Historisch overzicht van armoede en sociaal werk in Suriname

Door Asha gepubliceerd in Geschiedenis

ARMOEDE EN SOCIAAL WERK IN SURINAME

 

Sociaal werk en armoedebestrijding

Armoede is een wezenlijk onderdeel geweest van de sociale problematiek voor het grootste deel van de samenleving in de 17e tot en met de 19e eeuw. De maatschappijstructuur was toen op slavernij, plantage-arbeid en contractarbeid gebaseerd. De armoede tijdens de slavernij was geinstitutiona-liseerd in de zin dat de slaaf voor wat betreft zijn voeding, kleding en huisvesting volledig afhankelijk was van zijn meester. Deze verstrekte veelal weinig eerste levensbehoeften aan de slaven, (Jap-A-Joe, 1995: 28).

Het jaar 1873 kan voor wat betreft sociaal werk van de overheid aangemerkt worden als een startpunt. Vanaf dat jaar droeg de overheid verantwoordelijkheid voor het wel en wee van de gehele bevolking. Reeds Buiskool zag in sociaal werk een belangrijk stuk armoedebestrijding, (Jap-A-Joe, 1995: 28).

 

 Particuliere armenzorg

De oude slaven die als trouwe dienaars waren, werden door de slavenmeesters verzorgd. Na de afschaffing van de slavernij viel deze verplichting weg en kwam de zorg voor rekening van kerk en overheid. Er zijn een aantal niet-kerkelijke, particuliere organisaties geweest zoals Loge Concordia en de Anciënt Order of Foresters die voor het eind van de 19e eeuw sociaal werk hebben verricht, met name ook in de sfeer van armenzorg, (Jap-A-Joe, 1995: 34).

 

Kerkelijke armenzorg

De verschillende christengemeenten hadden hun diaconie (zorg aan melaatsen, zieken, armen en wezen, bejaarden etc.) onder de armen van de eigen gemeente. Deze ontvingen alimentatie, maar het bedrag was bij lange na niet voldoende. Armenzorg (diaconie) was bovendien een neventaak van die gemeenten, die niet werd vervuld door specialistische krachten, maar door zendelingen en kerkelijke werkers. Bij de RK-gemeente was voor de armenzorg de stad in wijken verdeeld en arme meesters waren verantwoordelijk voor de hun aangewezen wijken. Armoede werd veel meer bestreden via opvoeding en onderwijs. De kerk streefde, volgens Vernooij, meer naar invloed op de Surinaamse mens, zowel vanuit een religieus als een sociaal oogpunt, (Jap-A-Joe, 1995: 43).

Het onderwijs, de preventieve en curatieve gezondheidszorg en zelfs de godsdienst van de zending en missie hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de maatschappelijke weerbaarheid van individuen, (Jap-A-Joe, 1995: 46).

 

Armenzorg en sociaal werk van de staat

De zorg van de staat bestond tot het eind van de 19e eeuw uit verzorging van wezen, gehandicapten en minderbedeelden. De zorg moest volgens Buiskool, wel uitgebreid worden om adequaat te voorzien in de noden van alle armen, (Jap-A-Joe, 1995: 43). Volgens Buiskool bestond in die tijd reeds de opvatting dat armoede het best bestreden kon worden als de armen geholpen werden kennis en vaardigheden te ontwikkelen om zelfvoorzienend te worden, (Jap-A-Joe, 1995: 47).

 

Na 1950 nam het sociaal werk van overheidswege grotere vormen aan. De koloniale overheid stelde dat armenzorg primair de verantwoordelijkheid was van particulieren, namelijk: de burgerij en de kerkgenootschappen. De overheid wilde slechts hulp verlenen als aanvulling op de bestaande vormen van armenzorg. Het gevolg hiervan was dat de armenzorg van overheidswege beperkt bleef tot:

  • Personen die door hun gemeenten niet voldoende aan middelen geholpen konden worden;

  • Personen die niet voldeden aan de zedelijke eisen die door hun gemeente gesteld waren;

  • Personen die tot geen enkel kerkgenootschap behoorden;

  • De behoeftige immigranten en de wezen van immigranten.

 

De activiteit van de overheid concentreerde zich in het weldadigheidsgesticht ‘s Landsgrond Boniface. Dit gesticht bood ruimte aan 250 tot 300 armen en invaliden, terwijl er een “buiten-voeding” bestond voor niet opgenomen armen, die wekelijkse rantsoenen ontvingen. Voorts kende de overheid een ‘buitenbedeling’ in de vorm van geld, die aan enkelen werd gegeven. Op grond van bewijzen, afgegeven door de commissaris van politie of districts-commissaris, kon vrije genees-kundige hulp worden verkregen die door gouvernementsgeneesheren werd verleend, (Jap-A-Joe, 1995: 51-53).

In de kolonie was er geen wettelijke ondersteuning van armen. Dat dit wel nodig was, bleek uit in 1910 verstrekte opdracht aan het College van Regenten. Dit College werd gevraagd om de grondbeginselen voor een armenwet te willen aangeven en zo mogelijk een ontwerp van wet te maken.

Dat de bewijzen door de commissaris van politie werd gegeven, is indicatief voor het karakter van de hulpverlening: vernederend en stigmatiserend. Armoede werd op deze wijze, volgens Jap-A-Joe, gecriminaliseerd. Men maakte wel in noodsituaties gebruik van deze hulp. De sociale zorg die de overheid bood, stond niet in verhouding met de enorme nood onder de bevolking.

 

De werklozenonrust

De economische wereldcrisis van de jaren ’30 bleef in ons land niet ongemerkt . De gesignaliseerde nood nam hierdoor enorm toe. De particuliere armenzorg kon niet voldoen aan die vraag. Deze sociale nood resulteerde in de “hongeroproer” en de werklozenonrust.

De koloniale overheid hield haar politiek van aanvullende activiteit aan en breidde haar bemoeienis op het gebied van het sociaal werk uit mondjesmaat. De overheid verstrekte subsidies aan particu-lieren, waaronder de Surinaamse Steun Comité. Het doel van dit Comité was om aan ondervoede schoolkinderen voeding te verstrekken en de werklozen in de goudindustrie en de landbouw te werk te stellen .

De economische opleving,die plaatsvond, veranderde niet veel aan de sociale nood.Er kwam een lichte verschuiving in de houding van de koloniale overheid. Ze besteed aandacht aan de sociale problematiek. De stakingen en arbeidsconflicten hebben hun bijdrage geleverd aan deze tendens. In 1942 werd een apart bestuursdepartement ingesteld en wel: het Departement voor Sociale- en Economische Zaken. In 1944 breidde de koloniale overheid de sociale wetgeving uit met maatregelen die te maken hadden met betrekking tot het arbeidsrecht, de arbeidsbescherming en de bescherming van woninghuurders1.

Armoede en werkloosheid waren in de jaren ‘50 de twee voornaamste problemen waarmee het overgrote deel van de bevolking werd geconfronteerd. Werkverschaffing en bedeling zou het beleid blijven domineren. Volgens Jap-A-Joe was de werkverschaffing een voorzetting van de activiteiten uit de crisisjaren, gericht op tewerkstelling van werklozen in de landbouw- en bosbedrijven. Het ging in dit geval wel om de overheid zelf die werklozen in “losse dienst” nam om werkzaamheden te verrichten die van tijdelijke aard waren, (Jap-A-Joe, 1995: 55-58).

In latere tijden verviel de werkverschaffing tot een instrument voor het kweken van politieke bindingen en afhankelijkheidsrelaties. Zo werd het ambtenarenkorps veelste groot. Om dit probleem op te lossen werd in 1975 door de toenmalige minister van Arbeid de Stichting Productieve Werkeenheden opgericht. De bedoeling was om in het kader van de werkverschaffing tewerk- gestelden en/of andere werklozen na het ondergaan van een vakscholing onder te brengen in werkeenheden die voor eigen rekening produktieve activiteiten zouden ontplooien. Na een periode van begeleiding zouden deze eenheden worden afgestoten als zelfstandige coöperatieve bedrijven, (Jap-A-Joe, 1995: 60-62).

 

De sociale bijstand

De sociale bijstand die zich sinds 1950 ontwikkelde was in feite een voorzetting van de vooroorlogse armenzorg, in de vorm van voedselhulp en/of geld met daarnaast ook verstrekking van bewijzen van on- en min vermogen. Armen konden met deze zogenaamde geneeskundige kaarten medische hulp verkrijgen. In de Staten van Suriname bleef de sociale bijstand een voortdurende bron van onvrede vormen. Volgens Jap-A-Joe werd bij elke begrotingsbehandeling over willekeurige toewijzingen, onrechtmatige verstrekking van hulp, fraude en politieke manipulatie geklaagd.

In 1970 werd de steun in natura ( voedselrantsoenen) omgezet in financiële steun. Sinds het midden van de jaren ’60, werd er in de Staten regelmatig aangedrongen op een kinderbijslagregeling en een ouderdomspensioenregeling. In 1973 werd bij resolutie een Algemene Kinderbijslagregeling (A.K.B.) en een Algemene Ouderdomsvoorzieningsregeling (A.O.V.) ingevoerd.

Vanwege het ten laste komen van de staatskas en het ontbreken van bestemmingsheffingen ontstonden volgens Jap-Ajoe in de jaren die volgden grote achterstanden in de uitbetaling van deze uitkeringen. Het rechtskarakter van deze regeling werd volkomen dubieus gemaakt en de tendens om sociale voor-zieningen te beschouwen als “gunst” in plaats van “recht” werd daardoor versterkt.

 

Pogingen tot profesionalisering

De minister van het Ministerie van Sociale Zaken stelde in de ‘Memorie van Antwoord’ behorende bij de ontwerp-begroting 1962 van zijn departement, dat het tekort aan geschoolde maatschappelijke werksters bijzonder nijpend was. In het begin van de jaren ’60 werd steeds de intentie uitgesproken om de hulpverlening te professionaliseren en in het begin van de jaren ’70 werd de intentie tot grotere professionalisering van de hulpverlening uitgesproken.

 

In 1973 werden de heren J.C.Breman (ontwikkelingssocioloog) en A. Peper (beleidssocioloog), door de Stichting Planbureau Suriname aangezocht om te adviseren bij de opstelling van een Meer-jarige Sociaal Beleidsplan. Hun oordeel over het gevoerd sociaal beleidsplan was, (Jap-A-Joe,1995: 68-73):

  • De inkomensverschillen waren de laatste jaren toegenomen;

  • De organisatie in het politiek vlak vindt plaats door en vanuit de belangen van een beperkte elite;

  • De binding van politieke loyalisten wordt nagestreefd door verdeling van beperkte loyaliteiten.

 

Het overheidsbeleid slaagde in de periode 1945-1980 er niet voldoende in om voor maatschappelijke zekerheden te zorgen, zoals: werkgelegenheid, huisvesting, gezondheidszorg en sociale verzeke-ringen. Middels het Urgentie-programma (1980) werd een aantal doelen gerealiseerd, waaronder de Algemene Ouderdomsvoorziening (A.O.V.). Een uniform stelsel van sociale uitkeringen bij ziekte zwangerschapsverlof, bedrijfsongevallenregeling, invaliditeits uitkering, werkloosheidsuitkering en een algemene ziekten kosten regelingen was er volgens Schoolmeester (1983) nog steeds niet aanwezig in Suriname.

Pas in 1980 werd ten behoeve van de A.O.V. een bestemmingsheffing ingevoerd en een rechts-persoon ingesteld die zich met de fondsvorming, de administratie en de uitbetaling van de uit-keringen zou moeten belasten. Vanaf januari 1980 ontvingen alleen ambtenaren en hun gezinsleden een vergoeding van de ziektekosten door het in 1980 opgezette Staatsziekenfonds (SZF). Het Ministerie van Sociale Zaken gaf aan 20% van de bevolking, die als “min- en onvermogenden” een vrije geneeskundige kaart hadden ontvangen, een vrije medische behandeling. Er is ook een Algemene kinderbijslag voor hen die niet via een werkgever Kinderbijslag ontvangen, (School-meester, 1983: 207-208). In 1981 werd een coördinator aangesteld voor sociale verzekeringen, met als belangrijkste taak het opgang brengen van een samenwerkingsverband tussen overheid, Vakbeweging en Bedrijfsleven bij het invoeren van een sociaal verzekeringssysteem in ons land: de SZF-verzekering.

 

Sinds 1980 zijn NGO’s weer naar voren gekomen als een belangrijke kracht om het besluitvormings-proces te democraticeren, mensenrechten te beschermen en essentiële diensten aan de meest behoeftigen te verlenen. De ontwikkelingsrelatie die in de periode was verslechtert met het moederland gaf hiertoe de aanleiding.

Naast de traditionele armen, zoals zwervers en bewoners van oude krottenwijken in en rondom Paramaribo, heeft het verschijnsel volgens Menke in de jaren ’90, nieuwe dimensies gekregen. Zo is volgens Menke ( 1994); die een onderzoek deed naar de armoedesituatie in Suriname:

 

  •  Een groep van nieuwe armen bijgekomen, bestaande uit:
  • Ontslagen arbeiders uit de particuliere en overheidssector;

  • Vluchtelingen ten gevolge van de binnenlandse oorlog;

  • Bewoners in het binnenland van Suriname;

  • Uit de middenklasse afkomstige jongeren;

  • Bejaarden;

  • Kinderen en zuigelingen;

  • Nationale producten op het niveau van bedrijven, zoals:

  • een aantal nieuwe krottenwijken bijgekomen, waar armoede mensonterende vormen aanneemt, zoals de volkswijken Sophia’s Lust en Pont Buiten.
  • de verpaupering in grotere mate aangetroffen. Er is sprake van verpaupering wanneer armen geen overlevingssysteem hebben kunnen ontwikkelen, waardoor zij ver onder de armoedegrens terugvallen en niet meer kunnen voorzien in de meest noodzakelijke levensbehoeften, zoals voeding.
  • De middenklasse van professioneel kader, ambtenaren in de overheidssector en functionarissen in de particuliere sector een proces van snelle relatieve verarming ondergaan. Volgens Menke heeft dit een negatieve uitwerking op de perspectieven voor een doelgerichte oplossing van het armoedevraagstuk voor alle lagen en groepen in Suriname.

 

 Armoede en algemeen welzijn

Er wordt algemeen aangenomen dat de armoede in Suriname de afgelopen jaren is toegenomen. Voor de gewone burger is dat onder meer te zien aan: de toename van het aantal zwervers in de binnenstad, de ‘verharding’ van de criminaliteit en de verslechtering van de sociaal-economische situatie van grote groepen en buurten. Tenslotte merken de meeste burgers het gewoon aan hun eigen salaris en koopkracht.

Als maat voor armoede wordt gehanteerd het deel van de bevolking dat valt onder de voedsel-armoedegrens: de kosten van een basisvoedingspakket (van 28 producten), bestaande uit de minimale behoeften aan voedsel volgens de standaarden van de wereld gezondheidsorganisatie (WHO) en de voedsel organisatie (FAO) (consumptie geldt dan als welvaartsindicator). Voor volwassenen is dat 2400Kcal per dag en voor kinderen (<15jaar) 1500Kcal. Door de sociaal-economische crisis van de laatste jaren is de levensstandaard van vele gezinnen in de periode 1969-2000 nog meer achteruitgegaan. Het percentage van zowel arme huishoudens als arme personen is in de periode 1969-2000 meer dan verdubbeld: respectievelijk van 22,64% en 28,81% naar 52,40% en 59,24%. De armoedegrens voor een gezin bestaande uit 2 volwassenen en 2 kinderen lag in 1999/2000 op een inkomen van SRG 250.942 per maand en nam toe tot SRG 446.280 in het 4e kwartaal van 20002. In 2002 is de grens verder verschoven naar SRG 600.000.

Eén van de doelstellingen van het Regeringsbeleid (gepresenteerd op 15 november 2000 in De Nationale Assemblee) is het vestigen van een sociaal rechtvaardigere samenleving. De regering heeft zich gecommitteerd de armoedebestrijding in partnerschap met andere segmenten van de maatschappij aan te pakken. De ontwikkelingsstrategie zal erop gericht zijn de welvaart te verhogen, waarbij drie centrale actoren centraal staan, teweten: de Staat, de private sector en NGO’s (vakbeweging, bedrijfsleven en de burgersamenleving waaronder: basis-, vrouwen-, jongeren-, kinderrechten-, milieu-, boeren-, consumenten-, mensenrechtenorganisaties, culturele en religieuze organisaties, trainings- en onderzoeksinstituten en de media).

De belangrijkste rol van de sociale mobilisatie van de bevolking in het besluitvormingsproces bij armoedebestrijding, wordt door de regering onderkend. De participatie en betrokkenheid van de gemeenschap zal daarom het middelpunt zijn bij de besluitvorming over financiering en implementatie van welvaartverhogende initiatieven3.

Nieuw is dat bij het huidige Meerjaren Ontwikkelingsprogramma het Planbureau in het laatste kwartaal van 2000, NGO’s en andere groeperingen zoals, de vakbeweging, het bedrijfsleven en de burgerorganisaties waaronder de vrouwenorganisaties, de jongerenorganisaties, de kinderrechten-, milieu-, boeren-, consumenten-, en mensenrechtenorganisaties in de gelegenheid heeft gesteld daaraan een bijdrage te leveren. Het Planbureau heeft daartoe over de verschillende thema’s zoals ‘good governance’, ontwikkeling binnenland, ‘position papers’ samengesteld, die als leidraad golden voor de discussies met de uitgenodigde organisaties.

1 Jap A Joe, W.H., Hirschfeld, A., e.a., Sociaalwerk in Suriname. Een poging tot plaatsbepaling, academie voor hoger kunst en cultuuronderwis

2 Algemeen Bureau voor de Statistiek/ Armoede en armoedegrenzen in Suriname, mei 2001

3 Meerjaren Ontwikkelingsprogramma, 2001-2005, pag. 51-57

25/02/2018 15:32

Reacties (1) 

25/02/2018 17:32
Het probleem zit hier:
Corruptie, vriendjespolitiek, te weinig commerciële activiteit in het land. Ondertussen zijn
ze een verzorgingsstaat aan het opbouwen zonder de daarvoor benodigde middelen. Bouterse zoekt daarvoor steun in de paar socialistische landen die nog bestaan, waaronder Venezuela en Cuba.
"Buitenlandse krachten" willen misbruik maken van de economische situatie in Suriname en daar politiek garen bij spinnen. Dat zei president Desi Bouterse vannacht bij de herdenking van de staatsgreep van 25 februari 1980."
https://nos.nl/artikel/2219407-bouterse-buite...
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert