De week van Jos. Novelle-hoofdstuk 5

Door Koen V gepubliceerd.

De week van Jos. Novelle-hoofdstuk 5. Dit is een novelle die ik een aantal jaren geleden heb geschreven, veel leesplezier.

Hoofdstuk 5.

“Kom binnen, jongen, kom binnen.” Oom Koos was joviaal als altijd, Jos had hem nog nooit met een slecht humeur meegemaakt. Met in zijn linkerhand het in alle haast aangeschafte bosje bloemen voor tante Anja gaf hij oom Koos een hand.
“Tante Anja is nog even naar de supermarkt om een onmisbaar artikel te halen, iets dat met eten te maken heeft, als ik mij niet vergis.”
Jos hing zijn jas aan de kapstok en legde het bosje bloemen in de keuken op het aanrecht.
“Ga zitten, jongen, ga zitten. Vertel eens hoe het vrije leven je bevalt, ik kan je wel vertellen dat je moeder het er moeilijk mee heeft. Kleine jongens worden groot heb ik haar gezegd. Zo is het toch?”
Een spraakwaterval was oom Koos altijd al geweest en hoe ouder hij werd des te erger leek het te worden. Misschien dat Jos hem daarom zo graag mocht, oom Koos had iets dat hijzelf zo ontbeerde. De mogelijkheid om ongecompliceerd met mensen te praten, precies dát had hem zojuist op de veerpont zo opgebroken.
“Je hebt een eind moeten fietsen, dus je lust vast wel iets te drinken zou ik zo denken. Wat wil je? Cola, of is het tegenwoordig bier geworden nu je op jezelf woont?”
“Cola is goed hoor, oom Koos. Ik lust gewoon geen alcohol.”
“Je hebt gelijk jongen, er is al genoeg ellende in de wereld dankzij de drank. Zelf drink ik weinig hoor, alleen in het weekeinde en op feestdagen zoals vandaag.”
Oom Koos liep naar de keuken om de drankjes te halen. Dat gaf Jos de tijd om de woonkamer in zich op te nemen. De inrichting was ouderwets maar vooral ook versleten. Jos wist dat tante Anja en oom Koos het financieel niet breed hadden. Oom Koos was net zoals zijn vader van Drenthe naar Amsterdam gekomen om werk te zoeken. Werk dat hij uiteindelijk had gevonden bij de ADM-scheepswerf in Amsterdam Noord. Na een bedrijfsongeval, oom Koos was van een steiger gevallen, was hij in de WAO beland. Van deze uitkering konden ze volgens de vader van Jos maar amper rond komen. In ieder geval hadden ze niet voldoende geld om nieuwe meubels te kopen. Het bankstel waarop hij zat was behoorlijk sleets en over de stoelen zaten grand-foulards. Storen deed dit alles Jos totaal niet, hij was zelf bepaald niet materialistisch ingesteld. Sterker nog, hij stoorde zich soms behoorlijk aan de huidige wegwerpmaatschappij. Mensen leken tegenwoordig nog slechts interesse te hebben in materiële zaken zoals auto’s en woninginrichting. Jos begreep dat niet, als een stoel of bank nog niet versleten was, dan was het toch zinloos om al een nieuwe te kopen? Dat hele gedoe met computers en internet was ook al zoiets, als je niet het allernieuwste model computer had, dan telde je tegenwoordig absoluut niet meer mee, werd je digibeet genoemd. Zelf had Jos thuis geen computer, die had hij ook niet nodig. In al die viespeukerij op internet was hij überhaupt niet geïnteresseerd.
Oom Koos kwam de kamer binnen met een glas cola voor Jos en een biertje voor hemzelf.
“Proost, jongen, op de verjaardag van tante Anja.” Dat diezelfde tante Anja er zelf niet was maakte voor oom Koos blijkbaar niet uit.
“Zullen we even wachten met proosten tot tante Anja er zelf is,” stelde Jos voorzichtig voor. Hij wilde oom Koos niet voor het hoofd stoten maar voelde toch de behoefte er iets van zeggen.
“Ach, daar heb je natuurlijk gelijk in, ze zal er zo wel zijn.” Intussen nam hij toch maar vast een slok van zijn glas bier.
“Hoe gaat het op je werk tegenwoordig?”
Dit was de rituele vraag die oom Koos altijd stelde als hij Jos zag.
“Dat gaat prima, oom Koos.”
“Verzekeringen, da’s goede handel,” mijmerde oom Koos. “Mensen willen zekerheid en daarom zullen verzekeringsmaatschappijen altijd goed boeren. Goeie branche, beter dan de scheepsbouw, dat kan ik je wél vertellen.”
Ondanks het feit dat het arbeidsongeval dat hem was overkomen door de ADM netjes was afgehandeld, bleef oom Koos toch wrokkig naar zijn oude werkgever toe. Hoewel Jos die houding niet terecht vond, kon hij er toch wel een beetje begrip voor opbrengen. Oom Koos zat nu al bijna twintig jaar thuis met een kapotte rug en daar werd een mens nu eenmaal niet vrolijk van.
“Kun je goed met je collega’s opschieten?”
Ook dit was weer een vraag die oom Koos iedere keer weer stelde.
“Een goed contact met je collega’s is belangrijk, jongen, het gaat erom dat je met z’n allen de klus weet te klaren. Saamhorigheid is van groot belang op het werk.”
Om te voorkomen dat oom Koos begon te vertellen over het feit dat hij na zijn ongeluk nooit meer iets van zijn collega’s had gehoord besloot Jos te vertellen over Saskia. Iets dat hij normaal nooit zou doen, hij zag er echter tegenop het verhaal over de collega’s van oom Koos voor de zoveelste maal aan te moeten horen.
“Met de meeste kan ik prima opschieten, alleen Saskia haalt me soms het bloed onder de nagels vandaan met haar gezwets over haar weekeinden.”
Oom Koos keek verrast naar zijn neef, dit was de eerste keer dat hij vertelde over zijn collega’s.
Net op het moment dat Jos wilde vertellen over de seksueel getinte verhalen van Saskia hoorde hij de voordeur open gaan en kwam tante Anja de kamer binnen. Jos stond direct op om haar te feliciteren.
“Fijn dat je er bent Jos, we hebben je al veel te lang niet gezien.”
Plotseling moest hij denken aan de woorden van zijn moeder. Tante Anja en oom Koos waren zelf kinderloos gebleven en omdat ze in Amsterdam maar weinig kennissen hadden, nam Jos een apart plaatsje bij hen in zo had zijn moeder hem eens uitgelegd. Misschien kon hij af en toe eens wat aandacht aan ze besteden?
Hij was dus een soort substituut kind, dacht Jos. Problemen had hij daar niet mee, hij begreep het wel. En omdat hij tante Anja en oom Koos graag mocht  kostte het hem ook geen enkele moeite om regelmatig bij ze op bezoek te gaan. Soms bleef hij ook eten, net zoals vanavond.
“Het is altijd weer fijn om hier te zijn,” zei Jos, de woorden van zijn moeder indachtig. “Het is alleen een eind fietsen en ik heb het op mijn werk soms erg druk.”
“Dat begrijp ik hoor, het is ook belangrijk dat je nu je eigen leven op gaat bouwen.”
Nadat tante Anja haar jas had uitgetrokken en oom Koos iets voor haar te drinken had ingeschonken proostten ze op haar verjaardag, het deed haar zichtbaar genoegen.
Binnen korte tijd stond het eten op tafel. Net zoals zijn moeder was tante Anja geen experimentele kok, ook hier kwamen de traditioneel Hollandse gerechten op tafel en daar hield Jos erg van. Van al die nieuwe buitenlandse gerechten zoals Chinees en Thais moest hij niets hebben. Liever at hij een balletje gehakt met boontjes.
Tante Anja had een zuurkoolschotel gemaakt omdat ze wist dat Jos daar dol op was.
“Heerlijk tante Anja, net zoals mijn moeder het maakt.” Hij wist dat hij haar een plezier met die opmerking deed.
Jos was blij dat oom Koos niet meer over zijn werk begonnen was. In het bijzijn van tante Anja had hij het beslist onprettig gevonden om over de seksueel getinte opmerkingen van Saskia te praten.
Direct na het eten stonden de ouders van Jos voor de deur, zij kwamen ieder jaar trouw op de verjaardag van tante Anja maar bleven om de één of andere reden nooit eten. Jos had zich nooit afgevraagd waarom dat was maar het als vaststaand feit geaccepteerd, hoewel hij vermoedde dat zijn vader niet graag bij anderen at.
Tante Anja en zijn moeder verdwenen naar de keuken om koffie te zetten en ongetwijfeld om te kletsen. Zoals ieder jaar bleven oom Koos en zijn vader aan tafel zitten, Jos hield ze gezelschap. Gewoontegetrouw werd het nieuws besproken. Oom Koos sprak graag over de falende politiek in Nederland en vond bij de vader van Jos een gewillig oor.
“Ze vergeten dat wij de huidige samenleving hebben helpen opbouwen,” sprak oom Koos. “Wij hebben ons jarenlang in het zweet gewerkt tegen een mager salaris en als je dan zoals ik arbeidsongeschikt raakt krijg je net iets teveel geld om te verhongeren, maar te weinig om van te leven. Zoiets zou toch niet moeten kunnen?”
Jos had van zijn vader wel eens gehoord dat oom Koos een fervente aanhanger van de toenmalige Communistische Partij Nederland was geweest. Wat zou hij stemmen nu de communisten geen eigen partij meer hadden? Jos had er oom Koos nooit naar gevraagd omdat politiek hem geen zier interesseerde. Stemmen deed hij zelf altijd trouw op het CDA, echter zonder de illusie dat zijn stem er werkelijk toe deed. De politici deden immers toch wat ze zelf wilden.
“Met de premies die wij jarenlang hebben afgedragen worden nu de buitenlanders betaald,” verzuchtte de vader van Jos. “Ik weet wel dat je zoiets tegenwoordig niet mag zeggen, maar toch is het zo. Bij ons in de buurt zie ik veel volwassen mannen de hele dag rondhangen, het kan niet anders dan dat die in de bijstand zitten.”
Oom Koos knikte vol begrip.
“Ik kan me niet voorstellen dat die mensen het hier naar de zin hebben. Ik heb wel eens gehoord dat de meeste Turken en Marokkanen hier afkomstig zijn van bergdorpjes. Het is toch logisch dat die mensen het in een grote stad als Amsterdam niet kunnen rooien?”
“Ze zijn hier naar toe gehaald om goedkoop te werken,” zei oom Koos met enige stemverheffing. “Het waren goedkope arbeidskrachten voor de rijke bazen, die op die manier nog rijker werden. En wij arbeiders raakten onze banen kwijt aan de moslims. Die stomkop van een Den Uijl heeft dat allemaal laten gebeuren. Dat die man zich nog socialist durfde te noemen. Fraaie boel. De Nederlandse arbeiders raakten hun baan kwijt aan die gastarbeiders, en die genieten nu van de sociale verzorgingsstaat die ome Joop den Uijl achter heeft gelaten. Met als gevolg dat wij nu moeten werken voor de uitkeringen van die gastarbeiders.”
Dat oom Koos zelf niet meer werkte, vergat hij maar even voor het gemak. Jos durfde er niets van te zeggen. Oom Koos had inmiddels een paar biertjes gedronken en Jos wist dat hij zich dan altijd opwond over de buitenlanders.
Gewoontegetrouw kwam er appeltaart van de HEMA op tafel. Jos, die zelden taart at, liet het zich goed smaken. Na verloop van tijd ging hij bij zijn moeder en tante Anja aan de keukentafel zitten omdat hij zich begon te irriteren aan zijn vader en oom Koos die maar bleven afgeven op de buitenlanders.
Jos begreep best dat de beide mannen zo redeneerden, maar waren niet alle mensen gelijk tegenover de schepper? Als christen vond hij dat hij geen onderscheid mocht maken tussen allochtonen en autochtonen, moeilijk was het soms wel om zo te denken.
 

Stap over naar Oxxio

Help deze website en onze schrijvers, stap over naar Oxxio als energieleverancier.
23/12/2015 13:55

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden. Tallsay.com is onderdeel van Plazilla Ltd.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert