant om haar de verplichte vragen te stellen: of zij wist welke datum het die dag was, wie de ministerpresident was, hoe de koningin heette en hoeveel 5 maal 21 was, maar ze leek te begrijpen dat dat bij de procedure hoorde. Zij nam het mij ook niet kwalijk.

Dan begon ik over haar uitstapjes naar Bad Bentheim.
Ze lachte hartelijk, haast aanstekelijk. In haar ogen verschenen pretlichtjes en ze leek ineens nog veel jonger dan voordien.
'Ja', zei ze, 'dat steekt! Ze hebben mij een privédetective op het dak gestuurd die moet bijhouden wat ik zoal uitspook. Ze kunnen namelijk niet afwachten tot ik onder de zoden lig. Onder curatele stellen willen ze mij nu, mij dement laten verklaren, alleen maar om het beheer over mijn geld te krijgen.'
 
'Mevrouw', zei ik, 'het is natuurlijk mijn vak niet, maar waarom maakt u geen testament? Als het uw eigen kinderen niet zijn kunt u toch alles aan een goed doel nalaten?'
'Nee', zei zij, en haar ogen werden een fractie smaller. 'Er staat een clausule in het testament van mijn man dat bij mijn overlijden het restant naar zijn familie gaat. Ik mag het vermogen naar eigen inzicht gebruiken of zelfs vérbruiken, maar schenkingen of legaten mag ik niet doen. Wat overblijft gaat naar hen. Een legitieme portie hebben zij niet, maar zij hebben volgens zijn laatste wilsbeschikking recht op het restant. Het is een zogenaamde 'fideï-commis de residuo' erfstelling.'
 
Een langstlevenden-testament dus, met een vastgelegde bestemming voor het overblijvende deel waarover mevrouw S. noch bij testament, noch bij legaat of schenking kon beschikken.
Ze mocht het wél opmaken natuurlijk. Zo is de wet.
 
Ik kon niet anders dan met haar meelachen. De duiveltjes in haar hemelsblauwe ogen leken te dansen. Zij had met gemak mijn moeder kunnen zijn, maar ik vond haar eigenlijk een wijf om te zoenen.


 
Ik deelde haar heel formeel op voorhand mee dat ik geen enkele reden zag om haar geestelijke gezondheid in twijfel te trekken.
Toen ik later het uitgeprinte deskundigenrapport over de 'verstandelijke vermogens van de door mij onderzochte persoon' ondertekende zat ik weer te grinneken. Ik zag haar zó voor mij: met het sigarendoosje vol fiches op schoot, aan de roulettetafel...

(foto's van Google)

 

03/01/2016 19:08

Reacties (7) 

24/02/2016 08:44
Eentje waar ik al smadelijk om heb gelachen op Plazilla, blijft een leuke om te lezen! :)

Zou ze nog leven?
04/01/2016 12:50
blijft een leuk verhaal.
03/01/2016 21:11
Erg leuk om weer eens te lezen. Ondanks dat ik fan ben krijgt ik je up-dates niet te zien. Heb hetzelfde probleem bij Nonnie, zal toch Tim eens vragen hoe dat zit
1
03/01/2016 21:54
Het is een geïmporteerd artikel uit Plazilla, vandaar. Bij nieuwe artikelen zou je een melding moeten krijgen.
1
03/01/2016 22:17
Zo, dat is snel, heb al antwoord voor ik je de vraag heb gesteld.
Maar, bv Candice importeert ook artikelen uit Plazilla en die krijg ik wel te zien, komt dat dan omdat zij het artikel bewerkt of aangevuld heeft o.i.d.?
1
03/01/2016 23:22
Ja, ik denk het wel. Zal het nog even nalopen voor de zekerheid.
24/02/2016 08:47
Nee ik doe het de Canny way,

Ik zet het even offline en dan weer online en dat doen er al meerderen sindsdien ... die tip van mij is overigens geheel gratis. En het werkt ook nog. -))
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert