De week van Jos. Novelle-hoofdstuk 4

Door Koen V gepubliceerd.

De week van Jos. Novelle-hoofdstuk 4. Dit is een novelle die ik een aantal jaren geleden heb geschreven, veel leesplezier.

Hoofdstuk 4

Het slapen had hem goed gedaan, opgewekt stond hij de volgende morgen op. Regenen deed het niet meer en het leek wel of de temperatuur iets gestegen was. De sombere gedachten van de vorige avond hadden hem verlaten, net zoals de regen Amsterdam had verlaten. Die avond ging hij eten bij tante Anja en oom Koos, eigenlijk waren dit geen echte oom en tante. Het waren vrienden van zijn ouders, hij kende hen echter al vanaf zijn geboorte en daarom zei hij oom en tante tegen ze. Tante Anja en oom Koos waren net zoals zijn ouders afkomstig uit Drenthe en hadden weinig kennissen in Amsterdam. Daarom bleef Jos ook eten, dat was zeer zeker geen straf voor hem. Al vanaf zijn jeugd kon hij goed met beiden overweg en zeker met oom Koos had hij een zeer goede band. Oom Koos was een verwoed sportvisser en Jos was menigmaal met hem mee geweest, vaak hadden ze grote vissen gevangen, soms zelfs snoek.
Omdat hij die avond dus bij tante Anja en oom Koos zou blijven eten, hoefde hij die morgen zelf niets in de keuken te doen. Toch was hij al om zes uur opgestaan, hij deed dat uit pure gewoonte. Om de tijd te overbruggen gaf hij de keuken een goede schoonmaakbeurt. Daarbij begon hij met het aanrecht en het gasfornuis, daarna volgden de koelkast en de keukenkastjes. Hij wilde net aan de keukentafel beginnen toen hij op de klok zag dat het al bijna acht uur was. Snel ruimde hij de schoonmaakartikelen op, trok zijn jas aan en haastte zich naar zijn werk.
Zoals altijd was hij daar ruimschoots al eerste aanwezig. Geduldig volgde hij zijn ochtendritueel. Eerst haalde hij koffie op de gang, daarna schakelde hij zijn computer aan en opende hij de mailbox. Over de dertig e-mails staarden hem aan, dat hield in dat hij het vandaag vreselijk druk zou krijgen. Jos stelde zich namelijk tot doel alle ontvangen e-mails nog diezelfde dag af te handelen. Natuurlijk bleef het niet bij de e-mails die nu in zijn mailbox stonden, gedurende dag zouden er nog talrijke binnen blijven stromen. Een blik door het raam leerde hem dat de dagelijkse file op de ringweg van Amsterdam vandaag extra lang leek. Vreemd, dacht hij, meestal waren de files langer als het slecht weer was. Hij haalde zijn schouders op, hij had er eigenlijk weinig mee van doen.
Met grote inzet stortte hij zich op zijn werk, hij was zo geconcentreerd aan het werk dat hij niet eens merkte dat Joris Jeurissen en Anita de afdeling op kwamen lopen. Hij zag ze pas op het moment dat ze al lang en breed aan het werk waren.
“Sorry, ik had jullie niet binnen horen komen.”
Anita lachte flauwtjes naar hem, ze vond Jos een verschrikkelijke uitslover en omdat hij nooit enige aandacht aan haar schonk verdacht ze hem ervan homoseksueel te zijn. En aan homo’s had ze een geweldige hekel. Soms had ze moeite om aardig tegen hem te zijn en kon ze amper verhullen dat ze een geweldige rothekel aan hem had. Jos zelf had daar nooit iets van gemerkt. Vrouwen in het algemeen interesseerden hem maar weinig, en Anita al helemaal niet.
“Zo vroeg al zo hard aan het werk?” Joris Jeurissen knikte goedkeurend naar hem. “Dat gaat nog eens wat worden met jou.”
Jos accepteerde het compliment gelaten, wist niet goed hoe hij er op moest reageren en reageerde daarom helemaal niet.
“Ik meen het hoor, ik maak geen grapje als je dat soms mocht denken.”
“Nou bedankt, wie weet hé, meneer Jeurissen.”
Jos was een van de weinigen die Joris Jeurissen met “u” aansprak. Jeurissen had dat nooit gecorrigeerd en vond het blijkbaar wel gepast dat mensen hem zo aanspraken. Jos op zijn beurt had van zijn ouders geleerd dat je oudere mensen zo aansprak, tenzij die zelf aangaven dat je de voornaam mocht gebruiken.
Al snel liep de afdeling vol en werden de televisieprogramma’s van de vorige avond besproken. Met dit soort afdelingsgesprekken bemoeide Jos zich zelden of nooit en vandaag zeker niet omdat hij veel werk te verzetten had.
“Zeg Jos,” sprak Saskia. “Heb jij gisteraavond Nova nog gezien?”
Jos wist direct welke kant het gesprek op dreigde te gaan en besloot zich van de domme te houden.
“Nee, ik ben gisteravond naar de training geweest van badminton. Dat duurde tot over tienen en daarna ben ik direct gaan slapen.”
Wat natuurlijk een leugen was, hij wilde alleen de discussie over het geloof hier niet aangaan. Niet dat hij er niet over wilde praten, met oom Koos sprak hij vaak over het geloof, maar hij wist dat Saskia zou proberen hem belachelijk te maken en dat wilde hij graag voorkomen.
“Het ging er over dat er nog maar zo weinig mensen naar de kerk gaan. Jij komt toch ook altijd in de kerk?”
Daar had je het gedonder dus. Al zou er hier geen haan driemaal kraaien en ook al was hij nog zo verlegen, zijn geloof verloochenen deed hij nooit.
“Ja, dat klopt, ik ben katholiek.” Hij zei het zo luchtig mogelijk, hopende dat Saskia het onderwerp zou laten rusten.
Direct probeerde hij van onderwerp te veranderen. Daarom keek hij met gespeelde verbazing naar zijn beeldscherm alsof hij iets niet begreep.
“Zeg meneer Jeurissen, mag ik u wat vragen? Ik krijg hier een vraag binnen die ik niet helemaal plaatsen kan. Wilt u er misschien eens naar kijken?”
Joris Jeurissen was altijd bereid om een collega van advies te dienen en stond bijna direct naast hem, alsof hij de afleidingstactiek van Jos begreep.
Gelukkig ging de telefoon op het bureau van Saskia en kon Jos weer opgelucht adem halen.
De rest van de morgen verliep zonder verdere problemen en voordat hij het wist was het al middagpauze. Ook nu nog was het droog buiten en Jos besloot thuis te gaan lunchen. In de keuken besmeerde hij vier boterhammen met boter en belegde ze met kaas en boterhammenworst. Vroeger bij zijn ouders kwam het duurdere broodbeleg het huis niet in omdat zijn vader vond dat een arbeider voldoende had aan brood met kaas en worst. Die gewoonte had Jos ongemerkt overgenomen. Vanaf zijn plaats aan tafel in de woonkamer overzag hij het verkeer in de Heemstedestraat. Zo rond de middag was het verkeer wel druk, maar het stond tenminste niet vast, zo concludeerde hij.
De middag was voorbij gevlogen. Jos had het druk en bij grote drukte, dan vloog de tijd. Precies om half vijf sloot hij zijn programma’s af en schakelde hij de computer uit. Snel pakte hij zijn jas en groette zijn collega’s.
Tante Anja en oom Koos woonden in Amsterdam Noord aan de Klaprozenweg, een typische volksbuurt boven het IJ. Amsterdam Noord viel te bereiken met de bus, dat was echter nogal een onderneming. Liever ging Jos op de fiets, het was wel een stukje peddelen, maar dat had hij er graag voor over. De bus deed er lang over, belangrijker was dat  Jos niet graag met het openbaar vervoer reisde. Hij had een hekel aan al die treurige en strak voor zich uit kijkende mensen die je daar aantrof. Nog steeds was het droog en een blik omhoog leerde Jos dat er werkelijk geen wolkje aan de lucht was. Als voorzorgmaatregel nam hij nog wel zijn regenpak mee, je wist immers maar nooit. Nederland was nog altijd een land waar het weer vreselijk instabiel kon zijn.
Om in Amsterdam Noord te geraken moest hij met de pont over het IJ. Deze ponten legden achter het Centraal Station aan. Via het Hoofddorpplein en de Amstelveenseweg reed hij door het Vondelpark naar de Stadhouderskade. Rond deze tijd van het jaar vond hij het Vondelpark ronduit prachtig. In de zomer kwam hij er niet veel omdat het park dan in bezit werd genomen door hordes toeristen die overal liepen, zaten en lagen. Hij had zelfs eens gezien dat een paartje de liefde bedreef in de bosjes. Zoiets deed je toch niet in het openbaar!
Nu het herfst was waren de meeste toeristen verdwenen en was het park weer in het bezit van de Amsterdammers teruggekeerd. De bomen vertoonden alle herfstkleuren die bekend waren. Bij de Stadhouderskade sloeg hij linksaf en na ongeveer één kilometer fietsen rechtsaf de Rozengracht op, via de vele kleine grachtjes in de Jordaan belandde hij uiteindelijk achter het Centraal Station.
Tegenwoordig waren de veerponten naast voetgangers alleen nog toegankelijk voor fietsers en bromfietsers. Auto’s konden gebruik maken van de diverse tunnels die onder het IJ door gingen. Op het moment dat hij aan kwam fietsen lag de veerpont juist aan de andere kant van het water. Uit ervaring wist hij dat hij desondanks maar kort hoefde te wachten. In de spits gingen de veerponten bijna continue op en neer.
Enigszins buiten adem door het lange fietsen leunde Jos over het stuur van zijn fiets. Om de tijd te doden keek hij om zich heen, hij stond hier niet bepaald in zijn eentje. Tussen al deze mensen viel zijn oog op een meisje met donker haar en een modieus brilletje. Menig passant zou haar niet bepaald knap genoemd hebben, ze had echter iets dat hem aansprak. Haar leeftijd schatte hij op ongeveer twintig jaar, iets jonger dan hijzelf. Het meisje voelde blijkbaar dat iemand naar haar keek en wendde het hoofd. Jos keek snel opzij, alsof hij betrapt werd bij iets dat niet mocht. Na enige tijd keek hij weer in haar richting. Hoe hij het onder woorden moest brengen, dat wist hij niet, maar dit meisje had iets dat hem aansprak. Ze deed hem iets. Hoe zou ze heten? Zou ze nog studeren of al een baan hebben?
Inmiddels had de veerpont weer aangelegd en dromden de mensen naar voren waardoor hij haar even uit het oog verloor. Aan boord zag hij haar bij haar fiets staan, ze keek strak uit over het water.
Plotseling viel zijn blik op de fietstassen die ze op de bagagedrager van haar fiets had. Op de zijkant zat een sticker geplakt met daarop een gestileerd visje, het symbool waarmee christenen hun geloofsovertuiging kenbaar maakten. Zijn hart sprong op, was ze net zoals hij gelovig? Of had ze deze fiets misschien van een vriendin geleend en betekende het hele symbool niets voor haar? Op het moment dat hij weer op keek, ontmoetten hun ogen elkaar. Jos durfde niet weg te kijken, iets wat het meisje na een paar seconden overigens wél deed. Zijn hartslag schakelde over naar de vijfde versnelling, althans zo voelde het.
Op dat moment baalde hij vreselijk van zijn eigen verlegenheid, nog nooit had hij een vriendinnetje gehad, nog nooit had hij zelfs een meisje aan durven spreken. De mogelijkheid diende zich nu aan. Dagelijks spraken talloze mensen die volkomen vreemden voor elkaar waren anderen aan, dus waarom hij niet? Een eenvoudige opmerking over het symbool op haar fietstas kon toch prachtig als openingszin dienen?
Terwijl hij zo in gedachten verzonken was, legde de veerpont aan in Noord. Het meisje keek hem nogmaals aan, op dat moment werd hem duidelijk dat zij de eerste stap niet zou nemen, dat moest hij doen. Onzeker deed Jos een pas naar voren, maar de moed zonk hem in de schoenen. Hij durfde niet!
Niet lang daarna was het moment voorbij, het meisje met het donkere haar fietste weg, hem verbijsterd en teleurgesteld achterlatend.  
 

22/12/2015 19:29

Reacties (0) 

Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert