Van fotograaf tot wielerheld

Door Wiebe De Jong gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Van fotograaf tot wielerheld

‘de Jong! Rij dat gat dicht! Vlug! Deze kun je niet laten gaan man!’

Ik neem een hap lucht en schrik me kapot. Vlak voor ik mezelf te pletter rijd tegen de betonnen rand van een brug besef ik me dat ik moet bijsturen. En rap! Verdomme waar ben ik? Wat doe ik hier? Waarom moet ik zo ontzettend hard fietsen? Mijn benen willen wel, maar mijn kop weet bij God niet wat ik hier doe.

Het enige wat ik nog weet is dat ik gebukt onder het zwarte doek stond te fotograferen bij de paardenrennen. Het was het jaar 1912. En nu zit ik hier op een fiets. En wat voor een! Ik kijk naar beneden en zie onder mijn wielen een spekgladde stenen weg met een enorme snelheid voorbij gaan.

d8ce071af334fb71c04e3658de143d17_medium.

              ‘Pas op! Sukkel!’

Ik kijk opzij en zie drie mannen op de fiets naast me rijden. Ze rijden vlak achter elkaar. Het is dat ik zelf het gevoel heb dat deze fiets stabiel is en dat ik nog veel harder kan fietsen dan dit. Maar moet je die mafketels eens voorbij zien razen! Mijn God wat is er met mijn benen gebeurt? Wat een joekels! En moet je dat broekje zien! Je ziet bijna mijn scrotum hangen, belachelijk! En die mannen hier naast mij. Moet je kijken! Wat hebben ze op hun hoofd? Een soort deksel? Haha!

Maar dan voel ik zelf ook zo’n ding op mijn hoofd. Ik durf niet lang met één hand te fietsen dus ik pak snel weer mijn stuur vast. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is grijp ik naar een hendeltje aan mijn stuur. Ik druk er tegen en dan ineens moet ik meer kracht zetten om de pedalen rond te krijgen. Ik sta op en stuur naar het groepje mannen dat zojuist voorbijgefietst kwam.

              ‘Pik aan!’, roept iemand langs de kant.

Pik aan? Wat is dat dan?, denk ik bij mezelf. Ach wat. Het zal er wel bij horen. Alsof ik het al duizend maal heb gedaan trek ik deze rare fiets op gang en zie dat de ruimte tussen de groep fietsers voor me kleiner wordt.

              ‘Rij dat gat dicht! Goed zo!’

Dat zal dan wel een gat zijn, die ruimte. Ergens komt me dit wel bekend voor, want ik zag ooit op de renbaan zoiets als dit. Al zag het er anders uit. Het was een koude winterdag en er lag ijs op de renbaan. Paarden bleven lekker op stal staan in de winter, dus mocht de baan gebruikt worden voor andere doeleinden. In het voorbij gaan, onderweg naar de schaatsbaan, zag ik toen een man gebukt op zijn fiets zitten met muts en al. Net zo’n maf stuur als ik hier heb. Zonder die maffe hendels waardoor ik zojuist meer kracht moest zetten. Ach wat. Het voelt wel goed. Wat ik hier doe? Ik weet het niet.

              ‘Kijk papa! Wielrenners!’, roept ineens een kind dat langs de kant van de fantastisch afgevlakte weg staat.

Wielrenners? Tja, eigenlijk zit ik wel te rennen op de fiets. Een beetje zoiets als de paardenrenners. Dezelfde houding, maar dan op een fiets. Niet op de rug van een paard, maar op eigen kracht op een stalen ding met wielen.

ab33cce55a09910195f33f9d18631ef3_medium.

De renner voor me schud met zijn ellenboog en kijkt een keer lelijk achterom naar mij. Alsof hij het niet eens is met wat ik doe. Iets in mij geeft het gevoel dat ik voor hem moet gaan fietsen en dat doe ik dan maar. Terwijl de lelijkerd zich terug laat zakken kijkt hij me nog een keer aan en zegt:

              ‘Ik laat me niet piepelen de Jong. Gas er op!’

Het maakt me een beetje boos en ik krijg ineens het gevoel om sneller te willen gaan fietsen. Ik grijp weer naar dat maffe hendeltje aan mijn stuur en duw er tegen. Dan moet ik weer meer kracht zetten, maar dat kan gemakkelijk. Ik ben nog lang niet buiten adem. Ik probeer op te staan en zet nog meer kracht.

              ‘Verdomme daar gaat ie weer! Demarrage!’

Dan kijk ik om en zie over mijn schouder dat ik een gat sla.

              ‘Eerst zit ie te linkerballen en nu geeft ie d’r een snok aan!’, roept een andere renner uit de groep achter mij. ‘Ach het is toch een chas patat! Dat gat rijdt ie nooit dicht!’, klinkt het uit een andere hoek.

Ik haak af. Ze spreken een taal die ik niet versta. Ik concentreer me op de weg voor me en geniet van het feit dat ik van dat gezeur af ben. Zo nu en dan kijk ik even om en zie dat de ruimte steeds groter wordt. Na een tijdje voel ik het vertrouwen opkomen dat ik de afstand goed kan handhaven. Waarom ik dit doe? Ik weet het niet. Op de één of andere manier wordt er kennelijk van mij verwacht dat ik zo snel mogelijk fiets. Bij de volgende keer dat ik omkijk zie ik dat een auto achter mij komt rijden. Even later komt dezelfde auto naast me rijden en de man achter het stuur vraagt of ik nog wat moet hebben.

              ‘Wat moet ik dan hebben?’, vraag ik verbaasd.

              ‘Die sprong van zojuist is zeker naar je kop gestegen?, zegt de man vriendelijk en hij stopt me een soort van fles in mijn handen.

Alsof het in mijn natuur zit trek ik zo’n zelfde fles uit een houdertje op mijn fiets, smijt deze met een flinke zwaai in de berm en stop de andere fles er in. Daarna krijg ik nog een banaan in mijn handen gedrukt die ik meteen maar weg werk. Het zal wel een droom zijn, denk ik bij mezelf. Ik denk dat ik het maar op geef, geen keuze.

5bfebb5870ed5e27cdbcfd7c9fe1f25c_medium.

Een eindje verder zie ik langs de kant van de weg een soort van bewegend schilderij. Er bewegen allemaal van die renners op. Dát geeft de doorslag. Ik ben niet meer in 1912. Ik ben naar de toekomst geflitst doordat ik teveel onder het doek van mijn fotocamera heb gehangen. Ik zal wel te veel zilverbromide binnen gekregen hebben.

Vlak voor me zie ik weer zo’n groepje fietsers. Hoeveel van die groepen rijden hier rond? Ach wat. Nog een keer tegen dat hendeltje drukken aan mijn stuur en dan ga ik vast nog sneller vooruit. Dan raak ik wel even buiten adem, maar haal het net om aansluiting te vinden bij dat groepje.

              ‘Hé de Jong! Ik dacht al dat je de slag zou missen!’, zegt een vriendelijke renner tegen me.

Ik bekijk hem eens goed en zie dat hij dezelfde kleding draagt dan ik. Dan rijden we onder een soort van luchtkussen door met daarop de tekst ’10 kilometer’. Een motorfiets komt naast ons rijden en laat op een krijtbord de cijfers ‘2 en ‘’13 zien. Die getallen ken ik. De eerste zijn minuten en de tweede seconden. Dat zal dan wel de voorsprong zijn op het groepje renners dat nu achter mij rijdt. Volgens mij bevind ik me in een wedstrijd van fietsers! En wat voor één! Dit lijkt wel een groter circus dan de paardenrennen! Met die gedachten rijd ik verder en doe maar netjes wat de rest in het groepje doet. Voorop rijden en je weer terug laten zakken naar het einde van het groepje.

Wanneer we het luchtkussen met ‘1 kilometer’ passeren wordt ineens de hele groep wat onrustig. Mijn zoals-ik-geklede maatje komt naast me rijden en vraagt me of hij mij een slinger moet geven. Een slinger? Kom op! Ik ben niet van deze tijd hoor! Rare mensen hier. Ik knik toch maar ja en krijg van hem een flinke duw in de richting van de eindstreep.

Ik moet winnen! Ik wil de eerste zijn! Ik kijk om en zie dat ik een lichte voorsprong heb. Genoeg ruimte om nog rustig rechtop te gaan zitten, mijn shirt recht te trekken en de handjes in de lucht te steken.

Dat wordt een kus van de rondemis!

0b4a34b46169cfe92e11df66d0bf4793_medium.

 

Onbekend met wielerjargon? Klik hier

Van fotograaf tot wielerheld

 

 

14/12/2015 09:37

Reacties (3) 

1
16/12/2015 07:56
Een competieve strijd, leuk als je aangemoedigd word, ik als recreatie mountainbiker voel dat ook , alles op alles zet je.
1
16/12/2015 09:39
Mountainbiken? Toertochten ook? Heerlijk in dit seizoen. Flink ploeteren in de modder en af en toe flink contact maken met de aarde zelf ;-)
1
16/12/2015 15:15
Modder op je rug en je gezicht is niet erg ,
De kunst is de aarde naar je toe te laten komen.
Omgekeerd is vaak wat harder.
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert