Orkaan 2000 komt eraan ...

Door Cynthia Van Hoyweghen gepubliceerd in Verhalen en Poëzie

5 januari 2000, ik was helemaal alleen thuis. En wat doet een 17 jarig meisje dan zoal als ze alleen thuis is? Wel, tv kijken terwijl ze op de pc shopt en daarnaast haar nagels lakt. Het was een dag zoals een ander, niets bijzonder. Niemand die het dan ook zag aankomen. Wie verwacht dit dan ook in ons klein dorpje Ava.

Alles werd donker, deels doordat de elektriciteit uit viel maar vooral door de donkere wolken die uit het niets oprezen. Nog geen minuut later hoorde ik harde rukwinden op komen. Meteen rende ik naar het dichtstbijzijnde raam. Mijn fiets die ik aan de lantaarnpaal had vast gebonden, vloog voorbij toen ik het raam bereikte. Overal, hoorde je het hele huis kraken. Dakpannen die wegvlogen, ramen die ingeslagen werden door van alles dat binnen vloog. De rukwinden werden erger en erger.

Nog geen 5minuten geleden waren de rukwinden en de donkere wolken opgekomen. Je kon geen 2 meter ver zien, het enige dat je zag was alles dat voorbij vloog in een dik pak stof. Ondertussen vloog het stof ook naar binnen, in het huis door alle gebroken ramen en gaten die in het huis waren geslagen. Het werd steeds moeilijker om te ademen, instinctief nam ik een vaatdoek om voor mijn mond te binden. Het hielp niet veel maar zo kon ik toch al iets beter ademen zonder al het stof naar binnen te krijgen. Ik moest goed oppassen waar ik liep, of beter gezegd kroop. De rukwinden werden nog steeds met de minuut erger. Ik kon niet meer recht staan door de enorme kracht dat de wind met zich meebracht. Uiteindelijk had ik de kelder bereikt, het leek me de beste plaatse om me te kunnen beschermen voor de storm. Ik was enorm bang, dat het huis de storm niet zou doorstaan. Als ik zag naar hoe het beneden er aan toe ging wou ik niet weten hoe het boven was, hoogstwaarschijnlijk was er geen dakpan meer over. Ik had de kelder nog maar net bereikt. Wanneer ik opeens, een grote krak hoorde net boven me. Net boven mijn hoofd. De twee muren waar de trap boven de kelder op steunde, waren volledig doorboord en konden het gewicht van de trap niet langer houden. Nooit gedacht dat ik zo snel kon reageren. Ik hoorde de krak, zag de trap naar beneden komen en voor ik het wist zat ik in de kelder met een kapotte trap boven op het kelder gat. Ontsnappen was dus geen optie. Of dat dacht ik toch, tot 20minuten later ik weer licht zag. De trap werd door de wind van het luik afgesleurd en trok het luik met zich mee. Ik durfde niet naar buiten te gaan, wie weet wat ik te zien zou krijgen? Een hoop vragen kwamen op me af. Vragen waar ik enkel een antwoord op kon krijgen door naar buiten te gaan. Na grote aarzeling kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer de baas. Met grote passen ging ik de kelder trap op. Net voor mijn hoofd de open lucht raakte, stopte ik. Nog één stap! Mijn ogen zijn nu net over de rand, ik keek rap links en rechts, dook weer onder de rand. Eigenlijk had ik niets kunnen zien, enkel veel stof. Het leek wel dat de storm nooit ging eindigen, alsof hij niet verplaatste. Om een of andere reden stapte ik verder de ladder op zonder te kijken tot ik volledig uit de kelder was. Opende mijn ogen en zag stof, overal , het waaide in een hele dikke laag rond me heen. In de stof zag je delen van huizen, bomen, fietsen, lampen en zelfs lijken. Dat hoopte ik toch, dat het dode lijken waren, levend in deze storm mee gesleurd worden, niemand wil dat meemaken. Ik kon niet stoppen met rond kijken en toen besefte ik het, dit is geen storm . Ik zit in het oog van een orkaan. Het indrukwekkendste dat ik ooit in mijn gehele leven heb gezien. Maar ik zit hier vast , kan nergens heen. Het zelfde lot als de dode lijken van rond me, staat mij ook te wachten. Dat was het enige dat in men hoofd om ging, dat was het enige waar ik heel die tijd dat ik daar stond te staren naar alles rond me, kon aan denken. De orkaan was nog niet op zijn hoogtepunt anders kon ik daar niet zo blijven staan. Anders was ik al lang mee gesleurd. Maar dat was niet, het enige rare aan deze orkaan, hij is gestart rond mijn huis en hij is hier nog steeds. De orkaan beweegt niet! Hoe zou het buiten de orkaan gesteld zijn? Hoe groot is de orkaan? Allemaal dingen die in me zouden kunnen op gekomen zijn , wat een ander zou denken. Nee, ik niet ik dacht aan het lot dat me te wachten stond en hoe ver dat lot nog zou zijn. Hoe lang het nog ging duren voor ik mee gesleurd werd door de orkaan. Zou ik echt sterven in de orkaan? Hoe zou ik sterven? Door de ruk van de wind die me mee sleurt? Verstikking, door het stof? Door een klap ,van een voorwerp dat ook door de orkaan is meegesleurd, en me raakt? Of overleef ik de sleur in de orkaan maar sterf ik door de klap als ik land als de orkaan me uitspuwt? Niemand die me er een antwoord op kon geven.

Ik was nog steeds helemaal alleen, in het oog van de orkaan. De orkaan is ondertussen een half uur geleden begonnen. Opeens kreeg ik een raar gevoel, dit was het moment. Het moment dat de orkaan op zijn hoogtepunt ging komen. De wind was hard, het stof sneed langs mijn huid . Het voelde alsof mijn kleren zo van me afgingen vliegen, men haar als een pruik van men hoofd werd getrokken. Dat mijn organen uit mijn lichaam werden gesleurd, langs alle kanten. Het ene moment duwde de wind me, het andere moment trok het aan me. Mijn hele lichaam werd door elkaar geschut. De wind werd harder, het wou me breken, het zou me breken, het ging me breken. Het moest me er weg hebben. Het bleef duwen en trekken, harder en harder. Ik had gelijk dit was het moment. Het duwde me op de grond en alles werd zwart.

Wanneer ik mijn ogen opende voelde het alsof ik zweefde op een wolk het voelde heel prettig, maar tegelijkertijd voelde het ook alsof ze me achter een auto hadden gebonden en over de ruwe asfalt sleepte. Het stof schuurde langs mijn huid en had ondertussen al serieuze wonden veroorzaakt. Alles deed zo'n pijn, het leek alsof ik me niet kon bewegen, niet kon ademen. Ik dacht terug aan al mijn vragen dat ik had van hoe ik zou sterven. Één vraag kon ik al schrappen, de ruk heeft me niet vermoord. En tot nu toe ben ik nog niet hard geraakt enkel door een paar kleiner dingen die eigenlijk verbazing wekend hard aan kwamen zoals, een kussen of een lege fles Sprite. Het stikken kan nog steeds, ik zal niet rap stikken, maar het kan nog steeds. Sterven door de klap is ook nog niet uitgesloten. Net toen ik dat bedacht stootte ik tegen iets heel hard aan. Het was geen iets het was een iemand. Door al het stof kon je geen 30 centimeter voor je uit zien. We klemde ons vast aan elkaar ook al wisten we niet wie we vast hadden. Op dat moment zou je een vreemde nog vast klemmen. Maar toch had ik een gevoel dat dit geen vreemde was. Ook kon ik al zeker opmaken dat in ieder geval een jongen was. Het was een ruw, groot hand dat ik vast had, typisch voor een jongen. Hij had blijkbaar nog genoeg energie om zich op te trekken aan mijn arm om dichter bij elkaar te komen. Om te zien of we elkaar kende, om misschien iets te communiceren. Niet door te praten want dat kon je op dit moment niet meer, met zoveel stof durfde je amper te ademen laat staan te praten. Nee, we zouden kunnen proberen te communiceren door gebaren, alles beter dan niets. Ik probeerde om ook dichter bij te komen, maar ik had geen energie meer over om me te bewegen. Al men energie ging naar het vast houden van zijn hand. Het gaf me een gevoel van veiligheid, dat hij me vast had. Misschien eindig ik mijn leven dan toch niet alleen. Het troostte me ook wel dat ik niet, alleen, in deze orkaan zit, dat ik niet de enige ben dat bang is. Dat voelde ik aan zijn klammig en trillend hand. Op dit moment was hij al zo dicht geraakt dat hij mijn rechter schouder vast klemde, hij draaide zijn arm op een rare manier rond mijn schouder. Er vloog net nadat hij zich klem zette een grote zwarte blok tegen ons aan. We klemde elkaar zo hard vast dat mijn arm lam aan begon te voelen. Ik probeerde te grijpen met mijn vrije hand naar een lichaamsdeel of kledingstuk om nog dichterbij te komen . Het enige dat ik te pakken kreeg was een gescheurde T-shirt wanneer ik er aan trok maakte het niet veel avance , het scheurde enkel verder. Opeens voelde ik een harde hand me vast grijpen in men taille en trok me naar zich toe. We waren nu dicht genoeg om elkaar te kunnen herkennen. Ik geloofde men ogen niet, daarom voelde het zo veilig, daarom voelde het zo goed. Het was Miller, men beste vriend. We kende elkaar al van toen we 3 jaar waren. We hadden al zoveel meegemaakt samen en nu moeten we dit ook nog samen beleven. We begonnen ons leven samen, laten we het dan nu ook samen eindigen.

Ik keek naar zijn gezicht en zag enkel verdriet , ernst en schrik. Nog nooit had ik hem zo gezien. Normaal is hij zo positief , altijd goed gezind en nu was het eerst wat hij deed me vast pakken en in huilen uitbarsten. Toen voelde ik het, bloed over zijn gehele rechter kant van zijn buik op het mijne overkomen. Nu viel het me pas op , hij voelde heel koud aan. Hij bibberde dus niet van de schrik, maar van de pijn en koude. Hij moest geraakt zijn door iets, dat kan niet anders. Hij keek me terug aan met een blik net alsof hij afscheid aan het nemen was van me. Zijn kracht verslapte, ik had schrik dat hij zou weg glijden dus gebruikte ik men laatste krachten aan het stevig vast houden van Miller. Veel meer dan elkaar stevig vast houden konden we niet doen. Op men rug voelde ik zijn hand steeds op en neer strijken, terwijl hij zoveel pijn leed was hij nog steeds, mij, aan het troosten. Ik zou hem moeten troosten, ik moet hem helpen de pijn te verzachten, maar ik kon niets bedenken. Het leek een eeuwigheid te duren dat we daar in de orkaan mee vlogen. Steeds voelde ik Miller meer wegglijden. Tot ik men grip even voor 1 seconde kwijt raakte en hij er opeens niet meer was. Nooit gedacht dat ik het gevoel van zijn bloedende lichaam tegen het mijne zo hard zou missen, op zo'n korte periode. Het is men eigen schuld , ik had hem los gelaten. Het was mijn schuld , ik verloor de grip. Nooit zou ik me dit kunnen vergeven.

Weer was ik helemaal alleen verbaast dat ik nog leefde, verscheurd aan de gedachte dat ik Miller had laten gaan. Wetende dat Miller nu ook terug alleen is. En wetende dat hij hier niet levend uit kwam, zeker niet met die enorme wonde.

Het zou nu ongeveer 45 minuten geleden zijn dat de orkaan begonnen was. Het leek allemaal zoveel langer te duren, toch was het in een mum van tijd zo gebeurd. Ik probeerde voor me uit te kijken in de hoop Miller weer te zien. In de hoop iets te zien. Draaide men hoofd rechts, niets. Draaide men hoofd links, zag ik een groot voorwerp op me af vliegen. Het was van metaal denk ik, een zeer groot, rood ding. Voor ik het goed besefte sleurt het ding me mee uit de orkaan, zeker 20 meter verder lande ik op de grond met een klap die zo elk bot uit mijn lichaam kon breken. Een wonder dat ik nog bij bewust zijn was. Ik voelde niets, ik dacht niets en uiteindelijk zag ik ook niets. Alles was donker en werd ongelooflijk koud. Mijn ogen vielen dicht.

Een paar uur later werd ik wakker, op die zelfde plaats waar ik was geland. Van de orkaan was ondertussen geen spoor meer te bekennen enkel de ravage die het heeft aan gericht. Alles was vernield, nergens was er een teken van leven. Ik probeerde recht te staan om op onderzoek uit te gaan, maar ik had niet gerekend op het gewonde been dat onder een zware, betonen balk lag. Pas wanneer ik het op gemerkt had voelde ik de pijn op komen. Nu pas kreeg ik de tranen in men ogen, toch waren deze niet voor verdriet van wat er was gebeurd, ook waren deze niet voor de pijn die ik voelde. Deze waren van vreugde, vreugde , dat ik niet was gestorven. Al men vragen die ik had van hoe ik zou sterven kon ik één voor één schrappen. Niet één is er van uitgekomen. Misschien was het dan toch niet mijn lot. Opeens moest ik denken aan Miller, wat is er gebeurd met Miller? Ik voelde een drang om hem te gaan zoeken, maar naargelang ik vast zat, kon dit niet. Dus besliste ik maar om luidkeels te beginnen schreeuwen naar alles rondom me. Ik schreeuwend naar Miller. Het hielp om de pijn te verwerken, maar het was niet genoeg. Was ik aan het hallucineren of niet , ik wist het niet maar ik geloofde op dat moment wat ik zag. Ik zag iets in de verte, het had de vorm van het lichaam van Miller. Hysterisch begon ik te schreeuwen naar de vorm en gaf harde snokken aan men been dat vast zat. Men huid schuurde open , ik voelde een krak in men been maar bleef onverstoord verder gaan. Ik bleef sleuren aan het been, probeerde men been uit te graven. Ik probeerde de balk op te heffen met de adrenaline dat door men aderen stroomde. De vorm verdween stilaan, ik begon nog harder te sleuren aan men been. Mijn huid was volledig weg , mijn been was blauw en ik voelde niets meer. Met een allerlaatste harde snok ben ik los geraakt. Nogmaals keek ik in de richting van de vorm dat stilaan verdween. Probeerde recht te scharrelen maar mijn been kon mijn gewicht niet meer dragen. Ik barstte uit in tranen toen ik op dat moment besefte dat de vorm er niet meer was. Er was geen hoop meer in me, dat Miller nog zou leven. Met het verdwijnen van die vorm was ook de hoop op leven rondom me ,verdwenen. Ik viel op de grond neer en kwam niet meer recht voor zeker een half uur lang. Tot ik besefte dat ik me moest herpakken, iets verderop zag ik wat spullen liggen waar misschien nog iets bruikbaar zoals een wandelstok of drinken kon liggen. Al mankend op één been ging ik er naar toe. Van alles lag er op een grote hoop gegooid, geen echte wandelstok maar wel een stevige, dikke tak die ik kon gebruiken. Mijn zoektocht was nog niet over, ik moest water te pakken krijgen om het stof uit mijn mond, slokdarm te proberen krijgen. Nergens een druppel water terug te vinden. Op dat moment besliste ik om verder de gaan opzoek naar leven, opzoek naar drinken. Al mankend liep ik verder, men gewonde been sleep ik achter me mee. Uit het niets verscheen er een grote witte jeep, er stapte vier grote mannen uit. De vier mannen stormde op me af en sleurde me mee. Ik begon in paniek in het rond te slaan met alles wat ik in me had. Wie zijn deze mensen? Na wat ik net had meegemaakt vertrouwde ik de toestand niet. En schreeuwde naar hulp, de mannen probeerde me te kalmeren en zeiden dat ze me kwamen helpen, maar ik luisterde niet, ik bleef schreeuwen en slaan. Mijn kracht geraakte op en ik kalmeerde stilaan, eens in de auto sloeg er een grote vermoeidheid toe. Toch wilde ik men ogen niet sluiten, ik vertrouwde de mannen nog steeds niet. Een man, rood haar met donker bruine ogen keek me met een geruststellende blik aan. Het gaf me een vertrouwd gevoel, zeker toen hij een flesje fris water boven haalde. Ik sleurde het flesje iets te gretig uit zijn handen en dronk het in één teug leeg. Erna vertelde hij me dat ik beter het water terug had uit gespuwd om het stof uit me te krijgen, maar daar was het nu te laat voor. Van een vertrouwd gevoel, gaf hij me ineens een soort schuld gevoel. Raar dat je voor zo iets stom zo'n schuld gevoel kon krijgen, dat had ik me nooit eerder kunnen voor stellen. Een andere man, een donkere man met droevige ogen, bange ogen keek me aan en vroeg mijn naam. Ik reageerde niet, hij bleef volhouden en bleef mijn naam vragen. Hij vroeg me het in verschillende talen alsof hij dacht dat ik hem niet verstond, maar om een of andere reden antwoordde ik niet. Ik wou wel maar ik kon niet.

Na een rit van zeker een kwartier stopte de jeep zeer brut, ik stompte door de schok met mijn hoofd tegen de zijkant van de jeep achterbak, waar ik al die tijd in lag met de vier mannen die me hadden meegesleurd. Op het moment dat de jeep stopte sprongen de vier mannen uit de jeep en rende er vandoor, niet veel later waren ze terug met een gewonde hond. Ze legde de gewonde hond tegen me aan en zonder erover na te denken aaide ik de hond over zijn buik, om hem te troosten. Ik voelde de hond zijn pijn, ik voelde zijn verdriet. Ik was niet meer gefocust op mezelf, niet op de mannen enkel nog maar op de hond die er net was bij gekomen. Het voelde alsof ik al een band had met de hond, hij was een mooie grote hond met een lange, dikke pels. Zijn pels voelde zacht aan en toch ruw tegelijkertijd. Maar het eerste dat je op viel was het bloed over zijn gehele lichaam. Dat kon niet enkel zijn bloed zijn, enkel zijn poot was gewond geraakt. De mannen waren druk tegen elkaar bezig, de donker man zag er heel aangedaan uit. Ik hoorde ze iets zeggen over iemand niet meer kunnen helpen, omdat ze al overleden was, ze konden niets meer doen, ze hadden geen andere keus dan haar achter te laten. Mijn gevoel vertelde me dat het ging over een vrouw die iets te maken had met de hond, de vrouw en de hond hoorde samen. Nu pas besefte ik wat de orkaan allemaal wel niet heeft gedaan met mensen hun leven. Het breekt mensen hun leven, het neemt mensen hun leven. Als je goed luisterde, hoorde je mannen in de auto cabine babbelen. Als je nog beter luisterde, hoorde je mensen in de verte babbelen, roepen naar de jeep. We kwamen ergens aan, waar? Eerst namen ze de hond uit de wagen daarna was het mijn beurt. Ik werd op een plank gelegd en meegenomen naar een aparte ruimte. Daar kwam er direct een vrouw op me af met een grote kom en een doek. Ze maakte eerst men gezicht proper, daarna begon ze aan men been. Ze gaf een veilig gevoel het gevoel dat ze me wou helpen dit te overleven. Toen ik achter de hond vroeg kon ze me niet verder helpen tot haar grote spijt. De hond bleef maar in men gedachte rond spoken, het liet me beseffen dat niet enkel mensen afzien door deze orkaan maar ook alle dieren die er in verstrikt waren geraakt. Als ik rond me keek zag ik overal gewonde mensen. Mensen kwamen al schreeuwend het gebouw binnen, je zag ook mensen onder een doek het gebouw terug verlaten. We wisten allemaal wat eronder lag, het zoveelste onschuldige slachtoffer van deze ramp.

Twee dagen later was men been weer stukken beter. Ondertussen was ik bij een wandeling door het gebouw, de hond die samen met me is binnen gebracht weer tegen gekomen. Vanaf het moment dat de hond me zag plakte hij aan me als een sticker op een blad. Duidelijk, was ik niet de enige dat de band heeft gevoeld tussen ons toen we samen in de jeep lagen. De hond had ik ondertussen dan ook zeg maar, geadopteerd. Ik heb hem Hero gedoopt, het leek me toepasselijk. Sinds ik weer kan rond lopen, wel met krukken uiteraard, heb ik al veel verschillende verhalen gehoord hier in het ziekenhuis. Maar het enige verhaal dat me interesseerde was het verhaal van Miller.

Mijn ouders hadden me ondertussen al gevonden, door lijsten met namen van slachtoffer die in het ziekenhuis verbleven, rond gingen. Ze maakte het goed en hebben de orkaan enkel van een afstand gezien. Na ik ze hen mijn verhaal verteld had , aarzelde ze geen seconde om me te helpen opzoek te gaan naar Miller. Spijtig genoeg zonder resultaat.

Twee maand later kreeg ik eindelijk een doorbraak in men zoektocht. Blijkbaar was hij in een ziekenhuis een beetje verder op ,van waar ik was opgenomen, binnengebracht met spoed. Daar, in dat zelfde ziekenhuis is hij die zelfde dag, ook gestorven. Hij is gestorven aan de verwonding aan zijn buik. Ik heb hem vermoord, als ik hem niet had los gelaten hadden we samen gebleven en had ik hem kunnen helpen. Dan had hij meer kans gehad op overleven. Het was mijn schuld. Ik heb mijn beste vriend, Miller, vermoord. Het spijt me Miller, kon ik de tijd maar terug draaien. Vaarwel, Miller ...

Foto;

bypaula.nl

29/08/2016 20:19

Reacties (8) 

1
30/08/2016 12:36
Uitstekend geschreven.
1
30/08/2016 12:36
Dankje !
2
29/08/2016 21:58
Een goed, met opbouwende spanning geschreven fictieverhaal.
30/08/2016 12:31
Dankje!
1
29/08/2016 20:40
[[Deleted]]
1
29/08/2016 21:13
Bedankt, maar het is geen waargebeurd verhaal hoor ;)
29/08/2016 21:15
Oh, dan is het wel goed geschreven! Dan haal ik mijn andere reactie weg want klinkt nu zo stom :))
30/08/2016 00:46
Ava (Missouri) ligt inderdaad in de beruchte 'Hurricane Alley' , maar er is nog nooit een dode gevallen. Laat ik dat plaatsje nu toevallig kennen...
http://www.homefacts.com/tornadoes/Missouri/Douglas-County/Ava/65608.html
Copyright © Tallsay.com. Alle rechten voorbehouden.
Door gebruik te maken van deze website geef je aan dat je onze Algemene voorwaarden en ons Privacy statement accepteert