Eigen versie sprookje Rapunzel - deel 1

Door Lynn De Bondt gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

Dit is het eerste deel van mijn eigen versie van het sprookje Rapunzel, dat een stuk anders is dan het origineel. De volgende keer komt het tweede deel erop. 

Er was eens een baby met de naam Raponsje, die geboren werd in een huis aan de rand van het dorp. Haar ouders waren boeren maar waren gelukkig. Eindelijk was daar de baby waar ze zo lang naar hadden verlangd. Maar naast hen woonde een heks in een vreemd, ietwat bouwvallig huis. Het huis had immers een toren waar je alleen door het raam in en uit kon, zo werd gezegd. In werkelijkheid was er wel nog een geheime ingang, waardoor je in de toren kon komen.
Maar de heks was jaloers op het geluk van haar buren. Ze had zelf geen kinderen, maar wilde er wel doodgraag. Toen de vader van Raponsje op een dag in de tuin van de heks zat te neuzen, omdat hij nieuwsgierig was naar de planten die er groeiden, besloot de heks dit als excuus te nemen voor wraak. De volgende dag waren de ouders van Raponsje hard aan het werken in de velden en Raponsje werd achtergelaten bij het kindermeisje. Het kindermeisje was het enige personeel dat ze zich konden veroorloven, en omdat het meisje zag hoe moeilijk Raponsjes ouders het hadden, ruimde ze vaak het huis op als Raponsje lag te slapen.
Op de dag dat de heks langskwam, was het echter het kindermeisje dat lag te slapen. Ze had zo hard gewerkt de laatste dagen, dat ze in slaap was gevallen in de stoel naast de wieg waarin Raponsje lag. De heks kon zo gemakkelijk Raponsje uit haar wiegje halen. De heks was immers verrassend stil en lenig in haar bewegingen. Met de baby in haar armen, liep de heks zo vlug maar stil mogelijk terug naar huis. Daar ging ze door de geheime ingang en sloot Raponsje in de toren op.

Toen het kindermeisje eindelijk wakker werd, zag ze tot haar grote paniek dat Raponsje weg was. Ze zocht overal in huis, ook al wist ze dat de baby niet zelf uit haar wiegje kon. Uiteindelijk moest ze aan zichzelf toegeven dat Raponsje was ontvoerd. Totaal ontredderd liep het meisje naar de velden toe, waar ze in tranen naar de ouders van Raponsje strompelde. Die konden haar eerst niet goed verstaan, omdat ze zo hard zat te huilen.
“Rustig, maar, wat is er? Is er iets met Raponsje?” vroeg de moeder.
Het kindermeisje knikte en stootte tenslotte uit: “R-Raponsje is – is - ontvoerd!”
De ouders van Raponsje konden eerst hun oren niet geloven, maar toen het kindermeisje al snikkend hen naar huis sleurde, zagen ze tot hun verbijstering en verdriet dat Raponsje inderdaad nergens meer te vinden was.
De vader van Raponsje was kwaad op het kindermeisje: “Het is jouw schuld dat Raponsje ontvoerd is! Je bent in slaap gevallen! Hoe kon je?”
Maar de moeder van Raponsje begreep dat het kindermeisje er niets aan kon doen. “Mijn lieve man, wees niet boos op haar. Zij kan er niets aan doen. Het is de heks naast ons die Raponsje heeft ontvoerd. Ze is al langer kwaad op ons, al weet ik niet waarom. Als het kindermeisje niet had liggen slapen, dan had de heks haar wel in een betoverende slaap gebracht om ons meisje te ontvoeren.” De man hoorde de woorden van zijn vrouw aan en besloot dat ze gelijk had. Hij verontschuldigde zich tegenover het kindermeisje, maar trok met vaste tred naar het huis van de heks.
Daar moest hij algauw bot vangen: de heks gaf geen strobreed toe en Raponsjes vader kon niet naar zijn dochter toe. Zelfs al probeerde hij ’s nachts in de toren te breken, het lukte hem niet. Toch wilde noch hij, noch zijn vrouw toegeven. Ook zijn vrouw ging regelmatig naar het huis van de heks om haar dochter te gaan halen, maar de heks slaagde er altijd in om Raponsje bij zich te houden. Uiteindelijk gaven Raponsjes ouders het op en trokken ze ver weg van hun dorp vandaan. Toch rouwden ze elke dag om Raponsje.

Raponsje groeide op als een mooie, jonge vrouw. De heks vond de naam van Raponsje maar ‘gewoontjes’ en noemde haar vanaf haar vijfde jaar Rapunzel. Rapunzel wist om een duur niet beter en ze wist ook niet dat haar ouders ergens nog leefden. De heks had op Rapunzels twaalfde verjaardag verteld dat zij niet haar moeder was, maar dat haar echte moeder en vader gestorven waren. Rapunzel wilde dit echter niet geloven, maar de heks weigerde om te vertellen dat haar ouders nog leefden.
Rapunzels haar bleef met de jaren groeien. De heks knipte het haar van Rapunzel nooit en Rapunzel verdacht haar ervan dat ze een spreuk had uitgesproken waardoor haar haren langer werden dan ooit bij enig mens was gebeurd. Toen haar haren lang genoeg waren zodat ze vanuit het raam helemaal tot beneden reikten, stopte het haar van Rapunzel wonderbaarlijk met groeien. De heks liet de geheime ingang, waaruit Rapunzel al eens was proberen te ontsnappen, dichtmetselen met haar magie. Vanaf die dag klom de heks elke dag via Rapunzels haar naar boven om de toren in te gaan. De heks zei dan:

“Rapunzel, Rapunzel,
laat je haar vallen!”

Rapunzel liet dan gedwee haar haar uit het raam vallen en de heks klom dan naar boven. Dat duurde totdat Rapunzel achttien jaar werd. Vanaf dan weigerde ze om haar haar te laten vallen.

“Rapunzel, Rapunzel,
laat je haar vallen!”

De heks tuurde naar boven, maar Rapunzel verscheen niet voor het raam. Woedend riep de heks haar totdat Rapunzel aan het raam kwam te staan. De heks riep haar toe dat ze haar haar moest laten vallen, maar Rapunzel weigerde nog steeds. Nu werd de heks razend; ze hief haar handen op en sprak een spreuk uit waardoor Rapunzels haar ruw naar beneden werd getrokken. De heks klom via haar haar naar boven. Rapunzel bleef mokken en de heks wist zich geen raad meer. Weemoedig dacht ze terug aan de tijd dat Rapunzel nog een baby was. Hoewel Rapunzel in eerste instantie erg van haar was geschrokken, had ze haar leren vertrouwen en kon de heks Rapunzel troosten en voeden wanneer ze huilde. Rapunzel de baby lachte dan lief als de heks iets grappig deed of haar kietelde. Haar kleine vingertjes klemden zich rond de heks haar mouw of haar vinger.
Toen Rapunzel ouder was geworden, was ze ook wel eens koppig geweest, maar de heks had haar altijd kunnen intomen. Het was vooral vanaf haar twaalfde dat Rapunzel onhandelbaar werd in de ogen van de heks. Dat was ze beu. Wat moest ze toch doen om terug die lieve Rapunzel te krijgen?

Het toeval wilde dat in de maand dat Rapunzel achttien werd, een nieuw jong koppel kwam wonen in het huis waar ooit Rapunzels ouders hadden geleefd. De jongere broer van de man woonde bij hen in en het nieuwe koppel had net een baby gekregen. De heks ging elke dag stiekem gaan kijken naar deze baby en werd zo jaloers dat ze het plan opvatte om de baby te ontvoeren. Maar wat moest ze dan met Rapunzel doen?
De heks ging terug naar huis en in die korte tijd bedacht ze een heel plan. De heks riep:

“Rapunzel, Rapunzel,
laat je haar vallen!”

Rapunzel deed wat de heks haar opdroeg, al was het met grote tegenzin. Ze had echter nog een grotere tegenzin om weer met de magie van de heks geconfronteerd te worden. De heks klom naar boven. “Ik wil dat je iets voor mij doet,” zei de heks toen ze boven was. Rapunzel keek de heks verbaasd aan. Wat kon ze nog meer voor haar doen dan elke dag in deze toren te zitten wegkwijnen totdat de heks haar riep om haar haren te laten vallen en haar zo in de toren te brengen?
“Naast ons is er een nieuw koppel komen wonen. Ze hebben een baby. Ik wil dat jij de baby ontvoerd.”
“Wat?!” riep Rapunzel uit. “Ik, een baby ontvoeren! Ben je wel goed wijs! Natuurlijk ga ik dat niet doen, dat mag gewoonweg niet.”
“Als ik zeg dat je dit mag, nee, moet doen, dan is dat zo,” zei de heks grimmig. “Ik zal je een drankje geven waardoor je helemaal op mij lijkt. Zo is het gemakkelijker om er binnen te geraken, mij kennen ze, jou niet.”
“Als ik op jou moet lijken om de baby te kunnen ontvoeren, waarom doe je het zelf dan niet?”
“Omdat jij ook eens iets mag doen voor mij!” riep de heks uit. “Al jarenlang werk je me tegen en ik heb zo goed voor je gezorgd.”
“Als een kind in een toren opsluiten een voorbeeld is van een goede opvoeding, dan wil ik nooit een moeder zijn! Ah nee, je bent mijn moeder niet. Heb je me ook ontvoerd?”
Rapunzel had zonder het te weten de spijker op de kop geslagen. De heks werd helemaal bleek en zei niets meer. Rapunzel besefte toen pas wat er echt met haar was gebeurd.
“Echt?! Heb je me als baby ontvoerd?” zei Rapunzel met walging in haar stem. “En nu wil je een nieuwe baby, omdat ik te oud en te lastig voor je ben? Ik ga weg!”
“Jij blijft hier!” zei de heks met nadruk. Rapunzel zweeg, maar heimelijk bedacht ze een plan om te ontsnappen.

Midden in de nacht stond Rapunzel zo stilletjes mogelijk op om de heks niet wakker te maken. Rapunzel vlechtte haar lange haren zodat ze een stevige streng vormde. Ze deed er zowel van boven als beneden een lint om om de vlecht bijeen te houden. Dan pakte ze de schaar die ze ’s avonds in haar zak had gestoken en knipte de vlecht af. Zo bleef er een lang touw van haar eigen haar over. Rapunzel sloop naar het raam, bond de vlecht aan een uitsteeksel vast en liet het naar beneden vallen. Vervolgens klom ze op het raamkozijn, pakte de vlecht vast en ze liet zich langzaam naar beneden zakken. Rapunzel verdween in het bosje beukenbomen dat aan de rand van het dorp lag, en vergat haar vlecht mee te nemen.
De volgende dag ging de heks weer naar de toren. Verbaasd zag ze Rapunzels lange vlecht buiten het raam hangen. Wat was er gebeurd? Had ze haar haren afgeknipt en dit aan het raam gehangen? Dan was ze toch niet ontsnapt?! Of stond ze juist achter het hoekje op haar te wachten?
De heks vertrouwde het niet, maar riep voor het zekerste Rapunzels naam:

“Rapunzel, Rapunzel,
laat je haar vallen!”

Stilte. De heks herhaalde haar woorden. Opnieuw stilte. Nadat de heks een derde keer haar woorden had herhaald, was ze het beu. Ze klom via de vlecht naar boven en zag…niets! Rapunzel was verdwenen! Ze was dan toch ontsnapt. Een luide jammerkreet ontsnapte de heks. Haar gezicht was verwrongen van verdriet en spijt. Maar toen draaide ze zich om en was alleen woede in haar ogen te lezen. De heks klom weer naar beneden. Als ze Rapunzel kwijt was, wel, dan zou ze de baby dan toch zelf gaan ontvoeren.
De heks ging al op pad naar het huis van de buren. Ze was echter zo geagiteerd dat ze niet goed oplette. Plots botste ze ergens tegenaan. Ze keek op en zag de buurjongen voor haar neus staan! Wat kwam die hier rondsnuffelen? De jongeman had echter geen tijd om het uit te leggen. De heks was zo kwaad om Rapunzels ontsnapping, dat ze niet nadacht en haar magie gebruikte om de jongeman mee te krijgen naar huis. Vreemd genoeg leek de jongeman helemaal niet bang te zijn. Hij stribbelde zelfs niet eens tegen en liet zich gewillig naar het huis van de heks brengen. Daar zette ze hem voor de toren en beval hem:
“Klim naar boven. De kamer hierboven wordt vanaf nu je nieuwe thuis.” De jongen deed wat hem was opgedragen en klom lenig als een aap naar boven. Toen hij in de kamer was, zag hij dat er tot voor kort iemand had gewoond… of opgesloten? Van wie was dat lange haar langs waar hij naar boven was geklommen? Hij zag overal meisjesspullen liggen, niet direct hetgeen je bij een heks verwachtte. De jongen zijn gedachten werden onderbroken toen de heks ook naar boven was geklommen en nu bij hem in de kamer stond.

20/03/2018 18:03

Reacties (4) 

1
21/03/2018 14:08
Ik kijk volverwachting uit naar de ontknoping
27/03/2018 13:59
Dank je wel! :)
1
21/03/2018 03:39
Mooi geschreven deze eigen versie.
27/03/2018 13:59
Dank je wel :)
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert